Preek van Pasen – 12 april ’20

Johannes 20: 1-15

I

“Geloof, hoop en liefde vinden nieuwe ruimte, want Christus is opgestaan”.

Daar begonnen we de dienst mee.

Dat is wat Johannes beschrijft in zijn verslag van de opstanding.

In de weken en dagen voor zijn dood begonnen veel van Jezus’ volgelingen hun geloof in hem langzaam te verliezen, de hoge verwachtingen sloegen om in vijandschap. Maar een groepje leerlingen was overgebleven, omdat Jezus iets in hun hart had geraakt… of omdat er nog ergens een sprankje hoop bij hen leefde dat hij alsnog zou laten zien waar hij toe in staat was.

Maar nu, na zijn dood, lijkt ook dat laatste sprankje hoop verloren. De discipelen hebben zich terug getrokken en de vrouwen, niet wetend wat ze anders kunnen doen, komen bij het graf om Jezus de laatste eer en zorg te bewijzen.

De emoties zijn in het gedeelte sterk aanwezig. De wanhoop van Maria, haar verdriet, de haast van Petrus en Johannes en hun verwarring. Maar het is in die verwarring, in hun beschaamdheid, bezorgdheid en verdriet dat Jezus zijn leerlingen ontmoet. Jezus roept hen bij de naam, benadert hen individueel. Hij zegt dat ze niet bang hoeven te zijn en neemt de tijd om uit te leggen wat er is gebeurd. Diepe en ontroerende ontmoetingen, waar we hier vandaag één voorbeeld van zien.

Het valt ons misschien al helemaal niet meer zo op, omdat we het verhaal al zo vaak hebben gehoord. Maar met in ons achterhoofd dat zijn leerlingen Jezus nog even daarvoor hadden verlaten en dat ze eigenlijk nog steeds niet begrepen wat er was gebeurd, zet de reactie van Jezus de verwachtingen ondersteboven. Het staat er bijna als een soort voetnoot, die zin: ‘Want ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat hij uit de dood moest opstaan’.

Maar dat is niet waarmee Jezus naar hen toekomt. Niet allereerst met een verwijt over hun ongeloof, hun onbegrip of ontrouw, maar met liefde en aandacht. Het is een diepe en ontroerende tederheid en warmte die hier van Jezus uitgaat.

En dat is wel even anders dan hoe we zelf zo vaak kunnen reageren. Ik moet mijzelf regelmatig inhouden om geen oude koeien uit de sloot te halen en voor ik het weet ontglippen me de woorden ‘Ik had het toch gezegd!’. Maar ook in de reactie op het verdriet of de zorgen van een ander komen we nog zo vaak met veel te makkelijke antwoorden.  Wanneer we zeggen ‘Laat het toch los’, ‘Het kan nog veel erger’ of ‘Het heeft geen zin om je hier zorgen over te maken’. Goed bedoeld, dat zeker. En soms is het ook belangrijk om los te laten, ergens anders zegt Jezus ‘maak je geen zorgen over de dag van morgen, God weet wat je nodig hebt’.

Maar zonder dat we het doorhebben kunnen we hiermee ook gemakkelijk over het verdriet van de ander heen lopen of ontstaat het gevoel dat onze zorgen er misschien niet mogen zijn. Juist in deze tijd is dat soms verwarrend, omdat we de corona situatie allemaal zo verschillend ervaren en het voor de een veel meer zorgen of angsten met zich mee kan brengen dan voor de ander.

Juist dan is het een troost dat God met aandacht en warmte, persoonlijk op ons toe komt. Met allereerst een vraag ‘Waarom huil je?’, ‘Wie zoek je?’. Het geeft ons ruimte ons verhaal te doen, onze vragen en onze zorgen bij Hem neer te leggen. Omdat Hij ze kent en omdat Hij ons kent.

II

Volgens de theoloog N.T. Wright is ware kennis een vorm van liefde, het is de vrijgevigheid die luistert, wacht en aandacht geeft aan dat wat ze lief heeft en zo een levende relatie mogelijk maakt.

Dat blijkt wel uit het vervolg van het verhaal.

Maria heeft Jezus nog niet herkent, even denkt ze dat ze met de tuinman van doen heeft …tot Hij haar naam noemt.

“Maria”, meer is er niet voor nodig. Ze draait zich om en roept “Rabboeni” “Meester”.  In dat ene woord, in het noemen van haar naam, herkent Maria Jezus. Dit is Jezus, die háár kent. Of zoals ze zegt in het Mirjam en Micha verhaal: ‘Ik zag Hem pas toen Hij mij zag’.

Het begint niet bij onze kennis, of wij het allemaal op orde hebben, of we alles begrijpen, maar wat er toe doet en wat het verschil maakt is dat God de Schepper van alles ons kent. Dat Hij ons ziet en bij onze naam noemt. En dat is wat Maria ervaart, in die herkenning komt de blijdschap en de hoop terug die zojuist nog volledig verloren leek.

Het herinnert aan de woorden van Jezus een paar hoofdstukken eerder in het evangelie van Johannes. Waar Hij uitlegt dat een goede herder te herkennen is aan het feit dat Hij zijn schapen bij naam kent en dat de schapen hem volgen en naar Hem luisteren omdat ze zijn stem kennen.

