Preek van de Week – Zondag 4 februari ’18 door ds. Tiemo Meijlink

2 Koningen 4, 18 – 37
Marcus 1, 29 – 39

Gemeente van Jezus Christus,
Er komen maar weinig schoonmoeders voor in de bijbel. In het Nieuwe Testament maar één met naam en toenaam, en dat is de schoonmoeder van Simon die verderop in het evangelie de naam Petrus krijgt. Die schoonmoeder, dus, van Simon Petrus heeft koorts. Ze is zich rot geschrokken, waarschijnlijk, dat haar schoonzoon zomaar achter Jezus is aangegaan. Jezus had hem en zijn broer Andreas geroepen om hem na te volgen, en “terstond” hadden ze hun netten achter zich gelaten en waren hem gevolgd. Fijne schoonzoon is dat! Stabiele jongen aan wie je je dochter hebt toevertrouwd. Hoe moet dat nu verder met het huishouden van haar dochter samen met die Simon….. Zoiets lijkt het evangelieverhaal te suggereren, met het opvoeren van deze vrouw, deze schoonmoeder en haar koorts.
Die koorts is niet zomaar wat verhoging als gevolg van een griepje. Letterlijk staat er in het Grieks “koortsvuur”, en dat lijkt iets onder woorden te brengen van een shock, een verkramping, een heftige afweerreactie. Zoals die al meer hier in het begin van Marcus heeft plaatsgevonden. Denk maar even terug aan het incident dat hier vlak voor verteld is, over de bezetene, de man met een kwade geest die in de synagoge op Jezus afkomt en schreeuwt: “Wat hebben wij met jou, Jezus van Nazareth? Jij bent gekomen om ons te vernietigen. Ik weet wel wie jij bent, de heilige van God!” Ook al zo’n heftige reactie op de verschijning van Jezus.
Marcus laat in dit eerste hoofdstuk van zijn evangelie steeds de vreemdheid zien, het andere van Jezus, het nieuwe, het niet vertrouwde van deze figuur die bij wijze van spreken als een komeet inslaat in de leefwereld van mensen. Wie is deze mens die enerzijds aantrekkingskracht heeft, kennelijk, maar ook een diepe schok teweegbrengt in de wereld van zijn tijd?
Eigenlijk is het bijna een pastoraal moment, dat hier verteld, in het evangelie. Als ze aankomen in het huis van Simon en Andreas, direct na de dienst in de synagoge, treffen ze daar dus Simons schoonmoeder die met koorts in bed lag. En ze spreken met Jezus over haar. En dan volgt er: “En hij ging naar haar toe, pakte haar hand vast en hielp haar overeind”. Toen verliet de koorts haar en ze begon voor hen te zorgen. Zo vertaalt de Nieuwe Bijbelvertaling, maar het staat er krachtiger: hij richtte haar op, hij deed haar opstaan. Middenin de dood zijn wij in het leven, zingen we straks. En dat is ook wat hier gebeurt: middenin het koortsvuur dat haar bedreigt en ziek maakt, verschijnt de Levende. Zo is deze Jezus, die vreemde man die met gezag leert en kwade geesten uitdrijft. Hij is niet alleen iemand die als een komeet inslaat in de leefwereld van zijn tijd, hij is ook de Levende die mensen opricht en vertrouwen geeft waardoor ze het opnieuw aankunnen en aandurven in het leven.
Weer verder gaat het verhaal, dan. Als een overrompeling wordt het verteld, het ene incident valt als het ware over het andere heen. Als het avond is, en de sabbat voorbij is, worden alle zieken en bezetenen daar bij het huis van Simon gebracht. De hele stad had zich voor de deur van het huis verzameld. Een bizarre oploop: wat een gekerm en geschreeuw en gedoe moet dat zijn, daar voor het huis van Simon Petrus.
“En hij genas vele zieken van allerlei kwalen, en hij dreef vele demonen uit, maar stond ze niet toe om iets te zeggen want ze wisten wie hij was.” Zo gaat dat daar rondom de verschijning van Jezus van Nazareth. Bizar, tegelijk bevrijdend en helend, en ook geheimzinnig.
Wat gebeurt er eigenlijk in dit soort verhalen als Jezus mensen geneest? Is hier een wonderdokter aan het werk? Moet je bij het uitdrijven van demonen denken aan een soort primitieve psychiatrie? Waarom staan deze verhalen, die op zich heel positief zijn – genezing, bevrijding is immers geweldig(!!) – waarom staan ze toch ook zo ver van ons af? Wij zien dat niet zomaar voor ons: massale genezing. Nogmaals: wat gebeurt hier eigenlijk? Wat is hier demonie, wat is hier ziekte en koortsvuur?
