Preek van de Week – Zondag 9 september ’18 door prof. Peter Barthel en ds. Evert Jan Veldman

Psalm 8
1 Korintiërs 13, 8 – 13

Prof. Peter Barthel
Als astronoom, of beter astro-fysicus ben ik bezig met de natuur-(kunde) boven ons. Daarnaast heb ik – als iedereen – mijn gedachten over het boven-natuurlijke. Die gedachten wil ik met u delen. Niet zozeer als astronoom maar gewoon als nieuwsgierig, verwonderd mens in de breedste zin, vind ik de wereld dermate bijzonder dat ik me de vraag stel naar mijn plaats en rol in dat geheel. In principe zou ieder weldenkend mens dat moeten doen. Afgelopen vrijdagavond hebben we hier in deze kerk, in beeld en klank stil gestaan bij een beroemde collega van mij: de 18-19e-eeuwse componist en astronoom William Herschel. Op het voorblad van uw liturgie staat een van de vele ontdekkingen die Herschel deed, en tijdens deze dienst heeft u op de beamer nog meer van die ontdekkingen gezien.

Herschel was een exceptioneel kundige wetenschapper. Omdat hij de beste telescopen van de wereld had (die maakte hij zelf!) kon hij de grenzen van de astronomische kennis verleggen – en niet zo’n klein beetje! Hij werd dankzij de ontdekking van de planeet Uranus hof-astronoom van de Engelse koning, en kon in die positie zich full-time (dag en nacht!) wijden aan zijn fascinatie en verwondering met de sterrenhemel. Voor zover we kunnen vaststellen had hij weinig tijd voor de kerk, maar hij zag de natuur en de muziek als manifestaties van God, die hij ‘the Author of our Existence’ noemde. Hij was een bescheiden, aimabel man.

Wat is dat toch als je de sterrenhemel, de Grand Canyon of een ondergaande zon ziet, het strijkkwintet van Schubert of een nachtegaal hoort, kinderen ziet spelen, je een knipoog of een kus van je partner krijgt? Dat geeft een intens gevoel van harmonie met (een deel van) de wereld. Echter niet een gevoel om voor jezelf te houden maar een gevoel dat je wilt delen. DAAROM heb ik dat plaatje op de liturgie laten zetten.

Maakt allemaal deel uit van drie verbindingslijnen in het mysterie KOSMOS (=orde, schoonheid). Ik onderscheid de rationele objectieve lijn van ons collectieve verstand, de emotionele, subjectieve lijn (sommigen zullen het orgelstuk van César Franck straks na de preek mooi vinden, anderen niet), en de lijn van de zingeving die emotie en ratio combineert. Ratio én emotie vragen ons: waar is dit heelal, deze wereld voor en wat moet ik er mee? – da’s religiositeit. Het Christendom biedt een antwoord op die vraag; andere religies ook.

God is de bezielende, heilzame geest van deze wereld en tegelijkertijd een appèl om het goede te doen. God is niet het antwoord op onze vragen, maar de vraag om ons antwoord! In dat beeld is religieus zijn niets anders dan geïnspireerd leven, op zoek naar de betekenis van de wereld en de rol van de mens daarin. Andermaal: wat is goed voor mijzelf, voor de ander, voor de wereld? Geloven, of liever religieus zijn is geroepen worden, je aangesproken voelen. Omdat het tegelijkertijd een appèl is om het goede – liefde, recht, en trouw – te doen, is geloven dus een werkwoord! Filosoof Wittgenstein hield het simpel: “aan een God geloven betekent de vraag naar de zin van het leven begrijpen”.

Ik zie God dus als een emotionele ervaring EN richting en heb geprobeerd dat in één duidelijke zin samen te vatten in mijn boekje “Professor, bestaat God?”: God is het goede en het mooie van deze wereld dat we met elkaar in verwondering én in vertrouwen ont-dekken, dat ons ter verantwoording roept en dat we met elkaar moeten delen. Veel mensen kunnen zich daar in vinden maar ik ben er ook op gewezen dat God te vinden is in de hulpeloze, de vluchteling, de mens-aan-de-onderkant. Mee eens – da’s dus in het CONTRAST met het goede. Evert Jan gaat daar dadelijk meer over zeggen. Eens vroeg een Russische rabbijn uit de 19e eeuw, ene rabbi Mendel, aan zijn mede-geleerden: “waar woont God?” Die lachten hem uit en zeiden: “overal toch?”, waarop Mendel antwoordde: “nee, God woont alleen daar waar men hem binnenlaat.” In zijn twee geboden (“God liefhebben met hele hart, ziel, kracht en verstand”, en “mensen om je heen liefhebben als waren zij jezelf”) heeft Jezus de kern – liefde – klip en klaar samengevat.

Ik wens ons allen nog vele mooie momenten van verwondering en bezieling toe.

