Preek van de Week – Zondag 8 maart 2020

Exodus 4, 18 – 31
Matteüs 17, 1 – 9

I
Je wilt er wat mee kunnen, toch? Met wat hier gehoord wordt. Met wat hier gezegd wordt. Met wat hier gedaan wordt. Je moet er toch wat aan hebben? Waarom zou je anders op zondag de wekker zetten? Je komt om je geloof te stutten omdat het zonder God wel heel erg kaal en richtingloos wordt. Je komt om anderen te ontmoeten, gemeenschap te ervaren. Want individualiteit is mooi, maar ze wordt pas echt mooi oog in oog met de ander. Groeien aan elkaar, weerwoord krijgen, op het verkeerde been worden gezet en dan ervaren dat je ook op dát been kunt staan.

Maar wat als je helemaal niks kunt met wat je hoort. Echt helemaal niks. Je denkt misschien wel eens: Ik hoop dat een ander hier iets mee kan, dat een ander dit ook voor míj gelooft – want ik wil er bij blijven horen. Maar wat je hoort kan ook zo veel verzet oproepen, dat je hartgrondig hoopt dat ook iemand anders er niets mee kan. Bijvoorbeeld als er hier gelezen wordt: ‘Onderweg, toen Mozes en de zijnen ergens overnachtten, kwam de HEER op hem af en probeerde hem te doden.’ (vers 24). Dezelfde, die zo veel moeite heeft gedaan hem op pad te sturen. Sippora, zijn vrouw, weet de boel te redden door die nacht hun zoon te besnijden met een scherpe schilfer van een rots. En dan dat rituele gedoe waarbij ze met de bebloede voorhuid van de jongen de voeten van Mozes aanraakt.

Alles in je komt in opstand. Direct verbieden dat achterlijke gedoe, denk je dan. De lichamelijke integriteit van een mensenkind is jou heiliger dan de dreigende toorn van een God. Met zo’n God kun je niks. Met zo’n God wíl je niks. Nee, en toch hoop je dat we hier zondag aan zondag meer doen dan oude geloofsverhalen op onze maat snijden, om die vervolgens geruststellend te laten buikspreken. Want als dat het alternatief is.. Daarom stel ik voor dat we er toch maar dwars doorheen gaan. Mét ons verzet. Zonder geruststellende praatjes dat onze God niet bijt..

II
In de woestijn valt de nacht letterlijk. Je ziet geen hand voor ogen. Alleen de sterrenhemel dringt zich aan je op. Zonder vuur ben je nergens. Demonen liggen op de loer. De redelijkheid legt het af. Je bent geen God meer in het diepst van je gedachten. In die nacht houden we ons vast aan het geloof van Israël dat er een weg is door het donker, dat er in de nacht iets aan ons voltrokken wordt wat we niet in de hand hebben.

Dat het door de dood heen, naar het leven gaat, dat heeft de kerk niet zelf verzonnen. Dat heeft ze van Israël, dat niet voor niets de dag telt van de avond naar de morgen toe. Opgaan, blinken en verzinken, dat snappen wij. Zo tellen wíj de dagen. Ingeklemd tussen donker en donker. Over dat donker denken we liever niet zo na. We zijn verlichte mensen, met verstand van alles. En bij klaarlichte dag concluderen we dat God niet bestaat of geloven we dat hij liefde is en dat we natuurlijk niets van hem te duchten hebben.

Maar dat het in de nácht begint waarin je nergens bent – zeg maar: dood en begraven – en dan jezelf terug vindt in vrijheid en in het volle licht gezet, dat is met de beste wil van de wereld en met diepzinnige godsdienstigheid niet op een rijtje te krijgen. Wat zou je anders kunnen doen dan je hier tegen verzetten? Want de regie wordt jou ontnomen. Nou ja, wat je zou kúnnen doen, is het Hooglied lezen, dat rept van liefde sterk als de dood. Ze is een vlammend vuur in de nacht. Geen lieve liefde, die van donker niet wil weten. En vooral ook de doop blijven vieren, waarin we door donkere diepten heen als nieuw geboren aan het licht worden gebracht.

III
Ik kan u natuurlijk gerust stellen door met mijn theologen kennis de nacht waarin God zich gedraagt als een demon en waarin Sippora een noodbesnijdenis uitvoert om het kwaad te bezweren, tot stokoude overlevering te verklaren, die is ingevoegd in het verhaal. Dat zou goed kunnen. Misschien was de besnijdenis ooit een bruiloftsritueel. De tekst is niet zo duidelijk op wie God het gemunt heeft, op Mozes of op zijn zoon. En ook niet wie Sippora aanraakt met de bebloede voorhuid van haar zoon. Is het de jongen zelf of is het Mozes. Wie is hier de bloedbruidegom? De NBV geeft op deze vragen te snel een antwoord. Zo helder is het niet. Dat pleit er voor dat het om een invoeging gaat. Het aanraken van de voeten is overigens een eufemisme voor het aanraken van de geslachtsdelen.

Duidelijk is dat er veel op het spel staat in dit verhaal. ‘Mijn zoon, mijn eersteling is Israël!,’ heeft de Eeuwige gezegd. Mozes moet die boodschap overbrengen aan Farao. ‘Ik zeg tot u: zend mijn zoon heen, dat hij mij kan dienen, en weiger je hem heen te zenden: ziehier, dan vermoord ík jóuw zoon, jóuw eersteling!’ Die dreigende woorden gaan  vooraf aan die nacht, waar wij slecht raad mee weten. We hadden het graag wat beschaafder gehad. En dat is zachtjes uitgedrukt. Het is duidelijk dat het, ook in die nachtelijke aanval, om de zoon te doen is. Van wie is hij er één, Mozes? Van jou of van mij? En net als in het eerste begin van het boek Exodus, is het opnieuw een vrouw die het verhaal open houdt. Sippora voegt zich met haar daadkracht in het rijtje van de vroedvrouwen Sifra en Pua, van de moeder van Mozes, van zus Mirjam en van de dochter van Farao.

