Preek van de Week – Zondag 7 april ’19

Jesaja 5, 1 – 7

Lucas 20, 9 – 19 

I
De gelijkenis van de wijnbouwers is geboren uit een liefdesliedje. Zoals liefdesliedjes op hun beurt geboren werden in de persbak waar de druiven ritmisch werden getreden. Schouder aan schouder. Werken en dansen tegelijk. Met de persbak als dansvloer. “Hilversum III bestond nog niet / maar ieder had zijn eigen stem / in elke persbak klonk een lied / van paljas of Jeruzalem.”

Het liedje is een antwoord op de liefde van de Eeuwige voor Jeruzalem. God is de geliefde, Jeruzalem zijn wijngaard. ‘Voor mijn geliefde wil ik zingen / het lied van mijn lief en zijn wijngaard.’ (Jesaja 5 vers 1) Als een cabaretier die een liedje kan laten kantelen, zo verandert de profeet onverwacht van toon. Je hebt je hart nog open staan als de teleurstelling en de woede van jouw geliefde zich op jou richt. Er zit niets anders op dan het binnen te laten en in de spiegel te kijken. Je zou willen roepen: ‘Natuurlijk houd ik van je, lieve schat!’ Maar je houdt je in omdat de Ander zich niet voor de gek laat houden. En nu het zover is gekomen, jij ook jezelf niet. Paljas dat je bent! Diepe teleurstelling klinkt door in het lied van de wijngaard. Een hard oordeel wordt uitgesproken. ‘Hij verwachtte recht, maar oogstte onrecht / hij zocht rechtsbetrachting, maar vond rechtsverkrachting. (Jesaja 5 vers 7) Wat niet weg neemt dat het een liefdesliedje blijft. Alleen liefde heeft het in zich om jou de ogen te openen en je in de spiegel te laten kijken.

Bij het horen van de gelijkenis mag je dus een liefdesliedje blijven neuriën. Ook al klinkt het allesbehalve zuiver. Het is belangrijk om niet te vergeten dat het verhaal uit dat liefdesliedje is geboren. Zonder dat wordt het verhaal een bombardement van harde woorden. Als er geen liefde meer in het geding is, kan een mens niet anders dan achter een schild duiken. Een schild dat die ander onzichtbaar maakt, terwijl hij juist jouw hart wil raken. Ook de omstanders in het evangelie wapenen zich. ‘Dat nooit!,’ roepen ze uit, met het schild omhoog, als Jezus het waagt te zeggen dat de wijngaard aan anderen zal worden gegeven. Nee, aan passie geen gebrek. Maar zonder de melodie van het liefdesliedje in je lijf, wordt het verhaal een steen om mee te gooien of om voor weg te duiken.

II
Hoe staat het trouwens met de passie? Wilt u zich nog laten raken? Ja, getroost worden. Dat wil iedereen wel. Binnen en buiten de kerk. Maar geraakt worden? Waarom doet u zichzelf dit optreden van de profeten aan? En dan op dit tijdstip? Ongestoord over Onze Lieve Heer blijven praten en met een vredig hart zeggen dat God liefde is, dat is misschien wel beter vol te houden buiten de kerk dan er binnen. Waarom hebt u het nog niet voor gezien gehouden? Zo prettig is het toch niet om ontmaskerd te worden, om te ervaren dat er dingen zijn die zich niet met de mantel der liefde laten bedekken?

Bijvoorbeeld dat wij de vruchten van de aarde opeisen ten koste van anderen en doen alsof dat de normaalste zaak van de wereld is. En dat nog zegen noemen ook. Collectief weg kruipen achter een schild waarop we ‘God is liefde’ of ‘Joods Christelijke traditie’ hebben geschreven. En dan ook nog piepen dat God niet meer van zich laat horen. Ja, dank je de koekoek! Onze eigen geluidswal zorgt er voor dat we Gods stem niet meer horen in het appel van zijn kinderen die vragen om een deel van de opbrengst van het land. Als er iets ons wereldwijd samenbindt, is het dat appel! Geen godsdienst, geen nationale identiteit, geen heimwee naar gisteren, kan die samenbindende kracht zijn. De bron van de passie die zich uitstrekt naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, ligt in de passie waarmee Gods kinderen roepen om recht gedaan te worden.

Een kerk, die dat vergeet, ontspoort. Een voorbeeld uit een nog recent verleden is de uitleg die van menig kansel klonk: de joden zijn de pachters van de wijngaard, de kerk is de nieuwe erfgenaam. Zo sneed het mes aan twee kanten: Ons kostje was gekocht ten koste van de Joden, die ons het liefdesliedje leerden zingen. En in dat tromgeroffel werd en passant het appel overstemd van mensen die aankloppen om te mogen delen in de vruchten van de wijngaard.

III            
Het beeld van de eigenaar, die zijn wijngaard uitgeeft aan wijnbouwers en op reis ging, is een manier om af te leren kicken van een God die alle aandacht opeist voor zichzelf. Door weg te gaan van huis en haard, maakt deze God de ruimte voor mensen om zijn beeld en gelijkenis te worden, en om in het appel van de armen Gods stem te verstaan. Hoe lang hij wegblijft weten wij niet. Hele tijden, vertaalt de Naardense Bijbel. Dat hij terug komt staat vast. Het ligt in de woordkeus besloten. Maar wij weten niet wanneer. Wat ons betreft had hij trouwens niet weg hoeven te gaan. Een God binnen handbereik is wel zo gemakkelijk. Een die stuurt en straft, beloont en troost op een navolgbare wijze. Zodat we een kant en klaar antwoord kunnen geven op de waarom-vragen die mensen achtervolgen. Een God die zich thuis voelt bij ons. Een die woont in onze kerk.

