Preek van de Week – Zondag 9 december ’18

Openbaring 10

I
Mededogen met Johannes op Patmos was de motor die het gesprek op gang bracht tijdens de voorbereiding van deze dienst op Schiermonnikoog. Schier in november is de rust zelve. Hoe anders dan het eiland Patmos, dat al strafkolonie dient in het Romeinse rijk. Hoe anders ook dan in het hoofd van de ziener Johannes, in wie het woest tekeer gaat. Wat hij allemaal ziet, komt dicht in de buurt bij wat we vandaag een post traumatisch stress syndroom noemen – PTSS. Excessief geweld laat geen mens onberoerd. Hoe moet je vanaf Schier begrijpen wat Johannes op Patmos heeft meegemaakt? Met mededogen kom je dan nog het verst.

Het lastige is dat God en de hemel een hoofdrol spelen in de horror van het Bijbelboek Openbaring. Rond de tafel in het Alde Bakhûs en het goede gezelschap is het niet moeilijk om vol te houden dat God liefde is. Maar in de visioenen van Johannes op Patmos is dat anders. Het is een en al stress: ‘Doe dit!’, ‘Laat dat!’, ‘Ho stop!’, ‘Schrijf op!’, ‘Eet op!’. Het is om gek van te worden. De vraag, waarom God dit allemaal toe laat, is vanuit de knusse hemel van het Alde Bakhûs niet goed te stellen. God is namelijk speler in het gewelddadige spel dat zich afspeelt in het hoofd van Johannes op Patmos. De hemel is strijd aan het leveren met de draak. En het gaat ervan!

De vergelijking met post traumatische stress kan behulpzaam zijn in het verstaan van het Bijbelboek Openbaring. Niet dat Johannes op onze diagnose zit te wachten. Zie het maar als een metafoor. Maar het is klip en klaar dat wat Johannes allemaal ziet in zijn visioenen, een reflectie is van de onderdrukking en het geweld dat christenen hadden te verduren in deze periode in het Romeinse rijk. Er zijn dingen die zo op je netvlies staan gebrand en in je ziel werden gekerfd, dat ze nooit meer weg gaan en blijven spoken in nachtmerries en in angstvisioenen overdag. Johannes is niet alleen de gevangene van Patmos. Hij is ook de gevangene van wat hij allemaal heeft gezien en meegemaakt.

II
Dat God en zijn engelen hoofdrolspelers zijn in het soms macabere spel van de visioenen, bewijst in de eerste plaats dat zij geen buitenstaanders blijven. De hemel heeft met de aarde te doen. Dat zegt ze niet alleen. Dat laat ze zien. Op de vraag, waarom God dit allemaal toelaat, zal nooit een antwoord komen. Zeker niet wanneer die vraag gesteld wordt in de ruimte van wie doet mij wat. Die vraag wordt niet bezorgd. In die hemel woont God namelijk niet. Alleen een hemel die zoek durft te raken in de brandhaarden van deze aarde, omdat ze de mensen niet alleen wil laten; alleen zo’n hemel kan Gods woonplaats zijn. De vraag naar het waarom verandert daar in een ‘God, hoe lang nog?’ en het antwoord in een arm, die steun biedt en een blik, die jou vast houdt.

De hemel, die de aarde zoekt, zien we vandaag terug in de sterke engel met de regenboog boven zijn hoofd, met een gelaat als de zon en voeten als zuilen van vuur. In zijn hand heeft hij geen zwaard, maar een boekje. Geen statenbijbel met koperen sloten. Die had nog niet misstaan in plaats van het zwaard. Maar een boekje, zo klein, dat het Grieks een soort dubbel verkleinwoord gebruikt. Zo klein als het liefdesbriefje dat ik ooit in de jaszak van mijn vriendinnetje frommelde, stel ik me voor. Het boekje ligt open in de hand van de engel.

‘En hij zette zijn rechtervoet op de zee en zijn linker op het land.’ Om te voorkomen dat de schepping uit elkaar zal vallen onder alle geweld. Dat hij de regenboog boven zijn hoofd draagt, heeft met het zelfde te maken. Die is niet om mee te pronken, maar om ons te herinneren aan de belofte die God aan Noach deed: ‘Nooit weer zal het water aanzwellen tot een vloed die alles en iedereen vernietigt.’ (Gen. 9, 15) De regenboog als de pet van de hemelse postbode, die ons het goede nieuws komt brengen.