 

Ds. Evert Jan Veldman

I
God is het goede en het mooie van deze wereld, dat we met elkaar in verwondering én in vertrouwen ontdekken. Het vraagt om ons antwoord. Het is er om te delen. Aldus Peter Barthel in zijn boekje ‘Professor, bestaat God?’

Maar wat is goed? En wat is mooi? Voor het eerst en als eerste de sterrennevel zien, moet een overweldigende ervaring zijn geweest. En jij, mensenkind, hebt haar ontdekt! Jij, klompje sterrenstof! Daarin ligt de verwondering. Een sterrennevel kan zich niet verwonderen. Jij, mensenkind, jij kunt je verwonderen. Er zijn twee manieren om aan die verwondering een eind te maken. Door je op te sluiten in foutloze berekeningen – Goed is dan foutloos. Of door de ontdekking in te kapselen in een theologie waarin een almachtig God zich als een soort wethouder Hekking tussen jou en het zicht op de sterrennevel drukt en jouw verwondering plat praat – Goed is dan het geloof in God de Almachtige.

En wat is mooi? Is mooi wat het oog streelt of onze zintuigen behaagt? Is mooi inderdaad subjectief? De een vindt immers dit mooi en de ander dat? Of is goed en mooi dat wat de verwondering heel laat? De verwondering, die een mens uit het evenwicht duwt. De verwondering, die jouw gesloten wereldbeeld openbreekt en die nieuwe vragen opwerpt bij alles wat voor jou vast stond. Een ervaring waar je niet op zat te wachten, maar die voor altijd in jou geprent staat,

II
4Zie ik de hemel, het werk van uw vingers,
de maan en de sterren door u daar bevestigd,
5wat is dan de sterveling dat u aan hem denkt,
het mensenkind dat u naar hem omziet?

Leg je de woorden van de psalmdichter onder de microscoop, dan blijft er geen spaan van heel. De maan en de sterren zijn niet door een God aan het zwerk bevestigd. En er is geen God die van boven op ons neerkijkt en omziet naar zijn beminde gelovigen.

Maar net zo min als het scheppingsverhaal uit Genesis 1, is Psalm 8 een verklarende tekst over hoe het zit en wie er aan welk touwtje trekt. Psalm 8 spreekt de taal van de verwondering. Geen berekening maakt er een eind aan. Geen almachtig God legt zijn wil op aan de dichter. Het is het mensenkind zelf dat woord geeft aan de verwondering en die ervaart als een omzien naar hem/haar. De verwondering maakt dat je je gekend weet. En dat terwijl jij het toch echt zelf bent die door de telescoop hebt gekeken. Of in de nacht naar boven hebt lopen staren.

III
De psalm begint en eindigt met een uitroep van verwondering. Met daarin die onuitsprekelijke naam. Aangeduid met vier hoofdletters. Wat is het toch? Wie is het toch, die maakt dat jij je gekend weet? Die de verwondering heel houdt. Niet de grote baas. ‘HEER, onze Heer, hoe machtig is uw naam op heel de aarde.’ Machtig van machtig mooi. Wie? ‘Die uit de mond van kinderen een sterkte bouwt, een burcht van zangen waar zij hun schenders ontkomen, die.’ – zo vertaalt Huub Oosterhuis.

Stel je voor: je staat als balling langs de promenade van Babel die naar de tempel leidt van de zonnegod en naar het paleis van de macht. Alles schittert. Goud blinkt in de zon. Over mooi gesproken. Maar jij maakt er geen onderdeel van uit. Jij bent er een zonder papieren. Jouw God heeft het onderspit gedolven tegen de goden van Babel. Een God zonder papieren.

Als de avond valt schuil je samen met anderen die niet naar jouw papieren vragen omdat ze die zelf ook niet hebben. Je kijkt omhoog naar de sterren. Je kijkt elkaar aan. En er komt ineens een waanzinnige gedachte in je op: Wij worden door sterren omringd. En er is geen God die ons dat af kan nemen. Wij worden door sterren omringd. En het maakt ons niet klein maar groot. Wij zijn aan zet. Iets zegt ons dat. Of is het toch een iemand? Is het die God zonder papieren? Die van: ‘Waar twee of drie in mijn naam bijeen zijn, daar ben ik in hun midden.’ (Mat. 18 vers 20)

IV
De kerk is er om te getuigen van deze God. Ze voegt zich in de kring van mensen zonder papieren. En neem dat ruim. Ze kijkt om zich heen: Geen goud dat er blinkt. Veel krassen in de ziel. Geen God die alles op zijn pootjes terecht laat komen. Maar mensen die elkaar aankijken en zich gekend weten. Terwijl een naam rondzingt. Wie? ‘Die uit de mond van kinderen een sterkte bouwt, een burcht van zangen waar zij hun schenders ontkomen, die.’ Is dat niet mooi? Wat zeg ik – Prachtig!
Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *