Preek van de Week – Zondag 7 juni ’20

Exodus 34, 4 – 9
Matteüs 28, 16 – 20

I
Naar Galilea moesten ze gaan. Daar zouden ze hem zien: de Levende, de Opgestane. De ene plek is de andere niet. Wil je hem ontmoeten, dan moet je dáár zijn. Ik bedoel dat niet letterlijk. Gelukkig maar. Je kunt er nu niet eens komen. Het toerisme ligt stil. Er zijn geen pelgrims te bekennen in Galilea. De economie is ingestort. Wat wij hier doormaken, maken zij daar in het kwadraat door. Al die mensen die hun brood verdienden in de toeristische sector, moeten terug vallen op familieleden die nog wat hebben om te delen. Maar ook dat is eindig. En dan? Misschien is Galilea sinds tientallen jaren nog nooit zozeer Galilea geweest als nu. Met die schaduw die over het leven valt, ondanks de zon die er hoog aan de hemel staat.

‘Het volk dat in duisternis ronddoolt ziet een schitterend licht. Zij die in het donker wonen worden door een helder licht beschenen.’ (Jes. 9, 1) Dat is Galilea. Herkent u de woorden? Ze klonken in de Kerstnacht. Toen er nog niets aan de hand was. Toen de mensen samen dromden in de Nieuwe Kerk en we met elkaar het donker in de tang hadden. Toen je over de koppen kon lopen in de Geboortekerk van Bethlehem en pelgrims in file langs de herdersvelden liepen. Nee, Bethlehem ligt niet in Galilea. Dat klopt. Niet als het aan Google Maps ligt. Maar spreek met de Palestijnse vrouwen van het Sumud House, grenzend aan de Muur, of bezoek er het AIDA vluchtelingenkamp, en je bent in Galilea.

Galilea kan overal zijn. Je hoeft er niet voor te reizen, want je bent er dicht in de buurt als je voor de zoveelste keer een mens die je liefhebt op een schermpje ziet verschijnen, terwijl je haar vast zou willen houden, en je het helemaal gehad hebt met die anderhalve meter samenleving en het ‘nieuwe normaal’. Als de moed je in de schoenen zinkt, omdat er totaal geen zicht is op uithuilen en opnieuw beginnen, dan ben je al bijna in Galilea.

II
Daar moesten de elf leerlingen naar toe gaan. Elf in plaats van twaalf. Judas was er niet meer bij. Ze zijn incompleet. Er is een gat geslagen in de gemeenschap. Maar laat dat nou het evangelie zijn vandaag: incompleet en ook nog eens in Galilea, daar zullen ze hem zien: de Levende, de Opgestane. Niet waar wij het donker naar onze hand kunnen zetten, maar daar waar het ons in de greep heeft, daar zullen we hem zien. Dat schuurt. Is het een wonder dat sommige leerlingen in hun grote vreugde twijfelen? We missen de momenten dat er even geen twijfel was, dat we hier in de Nieuwe Kerk soms zo maar even raakten aan het groot geheim, dat we God noemen; die keren dat het lied op onze lippen onszelf omhoog tilde, of die momenten dat je geraakt werd door een woord en even volmaakt gelukkig was tussen de mensen in de banken. En je kon wat Jezus zegt zo maar beamen: ‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde.’

Trouwens, over omhoog getild worden gesproken: De leerlingen moesten niet alleen naar Galilea. Ze moesten naar de berg komen. Voor die berg geldt het zelfde als voor Galilea. Pin hem nergens op vast. Het kan hier of daar zijn. Maar een ding is zeker. Het is dé berg. Het is de berg, die Jezus opklom toen hij al die mensen zag, die geen kant op konden – wanhopig en beschadigd. Daar sprak hij: ‘Gelukkig die niks bij te zetten hebben, want voor hen is het koninkrijk van de hemel. Gelukkig de treurenden, want zij zullen getroost worden.’ En, ja, het is ook de berg, die Mozes beklimt, met de twee stenen platen die hij heeft uitgehakt om daarop opnieuw de Tien Woorden te ontvangen in het handschrift van de Ene zelf. De plek, waar hij, voorover op de grond gevallen, bidt: ‘Wat een puinzooi hebben we er van gemaakt, God! Alstublieft, trek met ons mee. Vergeef ons. Maak ons tot uw eigen bezit.’

Galilea en de berg, ze zijn niet door ons vast te pinnen. Dat is in de kern de puinzooi die Israël er van gemaakt had, toen Mozes te lang weg bleef die eerste keer. Ze pinden God vast op het beeld dat mensen wereldwijd nu eenmaal van een God hebben. Ze goten God in de mal van een stierkalf. Uit goud gemaakt. Schitterend als de zon. Niet kapot te krijgen. Zo hoort een God te zijn. Ja, toch? Vergeten waren ze wat het betekende om slaaf te zijn. Nu konden ze zich meten met alle andere volken. Met hun eigen God in hun midden. Wie doet ons wat?

En, ja, wat is nou eigenlijk het probleem?, denk je dan. Er wordt gezongen uit volle borst. Er wordt gebeden en gebogen. En God wordt groot gemaakt. Ja, het mocht niet: beelden maken. Maar waarom precies ontgaat ons ook een beetje. We knikken omdat God het zegt. Dat is niet gek natuurlijk. Wij horen immers tot die volken waar Israël er ook een van zijn wil. Wij hopen net als iedereen die nog aan God doet dat hij garant staat voor ons geluk en onze gezondheid, voor onze welvaart en voor een goede afloop. Daar doen we het voor. Want voor wat, hoort wat, toch?

