Preek van de Week – Zondag 6 augustus ’17 door ds. Marga Baas

1 Korintiers 12, 12-27  en Galaten 3, 24-29

1.
Voor de derde achtereenvolgende zondag buigen we ons over Paulus.
We lazen fragmenten uit twee van zijn brieven.
Tot kort voor het begin van deze reeks zomerdiensten had ik me nauwelijks gerealiseerd hoe bijzonder het is, dat we Paulus niet alleen leren kennen uit de beschrijving door een ander in het boek Handelingen, maar dat ons ook documenten van hem zijn overgeleverd die door hem zelf zijn opgetekend: brieven – gericht aan de kleine huisgemeentes in Griekenland, Italië en het huidige Turkije.Ik vroeg me af of er nog andere epistels uit die tijd bewaard zijn gebleven.
En ja, tijdgenoten van Paulus correspondeerden ook.
Zo beschikken we bijvoorbeeld over 124 brieven van Lucius Ennaeus Seneca – tragedieschrijver en filosoof.
Hij schreef aan een zekere Lucillus over vriendschap en wijsheid, het omgaan met pijn, verdriet en sterfelijkheid, maar ook over heel gewone dingen als rumoer op straat.
Wij schrijven zelden brieven meer.
Wij appen, mailen en skypen; we sturen af en toe iemand een kaart.
Maar ik herinner me nog goed hoe mijn moeder  eens in de drie weken gebogen aan de ronde eetkamertafel zat om een dun blauw luchtpostvel aan beide zijden vol te schrijven – de zoveelste brief aan haar zus in Canada.
Af en toe, als er ruimte over was, mochten mijn vader of ik er nog iets aan toe-voegen.
Paulus dicteerde zijn brieven.
Maar aan het eind van een brief nam hij zelf de pen ter hand.
Aan de Korintiërs schrijft hij:
“Een eigenhandig geschreven groet van mij, Paulus.”
En aan het slot van de Galatenbrief lezen we:
“U ziet het aan de grote letters: ik schrijf u nu eigenhandig.”

2.
Paulus bezocht Korinthe na zijn teleurstellende ervaringen in Athene, waar zijn gloedvol betoog op de Areopagus maar  een enkeling had aangesproken.
Korinthe was niet meer de toonaangevende Griekse stad van weleer, maar dankzij Julius Caesar was zij na  de verwoesting door romeinse soldaten weer herbouwd  tot een plaats van betekenis.
Met de weg naar noordelijke haven en de straat naar het havenkwartier van de Kenchreeën in het Oosten vormde de stad een knooppunt waar mensen uit alle windstreken elkaar troffen.
Hoog boven Korinthe prijkte het heiligdom van Afrodite, beroemd en berucht om de tempelprostitutie.
Het politieke, economische en religieuze hart van de stad werd gevormd door de agora of het forum met zijn indrukwekkende toegangspoort.
Te midden van alle winkels, badhuizen, theaters en tempels bevond zich ook een kleine synagoge.
Daar had Paulus kort na zijn aankomst de Joodse gemeenschap bezocht, zoals steeds zijn gewoonte was.
In de stad vond hij gastvrij onderdak bij Aquila en Priscilla, twee Joden die, misschien al eerder dan Paulus zelf, geraakt waren door het verhaal van de Gekruisigde en Opgestane.
Ooit  was het echtpaar van Pontus naar Rome getrokken, maar ze hadden de stad op bevel van Claudius moeten verlaten, evenals vele andere Joden die in de ogen van de keizer als ongewenst werden beschouwd.
In Korinthe hadden ze als zeilmakers en leerbewerkers een eigen atelier, waar vanaf zijn aankomst Paulus hen bij hun werkzaamheden meehielp.

3.
Anderhalf jaar is de apostel die eerste keer in Korinthe gebleven.
Anders dan in Athene vond zijn boodschap hier wel gehoor.
Stefanas was een van de eersten; met zijn hele huisgezin liet hij zich dopen.
Crispus, overste van de synagoge, sloot zich bij Paulus aan.
En ook een zekere Titius Justus, een zogenaamde ‘godvrezende’ die nauw bij de Joodse gemeenschap was betrokken, werd door de woorden van Paulus op een ander spoor gezet.
Hij woonde in het huis naast de synagoge en stelde dat beschikbaar voor de bijeenkomsten van de nieuwe gemeenschap.
De leden waren afkomstig uit alle lagen van de samenleving.
Joden en niet-Joden, slaven en vrijgelatenen; ook een enkeling van voorname komaf – zoals Erastus die de financiën van de stad beheerde – , maar vooral gewone mensen hoorden erbij, mannen en vrouwen.

