Preek van de Week – Zondag 5 maart ’17

Jesaja 58, 1 – 9
Matteüs 4, 1 – 11

I
Op deze eerste zondag in de 40dagentijd, wil ik de overweging beginnen met een quote van veertig jaar geleden. Hij is van pater Jan van Kilsdonk, die door het Vaticaan op zijn vingers werd getikt, omdat hij net iets te vaak en te ver buiten de lijntjes van de kerk kleurde. In een vraaggesprek met een journalist zei hij: ‘De toestand van de kerk is hopeloos, maar niet ernstig.’  Hij zei verder nog: ‘Deze ambtelijke kerk met haar structuren is eigenlijk een marginaal gebeuren geworden en gaat langs het hart en het lief en het leed van de werkelijk levende mensen heen.’ Pater Jan van Kilsdonk kon het weten. Ogenschijnlijk schoorvoetend en met verdwaalde ogen achter sterke brillenglazen, zocht hij zijn plek in uitgaansgelegenheden. Een beetje terzijde.  Hij had een zorgvuldig luisterend oor dat studenten trok en later ook aidspatiënten. Hij vergat hen nooit weer. En zij hem niet.

‘De toestand van de kerk is hopeloos, maar niet ernstig.’ Een quote van veertig jaar geleden. Van toen naar nu beslaat een even lange periode als de woestijntocht van het volk Israël naar het beloofde land. Dat verhaal gaat elk jaar weer met ons mee in de 40dagentijd. We spiegelen ons eraan. Waar staan we nu als kerk na veertig jaar? Op de drempel van het beloofde land? Draaien we rondjes in de woestijn? Of zijn we zelfs de weg kwijt? Lijken we nog steeds op die ambtelijke kerk met haar structuren, waar van Kilsdonk kritiek op had? Of zijn we wel degelijk vrijer en beweeglijker geworden? Gaat wat we doen en laten nog altijd langs het hart en het lief en het leed van de werkelijk levende mensen heen? Of zijn we in die veertig jaar meer met de stad verweven geraakt? Pater Jan van Kilsdonk is in 2008 gestorven. Maar de vragen die hij oproept zijn even levend als toen. En ook als wij zouden concluderen dat de toestand van de kerk nog hopelozer is dan veertig jaar geleden, dan geldt nog steeds het troostend woord van deze pastor, dat het niet ernstig is. Tenminste, zolang er mensen rondlopen als hij, met het hart op de goede plaats en met een zorgvuldig luisterend oor.

II
Wat is het toch dat ons doet besluiten om ons met de kerk in te laten, om er onderdeel van te willen zijn? Vergeleken met veertig jaar geleden is het alleen maar minder geworden met de kerk. Ze is vergane glorie. Er is niemand die je met een scheef oog aan kijkt als je zou besluiten om niet meer te gaan. Een mens kan prima zonder. Zoveel is wel bewezen  Maar jij wilt het niet. En wat is dat dan? Je wilt God niet kwijt, zeg je? Ja, maar wees eerlijk: Hoe vaak is God er dan voor jou? Ervaar je God hier in de Nieuwe Kerk? Of is je geloof vooral verlangen geworden? Is het die lege plek in je ziel, die schrijnt? De plek, waar God ooit woonde? De plek, waar God zo welkom is?

Want dat is wel waar: er zijn zo veel losse draden in jouw leven. En er wordt maar van je verwacht dat je precies op tijd aan elk van die draden trekt. Alsof je een volleerde poppenspeler bent. Je raakt zomaar in jezelf verstrikt. En dan ben je weg. Op zo’n moment mag je hopen dat er voor jou een pater van Kilsdonk is. Maar nog veel mooier zou het zijn als God van zich deed horen en weer de touwtjes in handen nam. Niet letterlijk. Want daarvoor zijn we te veel gesteld op onze autonomie. Maar God als een vriend, die precies aanvoelt wanneer je hem nodig hebt. Zodat je kunt zeggen: ‘Het is soms hopeloos met de wereld en met mij gesteld. Maar het is niet ernstig. Want God is er.’ Is dat het wat ons hier samen brengt?

