Preek van de Week – Zondag 5 februari ’17

Jesaja 43, 9 – 12
Matteüs 5, 13 – 16

 

I
Bij een oudtante in de Achterhoek kwam de dominee op huisbezoek. Deze man scheen het nog al met zichzelf getroffen te hebben. Hij kon prachtig preken. Maar hij was in zijn handel en wandel niet de meest prettige, laten we maar zeggen. ‘En, zuster, hoe vond u de preek van afgelopen zondag?,’ vroeg de dominee. Waarop mijn oudtante antwoordde: ‘Dominee, ik snap niet dat uit zo’n smerige goot zulk schoon water kan stromen.’

Wat de reactie van de dominee was weet ik niet. De anekdote hield hier op. Maar als jou zo de spiegel wordt voorgehouden, is het geen pretje om er in te moeten kijken. Met een zin, die zo uit het bijbelboek Spreuken had kunnen komen, wordt de dominee in zijn trots gekrenkt. Leve de oudtante! En: touché voor de dominee!

II
Toch zit er evangelie in het antwoord aan de dominee: ‘Ik snap niet dat uit zo’n smerige goot zulk schoon water kan stromen.’ Natuurlijk is het confronterend om te moeten horen. Maar het andere is ook waar: dat er schoon water uit zijn mond kwam als hij op de kansel stond. Het leek niet alleen kristalhelder, het was het ook. De gemeente liet zich door zijn woorden troosten; liet zich in de preek gezeggen. Het grote ego van de man raakte voor hen even op de achtergrond. Het was er wel. Natuurlijk was het er. Zo’n ego staat voortdurend aan. Er zit niet eens een uitknopje op. Maar het ego werd als het ware ingehaald en in gebruik genomen door de bevrijdende boodschap van het evangelie. Daarvoor komen we toch naar de kerk? Voor een woord dat uitstijgt boven onze beste voornemens en ons laatste restje optimisme? We komen toch voor een woord dat meer is dan de optelsom van wat retorische trucs en de theologische kennis van de dominee?; voor het wonder dat er uit zo’n smerige goot zulk schoon water kan stromen?

III
‘Jullie zijn het zout van de aarde,’ zegt Jezus. ‘Jullie zijn het licht in de wereld’. Zout en licht veranderen het leven. Zout gaat het bederf tegen. Zout geeft smaak aan het leven. En licht, licht is een baken dat richting geeft voor wie verdwaald zijn in de nacht. Licht houdt de hoop levend dat we thuis zullen komen; dat we elkaar herkennen zullen als mens; dat het leven gezien mag worden, met onze ego’s, onze angsten en ons onvermogen om alle leed uit de wereld te bannen. Nou, jullie zijn dat zout! Jullie zijn het licht!

Jezus zegt dit tegen zijn leerlingen. Wat zullen ze gedacht hebben terwijl ze om zich heen keken? Hoe kan dit zooitje ongeregeld in godsnaam zout en licht zijn in de wereld? Daar zitten ze, met al dat volk op wie niemand zit te wachten: mank naar lichaam en geest, ook vandaag niet ingehuurd om op het land te werken en dus zonder brood voor morgen. De armen van geest heetten ze in de oude bijbelvertaling. Dat zijn mensen die fysiek krom gaan lopen onder hun zorgen. Je ziet aan de buitenkant wat er zich van binnen in hun geest afspeelt. Net als u en ik zouden ze het graag willen kunnen verstoppen: alle knoopjes dicht en ‘goed’ roepen als iemand vraagt hoe het gaat. Maar dat verstoppen gaat bij hen niet meer. ‘Voor hen is het koninkrijk van de hemel,’ had Jezus gezegd.

Het is toch niet raar dat de kerk dit koninkrijk van de hemel naar het land van ooit verbannen heeft? Want wat door Jezus werd beloofd – nee, wat hier en nu de oude wereld al openbrak – dat was te groot om een plek te kunnen geven. Hoe zou er ooit uit de smerige goot van deze zondige wereld schoon water kunnen stromen? Alleen in de hoge hemel was het koninkrijk veilig, vond de kerk. Ze wilde wel zout zijn, maar dan zout dat het geloof in de eeuwige zaligheid zuiver hield. Een zuiver geloof dat nodig was om eens zonder angst voor de eeuwige straf voor God te kunnen verschijnen in zijn heerlijkheid. En de kerk wilde wel licht zijn. Maar dan als baken op een eiland in een zondige wereld en als voorsmaak van het grote feest in de hemel. In de kerk hield je het lichtje van het geloof brandende. En dat lichtje was weer het toegangsbewijs voor het eeuwige feest.

IV
Ongemerkt spreek ik nu in de verleden tijd. Een kleine minderheid aan deze kant van de wereld gelooft de kerk nog. De angst voor de eeuwige straf is weggeëbd. Met een beetje geluk is er iets na dit leven. En als er iets is, dan moet het wel liefde zijn. Maar daar gaat de kerk niet over. En als er niets is, dan was dit het dan. En ach, daar valt ook mee te leven. Omdat het niet anders is. Zo is het zout van de kerk krachteloos geworden. Ze is niet langer nodig om smaak aan het leven te geven. Het licht van de kerk schijnt alleen nog onder de eigen korenmaat omdat de wereld zonder haar de weg ook wel weet te vinden.