“Ik ben die Goede Herder”, zegt Jezus vervolgens, “Ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen mij, zoals de Vader mij kent en ik de Vader ken. Ik geef mijn leven voor de schapen”.

Dat is wat Maria was gaan ervaren, waarom ze Jezus was gaan volgen. Ze had haar hoop en haar vertrouwen in Hem gesteld, omdat ze zich door Hem gekend voelde. Omdat ze zijn liefde had gezien die geen grenzen kende en zo tot de overtuiging was gekomen dat ze hem kon vertrouwen en op hem kon bouwen. En dat is wat ze hier weer hoort en herkent in zijn stem, wat opnieuw ten volle tot haar door dringt, zodra haar naam klinkt.

En dat roept de vraag op ‘Herkennen wij die stem ook? Herken ik die stem ook?’ Want niet alleen toen, maar ook nu komt God telkens opnieuw weer op nieuwe en frisse manieren op ons af, waar we ons ook bevinden. Want hij kent ons en weet waar we zijn of waar we mee zitten.

Met zijn stem komt Hij tot ons in de schoonheid van de natuur, in de mensen om ons heen, in zijn Woord en in Christus zelf. Soms helder en duidelijk, soms zacht of fluisterend. 

Het is die stem die ons de kracht geeft om overeind te komen en verder te gaan, wanneer we de moed dreigen te verliezen. Zijn woorden komen tot ons als een richtingaanwijzer, wanneer we zelf de weg niet meer weten.

In zijn stem herkennen we zijn liefde. Die diepe liefde, die om ons geeft, ons vervult en ons zo in staat stelt om ook onszelf en de ander lief te hebben.

In zijn stem vinden we geloof en hoop op een wereld waarin het licht sterker is dan het duister en het leven sterker dan de dood.

III

En daarmee onderscheidt die stem zich van alle andere stemmen. Want er zijn nogal wat stemmen waar we naar kunnen luisteren. De stemmen van onze ouders of vrienden, stemmen van commentators op televisie of in de krant, van influencers of zelfhulpboeken. Stemmen die allemaal een zekere mate van wijsheid claimen of zeggen dat ze ons verder zullen helpen. En dat doen ze gelukkig vaak ook, maar soms kan het maar goed verwarrend zijn. Ik merkte dat juist in deze weken, waarin er van alles op ons af komt, er nog veel onduidelijk is en er veel vragen leven.

Maar het geldt ook voor die vragen die dieper gaan, die raken aan wie we zijn en hoe we leven. Vragen over geloof, hoop en liefde. Waar moeten we dan op bouwen? En wie kunnen we vertrouwen?

Voor Maria was er geen twijfel, dat was de stem die haar naam riep. De stem van Hem die ons beter kent dan wij ons zelf. Van Hem die toonde dat zijn liefde zonder grenzen is, die zijn leven gaf voor zijn schapen. De stem, het woord van de opgestane.

En toch is het niet altijd makkelijk om te vertrouwen. Misschien juist niet in deze tijd, waarin de onzekerheid ons omringt, waarin God misschien eerder afwezig voelt dan dichtbij en we zijn liefde maar lastig ervaren. Dan kan het zo dat we ons meer herkennen in de Maria uit de eerste verzen, nog vol verdriet en onzekerheid.

En tegelijk, juist dan, kunnen we niet zonder Zijn liefde die de grond is van ons bestaan. Niet zonder de hoop die doet leven en het geloof wat ons weer overeind helpt. Donderdag klonk dat weer in The Passion van de EO, met die bijzonder passende zinnen van Guus Meeuwis “Geef mij nu je angst, ik geef je er hoop voor terug”, “Geef mij nu de nacht, ik geef je de morgen terug”.

In de opstanding van Christus, wint het leven van de dood, begint een nieuwe morgen. Daar vinden geloof, hoop en liefde nieuwe ruimte. Als de opgestane is Hij is de belichaming van Gods nieuwe schepping, die wordt voortgedreven door Zijn liefde. Een sterke en krachtige liefde, die levens verandert en richting geeft.

In die liefde kwam Hij bij Maria en komt hij bij ons, nodigt hij ons uit om onze angst en ons verdriet bij Hem neer te leggen en wil Hij ons opnieuw vervullen met geloof, hoop en liefde.

Van daaruit mogen we op weg gaan, de nieuwe dag in. Tegen Maria zei Hij “Houdt me niet vast”, maar ga naar de anderen om te delen van wat je gehoord hebt. En zo worden ook wij opgeroepen om vanuit Gods liefde, die liefde die de drijfveer is van zijn nieuwe schepping, mee te bouwen aan zijn wereld. Om handen en voeten te geven aan wat in Christus is begonnen en daarmee vooruit te kijken naar die dag dat God alles recht zet.

Soms zien we het misschien nog helemaal niet, voelen we ons er nog niet klaar voor of willen angst en twijfels ons nog niet los laten. Maar juist dan begint het misschien bij simpelweg op weg gaan. Want in het oefenen van het uitleven van die liefde, ontstaat de ervaring dat er reden is om te hopen en te geloven, en dat onze angsten en zorgen niet het laatste woord zullen hebben.

Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.