En tegelijk schaam je jezelf ook. Want je hebt het zo goed. Alles wat de profeten Israël beloofden, als het zou doen wat het had gehoord uit de mond van Mozes, dat is in ons leven werkelijkheid geworden. Wat voor ons gewoon is, hadden zij niet kunnen dromen. Wat wil je nog meer? ‘Jullie verlangen naar Gods nabijheid,’ zegt Jesaja, ‘maar ondertussen beulen jullie arbeiders af en drijven jullie handel op je vastendagen.’ En waarachtig, het klopt nog steeds. Maar toch willen we het voor onszelf opnemen. Want jij hebt geen idee hoe complex onze wereld is, Jesaja! Wij hebben het wel gehad met al die moraalridders. Ja, wij vluchten op zondag in de liturgie om even opgetild te worden, boven de wereldproblemen uit. En, ja, wij verlangen naar God, ook al zijn we rijker dan alle generaties vóór ons. Maar jij kunt niet weten hoe wij ons afbeulen en hoe wij verstrikt zijn geraakt in een 24uurs economie, waar niemand de uitgang uit weet. Midden in het beloofde land lopen we te dwalen, diep in de woestijn. Autonoom en in de stress. Hongerend naar nabijheid, terwijl de hele wereld voor ons open ligt.

III
Het evangelie van deze zondag vertelt hoe Jezus na zijn doop in de Jordaan door de Geest wordt meegevoerd naar de woestijn om door de duivel op de proef gesteld te worden. Ha ha, de duivel. De duivel bestaat niet. Hij is al lang achterhaald, zeggen wij. En weet u wat? U hebt nog gelijk ook. Hier zoeken wij en wachten wij op God, die liefde is. God, die ooit een keer alle treurnis uit komt bannen en die ons troost in de tussentijd en ons de eeuwigheid belooft, mochten wij die dag niet meer meemaken. U hebt gelijk, er is geen duivel te bekennen hier in de Nieuwe Kerk.. Maar wel een God dan? …

Dat is een spannende vraag, hè? De verborgenheid van God is in de bijbel een thema van jewelste. ‘Waarom ziet u niet dat wij vasten, en merkt u niet op dat wij ons onthouden?,’ vraagt het gelovige volk. Zou het kunnen dat we God op de verkeerde plaats zoeken? Zijn we misschien zo gewend God in onze geloofstaal te vangen, dat we er nog achter moeten komen dat die God helemaal niet bestaat? Dat er helemaal geen God is, die ons over de bol aait en die de gaten opvult, die wij niet meer dichten kunnen? Net zo min als er een duivel bestaat, die verantwoordelijk is voor alle kwaad.

Jezus wordt na zijn doop rechtstreeks meegevoerd naar de woestijn. Als wij onze kinderen laten dopen, bidden we stilletjes dat ze veilig mogen zijn. Geborgen bij God. Niet de woestijn. In godsnaam niet de woestijn met alles wat we daar terecht bij denken: eenzaamheid, richtingloosheid, dreiging, tekort aan alles. En toch is dat de plek waar de Geest Jezus naar toe voert. Ze neemt hem niet mee naar de kerk, waar iedereen op hem zit te wachten. Ze neemt hem mee naar de woestijn, waar je niet wilt zijn. De plek waarvan je hoopt dat die de kinderen bespaard zal blijven.

IV
Wie weg weet te blijven uit de woestijn, kan gemakkelijk de duivel weg lachen. Nee, natuurlijk bestaat hij niet. Alleen mensen die de weg kwijt zijn, geloven dat de duivel echt bestaat. Wie het leven enigszins op orde heeft en de tegenslagen die erbij horen manmoedig incasseert, die heeft daar geen last van. Geloof in God is wat anders. Geloof helpt om zin te geven aan je bestaan. Geloof vult het grote gat op van de leegte van vóór jij het licht zag. En het geeft inhoud aan het ongewisse van wat er zijn zal als de tijd hier voorbij is. Het geloof helpt om ergens diep van binnen te kunnen denken dat God zijn engelen opdracht zal geven om jou op hun handen te dragen, zodat jij niet verdwijnen zult in het niets.