Alleen gaat het vanmorgen niet om het zout van de kerk en om het licht van de kerk. Dat is de valkuil waar we steeds opnieuw in stappen: dat we iets zouden moeten hebben wat de wereld niet heeft. En dat de wereld bij ons langs moet komen om gered te kunnen worden. Omdat wij over het zout zouden beschikken waar de wereld mee gezuiverd zou kunnen worden. Omdat wij de lichtjes in voorraad zouden hebben, waarmee ze met ons mee kunnen zwaaien voor Christus op de dag des oordeels.

In het spoor van Jezus’ leerlingen heeft de kerk niks in handen. ‘Jullie zijn het zout van de aarde. Jullie zijn het licht in de wereld,’ had Jezus tegen hen gezegd. Ze zijn het niet omdat ze iets hebben. Ze zijn het eerder omdat ze niets hebben. Maar ze zijn het: zout van de aarde en licht in de wereld. Ze zijn het omdat God door smerige goten schoon water doet stromen. Zie de leerlingen daar zitten tussen al dat volk waar een beetje burger niet mee gezien  wenst te worden. Hoezo: de kerk op een eiland in de poel van verderf, die de wereld is? Het is allemaal wereld, daar op de berg rond Jezus. En niet de wereld op z’n fraaist.

Trouwens, ook de kerk die weet dat het in het evangelie om de aarde en om de wereld gaat, kan hier geen potten meer breken. Al die goed bedoelde inzet voor de medemens, levert de kerk weinig op. Ze zou best wel eens wat meer applaus willen. Zoals Jeb Bush tijdens de voorverkiezingen voor het presidentschap, niet zonder zelfspot, een keer moest bedelen om applaus: ‘Applaus alstublieft?’. Maar gelukkig zijn ze er nog steeds bij bosjes: mensen die een ander niet laten stikken; mensen die anderen laten delen in hun welvaart; mensen die aandacht geven niet verleerd zijn. Je zou het niet zeggen bij alles wat het nieuws wel haalt, maar ze zijn er. En de kerk is onder hen goed vertegenwoordigd. Alleen jammer dat de inspiratiebron zo op de achtergrond blijft. ‘Want die anderen missen toch wel wat,’ hoor je gedreven gelovigen soms zeggen. En los van het feit dat die anderen helemaal niks missen, gaat het ook in deze overtuiging weer om dat wat de kerk meent te hebben. En ik herhaal het nog maar eens: de kerk is zout van de aarde en licht in de wereld. Maar ze heeft niks om in de markt te kunnen zetten.

V
De beste manier om het zout van de gemeente haar kracht te laten verliezen, is door het uit haar tenen te trekken. Gloedvolle preken die de gelovigen tot actie manen ten dienste van vluchtelingen of voedselbank, van eenzamen en noodruftigen, maken misschien het zweet los bij de prediker, maar dat zout is gauw uitgewerkt. Hoewel zulke preken misschien nog te verkiezen zijn boven de zouteloze praatjes waarin de wereld buiten beeld blijft en het alleen nog gaat om het geruststellen van mensen die toch al een tamelijk geruststellend leven leiden.

Wat is het zout van de aarde, dat pit geeft? Wat is het licht in de wereld, dat voor alle mensen schijnt? Dat zout is Christus zelf. Dat licht is Christus zelf. ‘Ik ben het licht van de wereld,’ (Joh. 8, 12) zegt Jezus in het Johannesevangelie. En wij zijn het als wij met hem, door hem en in hem willen leven. Wij hebben hem niet. Hij heeft ons.  Hij heeft ons opgezocht waar wij ons blazoen nog meenden op te moeten poetsen. En dat met verve deden ten koste van onze eigen menselijkheid. En nog vaker ten koste van die van anderen. Want jouw breekbaarheid mocht er niet zijn. En de onvolkomenheid van anderen al helemaal niet, want die herinnerde jou te veel aan de onvolkomenheid van jezelf. Terwijl je blazoen juist moest glimmen voor God en voor de mensen. Je laadde je accu steeds weer op ten koste van jezelf om maar licht te geven en te bewijzen dat er nog steeds rekening met jou gehouden diende te worden. Je trok jezelf leeg. Totdat Christus in de wereld kwam en jouw bestaan omarmde. En hij je leerde om met de ogen van God naar jezelf en naar de ander te kijken.

Je overziet het slagveld met hem naast je. Of zo maar iemand anders. In de gemeente van Christus maakt dat niet uit. Eén in Christus, heet dat.  Samen overzie je het slagveld en er is niemand die je veroordeelt. Breekbaarheid en onvolkomenheid, die er van jou niet mochten zijn, lichten op als bakens. Er is niets meer om bang voor te zijn: niet voor jezelf, niet voor de ander, niet voor God, niet voor de dooie dood. En alles begint te stromen. Je volgt het door de vuile goot en je gelooft je ogen niet: kristalhelder water stroomt uit jou. ‘Jullie zijn het zout van de aarde.’ ‘Jullie zijn het licht in de wereld.’

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.