4.
Behalve de al genoemde Priscilla kennen we nog een van hen bij name: Febe.
Zij was afkomstig uit Kenchreeën, de haven ten Oosten van Korinthe.
Zij vervulde het diakenschap.
“Zuster, diaken en patrones”.
Met die waarderende woorden beveelt Paulus haar bij de geloofsgenoten in Rome aan.
Priscilla en Febe vormden geen uitzondering.
Uit Handelingen en de brieven treden ons nog andere vrouwen tegemoet, die met Paulus samenwerkten: Lydia, Tryfena, Tryfosa, Maria, Persia, Syntyche, Eutychia, Junia en Chloë.
Hadden ze geweten welke wending de kerkgeschiedenis zou nemen en hoe vrouwen met een beroep op Paulus de eeuwen door zijn gekleineerd, dan zouden ze vast met verbijstering en verontwaardiging hebben geprotesteerd.

5.
“Aan de gemeente van God in Korinthe, geheiligd door Jezus Christus”, aldus de aanhef van Paulus’ brief.
Er zijn ondertussen een paar jaar verstreken.
Paulus heeft Korinthe verlaten.
Maar tijdens zijn verblijf in Efeze bereiken hem van verschillende zijden berichten over de geloofsgemeenschap van de Korintiërs.
Er leven allerlei ethische en theologische vragen in de gemeente.
Er is onenigheid.
De één daagt de ander zelfs voor het gerecht.
Er is sprake van misstanden bij het vieren van de maaltijd.
Paulus kan niet anders dan daarop reageren.
Per brief.
Hij schreef geen theologisch werken met een uitgebreid notenapparaat.
Hij ontwierp geen christelijke dogmatiek.
Hij stuurde brieven, zonder te weten dat die later opgenomen zouden worden in wat wij de Bijbel noemen.
Brieven waarin hij, steeds met het oog op concrete mensen en specifieke situaties en met een keur aan argumenten, maar tegelijkertijd ook uiterst emotioneel en gedreven, onder woorden probeerde te brengen wat het betekent om in de ruimte van Gods liefde te leven.

7.
In het boek van Rowan Williams dat we in de voorbereidingsgroep van deze dienst lazen wordt de kern van Paulus’ geloven en denken aangeduid als:
Gods universele welkom.
Ik vind dat een verrassende, krachtige omschrijving.
Paulus zelf verwoordt het op allerlei verschillende manieren, zoals duidelijk wordt uit de fragmenten die hier vanmorgen klonken.
“Wij zijn allen gedoopt in één Geest en zijn daarom één lichaam geworden, wij zijn allen van één Geest doordrenkt, of we nu uit het Joodse volk of uit een ander volk afkomstig zijn, of we nu slaven of vrije mensen zijn”, aldus de Korintiërsbrief.
En kort en bondig klinkt het in de brief aan de Galaten:
“Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus Jezus.”
Omdat de woorden ons zo vertrouwd zijn, kost het ons misschien moeite om de revolutionaire kracht van deze uitspraken te onderkennen.
Maar ze ondermijnen de heersende trends; ze gaan in tegen alle veronderstellingen van een maatschappij waarin je positie zonder uitzondering werd bepaald door wie je ws als Jood of niet-Jood, burger of slaaf, man of vrouw.
Alle indelingen die in de samenleving gelden en waaraan mensen gewoonlijk hun identiteit ontlenen, alle kwalificaties die gehanteerd worden om onszelf te profileren al dan niet ten koste van anderen – ze vallen weg.
Etnische, sociale en genderonderscheidingen- ze worden gerelativeerd.
Joden en Grieken (ofwel niet-Joden) – het is geen doorslaggevend onderscheid meer.
Vrij burger of slaaf – het is niet van belang.
Hoe verrassend moet die boodschap zijn geweest in een maatschappij die geheel en al op slavernij was gebaseerd.
Mannen en vrouwen – ze zijn gelijkwaardig.
Want er is een ruimte, aldus Paulus, waarin ieder mens de ander op hetzelfde niveau kan ontmoeten.
Er is een plaats waar iedereen elkaar recht en met eerbied in de ogen kan kijken.
Er is een gebied waar alle barrières tussen insiders en outsiders, superieur en inferieur zijn doorbroken.
Iedereen wordt door God verwelkomd en uitgenodigd om in verbondenheid met hem te leven, in de ruimte van zijn liefde.
God maakt geen verschil.
D.w.z. ieder mens is uniek, anders, maar de verschillen die er zijn maken geen verschil meer, ze vormen geen scheidslijnen en muren.
Mens van God zijn, bij God horen – dat is een derde werkelijkheid die verder gaat dan de wedijverende identiteiten van verschillende soorten insiders of outsiders.
God is een God die mensen verwelkomt en in zijn nabijheid ontvangt, wie ze ook zijn.
En omdat God op deze manier naar mensen kijkt, daarom moet onze houding naar elkaar in overeenstemming zijn met die van God: een houding dus van welkom en acceptatie, van betrokken aandacht en verstrekkende wederkerigheid.
Om te beginnen in de geloofsgemeenschap.