Niet voor niets citeer ik hier de duivel. Want dat is wel wat opvalt en waar ik me met regelmaat zelf op betrap: dat wat ik van God verlang en wat mij zekerheid geeft, door het evangelie als beproeving wordt gekarakteriseerd. Soms, als de misstanden in de wereld mij onder de huid kruipen, voel ik de neiging om alles op Gods bord te leggen: ‘Doe er wat aan. U bent niet voor niks God!’ Maar hoe ver is dat eigenlijk verwijderd van de vraag van de beproever: ‘Als u de Zoon van God bent, beveel dan die stenen in broden te veranderen.’  Doe er wat aan, want dan hoef ik niet langer lastig gevallen te worden door de honger en het tekort van anderen! Er zijn trouwens nog steeds hordes christenen die de uitspraak ‘God kan alles!’ als het toppunt van geloof zien.

En nu we toch midden in de verzoekingen van Jezus terecht zijn gekomen: Wat te denken van die laatste waarin Jezus vanuit de hoogte alle koninkrijken van de wereld worden getoond in al hun pracht? ‘Ik zal het je geven als je voor mij neervalt en mij aanbidt,’ zegt de duivel. Echt binnen kwam die bij ons nooit, want de duivel is slecht en God en Jezus zijn goed en die winnen het toch wel. Maar hoe vaak knielen gelovigen niet voor hun God omdat hij zo machtig en zo sterk is? Als hier niet het woord duivel had gestaan, maar het woord God, dan hadden we misschien wel allemaal zitten knikken. Omdat het toch een pot nat is: God of God de Ene: ‘Ik zal er zijn’. Wie kent in de kerk het verschil nog? Als hij maar machtig is en alles voor ons ten goede zal keren. Ja, ook voor een ander. Maar vooral voor ons en voor onze gemoedsrust.

V
Maar wat nou als God dikke brillenglazen heeft en schoorvoetend onze wereld binnen komt. Een beetje terzijde. Wachtend op die mens, die misschien wel jij is, en die al zo lang geen raad weet met zichzelf en niet meer weet hoe lang zij dat nog kan verbergen. Een God, die niet dwingt, maar ruimte maakt om er mee voor de dag te komen. Zonder dat je de angst hoeft te hebben afgewezen te worden en in de steek gelaten.

Wie ooit de zegen heeft mogen ervaren van een nabijheid, waarbij alles gezien werd, alles gehoord, en jij niet door het toilet gespoeld werd, maar op mocht staan – voluit: jij!, die zal nooit meer bang hoeven te zijn voor dood en eindigheid. Want die dood ligt achter hem. Die dood is van haar afgenomen. Hoe dat kan? Dat kan omdat de Geest Jezus meevoerde de woestijn in. Daar, waar jij vertoefde. God wilde niet de macht over alle koninkrijken van de aarde. God wilde bij jou zijn in de woestijn.

Wat is de kerk? De kerk is geen reclamebureau voor God of voor geloven. De kerk is de plek waar twee of drie mensen, met of zonder dikke brillenglazen, elkaars breekbaarheid delen en zo het nieuwe leven vieren. Een plek om aan elkaar te leren niet langs het hart en het lief en het leed van de werkelijk levende mensen heen te lopen. Wetend dat Christus in ons midden is.

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.

Amen

One thought to “Preek van de Week – Zondag 5 maart ’17”

  1. Een preek om van te houden en om in je hart op te slaan. Zo is Jezus dus in de woestijn van m’n leven of dat van de ander. Nabij door de (kerk)mens(en) om je heen en niet van een afstandje kijkend of je het wel redt.
    Dank.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.