III
Nee, voor wat, hoort niks! Zo werkt de liefde van de Ene niet. Zo werkt liefde überhaupt niet. En met een beetje geluk hebt u dat al eens in uw leven mogen ervaren. ‘Sommige dingen zijn onbetaalbaar,’ zegt de eerste helft van een beroemde reclame slogan. En zo is het. ‘Voor de rest is er de Creditcard,’ zegt de slogan. Liefde, vreugde en verwondering liggen ingebed in voor wat hoort wat. Zo zit de wereld in elkaar. Ja, sommige dingen zijn onbetaalbaar. Maar met een creditcard op zak, liggen ze binnen je bereik. Nee dus! De liefde van de Ene laat geen spaan heel van deze economische wetmatigheid. Liefde, vreugde en verwondering zijn onbetaalbaar. Punt. Ze word je geschonken. Ze komt over je. Ze duwt je uit je evenwicht dat je zo zorgvuldig had bewaakt. En elke keer is ze weer nieuw.  Dat is het goede nieuws. Het slechte nieuws is dat de liefde geen enkele andere garantie kent dan zichzelf. Je aankopen zijn niet verzekerd. Je welvaart is niet verzekerd. Je gezondheid is niet verzekerd. En je geluk kan op.

Maar daar tegenover plaatst het evangelie de levende Heer die jou nabij komt. En hij zegt niet: ‘En nou jij!’ Nee, hij zegt: ‘Mij is gegeven alle gezag in hemel en op aarde.’ En dat alles ligt besloten in het jou nabij komen. Niks voor wat hoort wat. Dit gezag hoef niet te worden aangevuld met jouw goede bedoelingen en jouw gelovige inbreng. Als er staat dat enkelen twijfelden, lees dat dan niet als debet dat afgaat van het credit van het geloof. De twijfel gaat gelijk op met het eerbetoon aan de levende Heer. Daar staat hij met de wonden zichtbaar in zijn lijf. De wonden van een volgehouden liefde tot in de dood aan toe. De wonden die de schade weerspiegelen die jij aan het leven hebt opgelopen samen met de wonden die je zelf hebt veroorzaakt. Daar sta je dan in de ruimte die hij maakt. Zonder dat aan jou gevraagd wordt jezelf te helen of het goed te maken. Bestaat er echt zo’n economie? Wie zou er niet aan twijfelen? Een twijfel, die gelijk opgaat met een vreugde die jou overvalt.

‘Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb. En houd dit voor ogen: ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.’ Ach, Jezus.. Vader, Zoon en heilige Geest, het zal wat.. Je moet de mensen ook een beetje vrij laten, toch? En dan bedoelen we de vrijheid die we zelf verworven hebben ten koste van de aarde en de meeste wereldbewoners. Eigenlijk bedoelen we te zeggen: ‘Laat ons met rust in ons economisch systeem die schuld op schuld stapelt en die neerlegt bij wie het nooit terug kunnen betalen.’ Het glanst als het gouden kalf. Maar met deze god weten we in ieder geval waar we aan toe zijn. En wij maar bidden dat we gevrijwaard mogen blijven van de ellende die dit systeem veroorzaakt. Het is ons heiliger, Jezus, dan wat je zei in de Bergrede: ‘Gelukkig die niks bij te zetten hebben, want voor hen is het koninkrijk van de hemel. Gelukkig de treurenden, want zij zullen getroost worden.’

Op de berg bij Mozes is er sprake van dezelfde beweging van God uit naar ons toe. Het is een afdalen. Tot naast Mozes. Hij komt niet op ons goud af. Om hem in je midden te hebben hoef je je rijkdom niet om te smelten, zoals bij het gouden kalf. Naast je is trouwens zo wie zo van een andere orde dan in het midden van jouw club. De Ene naast jou, dat kan alleen in een wolk die Gods heiligheid verbergt. Meer hoef je niet te weten dan dat hij daar staat. Meer krijg je niet te zien. Maar God, wat een rijkdom!

En dan trekt hij aan jou voorbij. Niet om  jou alleen te laten. Maar om een spoor te trekken, waarin je gaan mag naar de ander toe om met haar en hem gemeenschap te worden. Met elkaar verbonden in tekort en in geslagen wonden. En God roept uit: ‘Ene, Ene, Godheid ontfermend en genadig!- lankmoedig en overvloedig in vriendschap en trouw!’ Hij is te doen, deze God. En nergens kom je dichter bij zijn heiligheid, dan waar jij zijn ontferming en genade leeft, zijn vriendschap en zijn trouw, zonder voor wat, hoort wat.

IV
En die dreigende taal dan – ‘níets laat hij ongestraft’? Hij komt bij ons als kerk van Jezus Christus. Hij bezoekt ons en vraagt: ‘Hoe lang duurt het nog dat jullie je aan hem overgeven? Gaat het jullie lukken om je vrij te maken van het economisch systeem waarin jullie zijn opgevoed? Lukt het jullie om je vrij te maken van het hardnekkig Farao gedrag van je vader, van je opa? Of blijf je met twee monden spreken ten koste van de generaties die nog komen? Dat is het onrecht van de vaderen bezoeken aan de kinderen en kleinkinderen. Hij straft die met het enige dat hij in huis heeft, met zijn liefde.

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen.

One thought to “Preek van de Week – Zondag 7 juni ’20”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.