8.
Eind juni stond in Trouw een interview met theoloog Jorcho van Vlijmen.
Hij was juist gepromoveerd op een nieuwe lezing van het Paradijsverhaal, vanuit het perspectief van schoonmakers.
Hij had een twintigtal  ondervraagd en zelf drie maand in een schoonmaakploeg meegedraaid.
Schoonmakers zijn, letterlijke en figuurlijk, niet gezien, ontdekte hij.
Ze zijn, evenals hun werk, onzichtbaar.
Toen zij in 2010 een aantal weken massaal in staking gingen, was het hun niet om loonsverhoging te doen, maar om respect.
“In het Latijn betekent respect iets als ‘terugblik ,aldus Van Vlijmen. “De schoon-makers vroegen er dus om om ‘teruggezien’ te worden. Als ik even in termen van wij en zij mag spreken: wij, de schoonmakers, zien jullie wel, maar jullie zien ons niet.”
Wat heeft dit alles met het Paradijsverhaal te maken?
Het voert te ver om dat nu over uit te weiden.
Maar ik citeer het slot van het interview:
“Het (=paradijsverhaal) roept ons op om telkens weer de ogen te openen en, zoals Adam en Eva, elkaar te zien. Elkaar ‘respect’ te geven. Dat elkaar zien is essentieel, want oog hebben voor elkaar betekent zorg hebben voor elkaar. Dat (…) maakt ons tot wat we werkelijk zijn. De tienduizenden schoonmakers die zich dagelijks onder ons begeven, herinneren ons daaraan.”
En hetzelfde geldt denk ik ook voor andere mensen in de marge van de samenleving, of de marge van Europa – zogeheten outsiders.
Het is juist de ander die ons uit de gevangenis van onszelf bevrijdt en ons een nieuw perspectief schenkt.

9.
Elkaar werkelijk zien betekent ook: oog hebben voor de onvervreemdbare eigenheid van de ander, de onderlinge verschillen onderkennen en vruchtbaar maken.
Maar vaak zien we het omgekeerde gebeuren.
Verschillen worden ontkend, weggepoetst, onder één hoedje geschoven – allemaal omwille van de eenheid.
De eenheid van de staat, de eenheid van het volk, de eenheid van Europa, de eenheid van de kerk….
Eenheidsdrang kan uiterst gevaarlijke trekken aannemen, want voor je het weet wordt ieder die anders is bestempeld als vreemd,  bedreigend, ongewenst, ketters, abnormaal.
Oppervlakkig beschouwd lijkt het misschien of Paulus de valkuil van het eenheidsdenken niet weet te vermijden.
“Wij zijn allemaal een in Christus Jezus.”
Maar wie aandachtig leest, ontdekt dat hij er juist voor pleit de verschillen te laten bestaan, ze te koesteren en productief te maken.
Op een zodanige manier dat die verschillen mensen niet uit elkaar drijven of tegen elkaar doen opstaan – dat is de weg van het geweld.
Hij houdt een pleidooi voor het verschil dat ons wederzijds verrijkt en bevrijdt.
We worden opgeroepen elkaar te aanvaarden, juist door het verschil te laten bestaan.
De gemeenschap van de kerk is geen eenheidsworst, niet een club mensen die op identieke wijze geloven of op dezelfde manier denken en leven.
Paulus vergelijkt de gemeente met een lichaam dat uit verschillende ledematen bestaat die elk hun eigen functie en waarde hebben en juist zo van betekenis zijn.
De eigenheid en eigenaardigheid van ieder mens is geen bedreiging of tekortkoming, maar een onmisbaar aspect van de bijzondere identiteit van de gemeente.
Allen zijn we door God verwelkomd, ondergedompeld in zijn liefde, doordrenkt met de Geest van Christus.

10.
Misschien hadden jullie verwacht dat ik mijn preek meer had toegesneden op de actualiteit; het is immers de laatste dag van Pride Amsterdam en in de media is de discussie over gender en genderneutraliteit nog lang niet ten einde.
Terwijl de SIRE campagne ons maant jongens vooral de ruimte te geven om jongensachtig te kunnen zijn, heeft de leiding van de NS besloten treinpassagiers niet langer aan te spreken als “dames en heren”, maar als “beste reizigers”.
Ik ga daar nu niet meer op in.
En wat de aanspreekvorm betreft, ik houd het hier bij: Lieve gemeente.
En gemeente, zo hebben we van Paulus gehoord, is daar waar  de Geest van Jezus het samenleven vormgeeft.
Outsiders en buitenbeentjes worden er met open armen verwelkomd.
Hoe zou het anders kunnen toegaan bij mensen die zich noemen naar de outsider bij uitstek, de mens die buiten de muren werd terechtgesteld, omdat hij liefhad zonder terughoudendheid?
Door hem zien we elkaar, de ander en onszelf met nieuwe ogen.
Dat is het begin van een nieuwe wereld.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.