Frits Pluimers schildert in zijn kerkraam de aarde en de zee als ‘green and pleasant land’ uit de Engelse hymne ‘Jerusalem’ van Hubert Parry (1916), bij het beroemde gedicht van William Blake (1804). Het contrasteert sterk met de aarde in ademnood en met de zee die haar grenzen niet meer kent, zoals die in de visioenen van Johannes op ons afkomen. Maar de vriendelijke vrede is het beeld van de hoop, die herleeft als de engel zijn voeten plant op de aarde en op de zee. Met de woorden, die hier vorige week klonken: ‘Wie hoopt er nog op wat hij al kan zien? Maar als wij hopen op wat nog niet zichtbaar is, blijven we in afwachting daarvan volharden.’ (Rom. 8, 25)

Wat de hemel voor ons in petto heeft hoeven wij niet te weten. Het is genoeg om te weten dat de engel schreeuwde met grote stem. Dat hij schreeuwde om wat hij zag. Dat hij schreeuwde om Johannes, die op het randje is van gek worden. Dat hij schreeuwde om zijn lotgenoten in de verdrukking. Het is genoeg om te weten dat de hemel niet doof bleef voor de schreeuw van de engel; dat de zeven donderslagen begonnen te spreken met hun eigen stemmen. Johannes wilde al weer gaan schrijven: dat wat per definitie te groot voor hem was. ‘Nee, Johannes! Verzegel het. Schrijf dat níet op! Voor nu is het genoeg om te weten dat het de hemel niet koud laat wat jou en je gemeente wordt aangedaan. Het is de hoogste tijd!’

III
‘En de stem die ik uit de hemel hoorde sprak weer met mij en zei: ga, neem het boekje dat geopend ligt in de hand van de engel die op de zee en op het land staat!’ Hoe doe je dat?, denk ik dan. Hoe blijf je heel in de ontmoeting met zo’n immense gestalte? Hoe kom je door het vuur heen? Hoe benader je de zon? Maar blijkbaar is dat geen probleem. Want het vuur is het vuur van de liefde. En de zon het licht van Gods aanvaarding. Johannes blijft overeind. In de lichtkring van die liefde word je overeind gehouden, hoe groot de schade ook is die je hebt opgelopen in wat geen leven was. Jíj mag het zeggen! ‘En ik ging naar de engel en zei hem mij het boekje te geven.’ Wat een lef. Maar zo liggen de verhoudingen in het rijk van God.

Johannes krijgt de opdracht om het boekje op te eten. Zoals verzetsmensen in oorlogstijd dat deden om een geheime boodschap niet in de handen van de vijand te laten vallen. Als hij het boekje opeet, is het in zijn mond zoet als honing, als de eerste kus die een puber van zijn vriendinnetje of vriendje krijgt. Het boekje is klein genoeg om dat grote woord van God te kunnen bevatten; ‘Lief mensenkind, ik houd van jou!’ Het is klein genoeg om niet zwaar op de maag te liggen. Dat het van binnen desondanks brandt en bitter voelt, heeft te maken met de liefde die Johannes heeft aangeraakt. Zolang de aarde nog geen ‘green and pleasant land’ is en mensen over de kling worden gejaagd, brandt de liefdesverklaring van God in zijn buik. Hoe bitter is het om je niet meer af te kunnen sluiten van het lijden dat mensen wordt aangedaan? Wie door Gods liefde is aangeraakt, kan niet meer denken: ‘Het is nou eenmaal zo.’ Hopen tegen de klippen op vraagt zo veel meer van een mens, dan niet verder kijken dan je neus lang is. Een hoopvol mens is niet per definitie een opgeruimd mens. Ze weet van zuchten en van vragen: ‘God, hoe lang nog?’

IV
Naast de sensatie van het zoet in de mond en de pijn in de buik, die verduurd moet worden, heeft Frits Pluimers in het raam het witte doek geschilderd dat het geheim van Openbaring symboliseert. Het is geschilderd als het witte doek dat brood en de wijn op de avondmaalstafel bedekt. Het wacht op ons. Het wil onthuld worden. God geeft zich aan ons weg in brood en wijn. Tot op de dag dat alle leed geleden is en God zal zijn alles in allen. Dat het zoet mag smaken. Dat zijn liefde blijvend in ons branden mag.

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen

 

 

Verlegen met mijn God

Ook ik kan wel als Strauss en als Renan
en zoveel andere verlichte heren
het vreemde fenomeen analyseren,
de fabels en parabels van de man
die door het koren liep in Kanaän.

Historisch is het ook wel te verstaan,
de oude mythe kan men er in horen:
een god wordt gaarne uit een maagd geboren,
doet wonderen en sterft zoals het graan
om als het graan weer op te staan.

Maar als ik door het pad naar voren schrijd
en om mij heen de arme stervelingen,
mensen zo dwaas als ik, de lofzang zingen:
“O Heer, uw bloed roept voor altijd
barmhartigheid, barmhartigheid”

dan ben ik niet verlegen met mijn God,
dan is hij vlak bij mij, dan weet ik zeker
dat hij mij aankijkt uit de donkre beker,
dan eet ik zijn genadebrood,
dan leef ik van zijn dwaze dood

J.W. Schulte Nordholt

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.