Maar hij is anders. Hij blijft niet. Hij gáát. Wie in deze God gelooft kan nooit meer zeggen: ‘Zo zit het en niet anders’ of ‘Hier bij ons is hij te vinden’. Want hij is op reis gegaan. Letterlijk staat er dat hij vertrekt bij volk en vaderland vandaan. Geen wonder dat er in de tempel van Jeruzalem geen beeld van hem te vinden was. En dat de koning niet kon bogen op goddelijk gezag. Een vreemde zaak dit geloof, in heel de bewoonde wereld.

Hij is gegáán. Maar niet zonder liefde wakker te hebben gemaakt. Bij alles wat gelovigen doen – de routine van elke dag, het werk dat gedaan moet worden, is er een weten dat het hart sneller doet kloppen: Hij zal komen. Dat voorkomt dat dingen heilig worden verklaard. Grond, afkomst, nationaliteit, bezit, religie – niets is heilig. En dat zou gevoelig moeten maken voor mensen die te lijden hebben onder de heiligverklaring van bestaande verhoudingen, die ontkend worden in hun eigenheid of met lege handen worden weggezet. Waar harten sneller gaan kloppen voor wie ánders anders zijn dan jij, daar word je herinnerd aan die ene die komen zal. Van wie je levenslang niet meer loskomt. Van de goden die slechts een uitvergroting zijn van eigen angsten en zekerheden kun je je bevrijden. Maar niet van deze Geliefde.

IV
Voor geruime tijd is hij op reis gegaan, zegt de gelijkenis. Zo voelt  het ook. Het wachten valt ons lang. Wij kunnen zijn komst niet plannen. Maar plotseling is hij even heel dichtbij. ‘Toen het de tijd ervoor was zond hij tot de wijnbouwers een dienaar opdat ze van de vrucht van de wijngaard aan hem zouden geven.’ (Lucas 20 vers 10). Hier is tijd niet onze tijd – de klok die doortikt, chronos, tijd die geld is. Hier is tijd Gods tijd – moment om nooit te vergeten, kairos, een seconde eeuwigheid.

In dat moment heeft God het gezicht van een knecht. Het is de tijd om te delen van de vrucht van de wijngaard. De knecht staat er met geopende lege handen. Israël moet zich in hem herkend hebben. Bij het opstaan en slapen gaan, bij alles wat gedaan wordt zul je gedenken dat je een dienstknecht bent geweest in het land van  Egypte en dat de ene, God-over-jou, je daaruit heeft uitgeleid. Egypte was een wijngaard voor weinigen. Israëls wijngaard zou proefpolder moeten zijn voor Gods nieuwe aarde. Dat maakt de verschijning van de dienaar met zijn geopende lege handen tot een heilig moment, midden in de tijd.

We hebben gehoord hoe het uitpakte, hoe de wijnbouwers de proefpolder inlijfden alsof het een provincie van Egypte was. De knecht op jouw drempel was niet langer een mens als jij die jou bewust maakt van je eigen kwetsbaarheid. Laat staan een heilige die door God wordt omwoond. Hij is een concurrent, een gelukszoeker, een vreemde die zijn lege handen naar jouw bezit waagt uit te steken.

En God? Hij kan niet meer terug achter de droom van een nieuwe aarde waarop gerechtigheid woont. Hij kan geen godje meer spelen. Bij de escalatie van geweld wordt hij steeds kwetsbaarder. Geen Almachtige die van hogerhand ingrijpt. Maar een die zich afvraagt: ‘Wat kan ik nu nog doen? – Ik zal mijn zoon, de beminde, sturen; misschien dat ze op hém achtslaan!’ Een zoon uit Israël. Ten volle een van hen. Hem moeten ze toch herkennen – deze knecht…

V
We kennen de afloop. Vandaag begint de passietijd in de veertig dagen. Buiten de wijngaard zal hij worden geworpen. Doden zullen ze hem. Maar is het alleen ‘ze’ of is het ook ‘we’? Het is bijna even onzinnig om jezelf de dood van Jezus in de schoenen te schuiven, als om het de joden aan te wrijven.

Maar het is niet onzinnig om wat wij hebben opgebouwd aan deze kant van de wereld te spiegelen aan de gelijkenis van de wijnbouwers. Dat onze wijngaard slachtoffers maakt. Mensen die één voor één zuster en broeder van Christus zijn. En dat wij nog geen manier hebben gevonden om het tij te keren waaraan wij zelf debet zijn. Te bang om onze individuele vrijheid op te laten gaan in een wereldwijd nieuw ‘wij’, dat begint bij het gehoor geven aan het appel van mensen die permanent met lege handen staan. Kapot gemaakt door pachters die zich eigenaar wanen. 

Nee, het is niet onzinnig om in de spiegel te kijken. Hier zullen we dat blijven doen. Daar is dit huis voor gebouwd.  En wat de wereld er ook van denken mag, hier blijven we uitzien naar de komst van de eigenaar. Met kloppend hart. Hij zal er anders uitzien als toen hij weg ging. Wij laten ons verrassen. En tot het zo ver is, zingen wij met heel ons hart liefdesliedjes: ‘Voor mijn geliefde wil ik zingen / het lied van mijn lief en zijn wijngaard.’ (Jesaja 5 vers 1)

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest  
Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.