Zij weerstaan de spierballentaal. En als het moet ook God, wanneer die zich in de nacht als een demon gedraagt. Sippora stáát voor haar zoon. Sippora stáát voor Mozes. Door haar eerstgeborene te besnijden, zegt ze tegen die duistere gestalte: ‘Dit is jóuw zoon!’ Alsof ze een vermoeden heeft van het heilige dat God beweegt. Waar God zelf nog niet van weet hoe hij er mee moet dealen. ‘Liefde sterk als de dood,’ zingt het Hooglied over dat heilige.

In het woord ‘besnijden’ zit ‘dat wat overtollig is’. Het gaat dan om meer dan de voorhuid. Als Sippora daarmee het geslachtsdeel van Mozes (of dat van haar zoon, dat is niet helemaal duidelijk) aanraakt, zegt ze daarmee: het gaat om iets anders dan om potentie en om macht. In het licht van het heilige zijn die overtollig. Bloed, zweet en tranen kost het om van wat overtollig is af te komen. Oog in oog met wat Sippora doet, staat er dat ook God ontspant en door de knieën gaat. De donkere kant van God keert zich af. De liefde profileert zich ten koste van de dood. Ze kent haar kracht nog niet.

IV
‘Mijn zoon, mijn eersteling is Israël!,’ heeft de Eeuwige gezegd. Deze liefdesverklaring is een breuk met wat de goden gewoon zijn. Gewoon is het korte lijntje van de godheid naar de koning. Macht, die van boven komt en die zich breed maakt. Buigen zul je! Farao is mijn zoon. Het is niet moeilijk God te traceren. Je trekt de lijn van beneden door naar boven en je weet dat je via de koning bij God uitkomt. Maar als er dan Een is, die zijn Naam verbindt aan wat niets is en zegt: ‘Jij bent mijn eersteling!’, dan ben je de draad definitief kwijt. Dan tast je in het duister. Dan ben je van God los, zou je kunnen zeggen.

Hoe anders dan bij het visioen boven op de berg. Daar is alles licht. Wie wie is hoef je daar niet te vragen. In het midden staat Jezus, die straalt als de zon. Mozes laat zich zien. En Elia. Gedrieën in gesprek. Alleen dat al bevalt ons beter dan een besnijdenis met een schilfer van een rots. Geen bloed hier, maar kleren, wit als het licht. En dan die stem uit de lichtende wolk. Ja, je hoort de verwantschap met de boodschap die de Farao te horen gaat krijgen: ‘Mijn zoon, mijn eersteling is Israël!’ Maar de aankleding bevalt ons beter. Dit is waar je naar op zoek bent, of je nu gelovig bent of niet, naar verlichting! ‘Dit is mijn zoon, de geliefde, in wie ik welbehagen heb: hoort naar hém.’ (Mat. 17, 5) Geen donkere kant. Geen dreigende stem. En ook nog eens ergens boven. Dit is zoals het hoort. Ja, er is meer tussen hemel en aarde.

Is dit niet wat de kerk zou moeten laten zien en horen? Is dit niet wat ze nodig heeft om aan de weg te kunnen timmeren? Ja, zo zouden we het ons wensen. Wij zijn de tenten waar we dit kunnen vasthouden en mensen het mee kunnen beleven. ‘Heer, hoe goed is het dat wij hier zijn! – als u het wilt zal ik hier drie tenten maken: voor u één, voor Mozes één en voor Elia één,’ (Mat. 17, 4) zegt Petrus, het hoofd van de kerk. Weg met de nachtmerrie uit Exodus! Leve de hemel op aarde! Hier is God gewoon weer God.

En dan vergeten we voor het gemak dat deze welkome uitspatting van licht en helderheid onderdeel is van een verhaal dat de weg van Jezus vertelt tot op het kruis. We vergeten voor het gemak dat God nadien in dit evangelie niet meer van zich doet horen. Het laatste wat gezegd moest worden, is gezegd: ‘Dit is mijn zoon, de geliefde, in wie ik welbehagen heb: hoort naar hém.’ Van hem moeten we het hebben. Hij, die onze nacht opzocht en die met ons deelde. Hij, die liefde is, sterk als de dood die hem wachtte. ‘Hoort naar hém!’ Hij is de God, die in Exodus het lijntje doorknipte met de goden omdat hij in het slavenvolk Israël zijn grote liefde vond. Waar is God aan begonnen? Romantiseer het niet. Snap er niks van. Laat het duister voor je zijn en blijven. Maar geloof Thora en Evangelie op hun woord. Laat die het licht op je pad zijn. Jezus is een Zoon uit Israël. En hij is één in wezen met de Vader, zoals de kerk het sinds eeuwen belijdt. Het is heilzamer om de kerk hierin te volgen en niet weg te vluchten voor de nacht, dan om het visioen van licht uit het verhaal te knippen en er een geruststellend tempeltje van te maken.

Soms zien we geen hand voor ogen. Dan moeten we het doen met mensen als Pua en Sifra, als Mirjam en Sippora. Dan gaan we in hun spoor en leren we van hen de dagen tellen vanuit het donker naar het licht. We zijn onderweg naar Pasen.

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.