Ziekte en demonie waren toen en daar, in Bijbelse tijden symptomen van een wereld die niet goed was. Het waren niet zozeer uitingen – zoals in onze tijd – van een individueel tekort, van een afwijking bij één persoon, maar het gaf iets aan van een wereld die niet goed was en veel duistere plekken kende. Wij, modernen, zien dat anders. Wij zien ziekte juist wel als individueel geval, dat hoort bij dit lichaam en bij deze persoon. En wij denken bij demonie vooral aan een gekte die iemand heeft, een individuele geestesziekte.
Soms hoor je ook in onze tijd wel eens spreken over ziekte als een symptoom van een cultuur, als een teken van de tijd. Dan zeggen we bijvoorbeeld dat burn-out typisch een symptoom is van een samenleving en leefstijl die hoge eisen stelt en ook hoge verwachtingen van het leven heeft: je moet het maken in dit leven. En daar zit zeker wat in! Maar toch, we zijn daar veel terughoudender in – in dat typeren van ziekte als teken van iets groters – we zijn daar veel terughoudender in dan in de tijd van het evangelie.
Toch is het de moeite waarde om dat woord “demonie” eens toe te passen op wat er in onze tijd plaatsvindt. Wij zitten er zelfs middenin in Groningen, met de sluipende ramp die er in onze provincie heeft plaatsgevonden en waarvan we nu de laatste vijf tot zes jaar de crisis-achtige gevolgen ondergaan, met al die aardbevingen. Hoe is het mogelijk dat er nooit geluisterd is naar mensen die al lang geleden hiervoor hebben gewaarschuwd? Hoe kan het zijn dat er een soort moeras van traagheid en onwil is ontstaan, waardoor mensen die schade hebben, niet serieus worden genomen en gesmoord worden in procedures en regelingen? Waarom wordt er geen recht gedaan simpelweg, terwijl iedereen weet en beseft dat er onrecht plaatsvindt? Waarom nemen de mensen die hier de doorslag kunnen geven, niet hun verantwoordelijkheid? Wat is dat toch met ons, dat wij dit niet kunnen fixen met elkaar, terwijl we tegelijk heel veel dingen wel kunnen? We hebben het over maakbaarheid, over beleid maken, over besturen en regeren is vooruitzien! Zo kunnen er vele vragen gesteld worden en kan veel wanhoop worden uitgesproken, en ondertussen zijn er mensen ziek en geestelijk in crisis. Misschien dat er nu eindelijk een doorbraak komt in deze crisis, zouden we kunnen zeggen na wat er van de week bekend is geworden, wie weet. Maar de onzekerheid en de angst blijven en de argwaan is groot. Dat alles is dus demonie, nu, zou ik willen zeggen! Demonie in onze tijd: vastzitten in een kramp, in een onwil om kort en goed recht te doen aan mensen. En die demonie is eigenlijk heel goed te vergelijken met wat daar in het evangelie mee wordt bedoeld.
Als mensen van de kerk, als navolgers van Jezus Christus lezen wij en delen wij het evangelie met elkaar, juist ook te midden van de demonieën van deze tijd. Ook dus als het gaat om deze crisis van de bevende grond onder ons. Hoe zouden wij kunnen staan in deze crisis? Voor het beantwoorden van die vraag kun je heel goed het profetenverhaal van Elisa erbij halen. En dan vooral de rol van die vrouw uit Sunem. Die vrouw, die moeder van de jongen die sterft op haar schoot, aangrijpend en schokkend. Maar zij legt zich niet neer bij dat harde lot, en doet een beroep op de profeet Elisa die haar immers zelf dit kind ooit heeft toegezegd, ongevraagd en zonder haar instemming. Hoe kan het dan zijn dat de jongen nu sterft? Is dat het geluk dat hij haar heeft willen schenken? De vrouw staat op tegen haar lot, tegen de demonie die haar is overkomen. En zij eist van de profeet dat hij zal handelen. En vervolgens horen wij dan hoe Elisa de jongen tot leven brengt door te bidden en zijn levenswarmte aan hem te geven.
Deze profetenlegende is meer dan een bizar mirakelverhaal. Het is een legende, een leerverhaal die vertelt hoe je je kunt verhouden tot de demonie, tot het lot dat je treft. De vrouw doet een dwingend beroep op de profeet van de Heer, de profeet dus die spreekt namens de God met de naam “Ik zal er zijn”. Zij volhardt bij de bevrijding en de hoop die ze van deze profeet, van Elisa, heeft meegekregen. Het zal toch niet gebeuren, dat ….!! Zo staat zij in dit kwetsbare bestaan, vol hoop en verwachting, volhardend en vertrouwend, dwingend zelfs.
En zo is deze vrouw uit Sunem ook een model voor de gemeente die leeft van het evangelie van Jezus Christus. Dat wij ons niet neerleggen bij wat ons overkomt, bij de demonieën van onze tijd, maar in de naam van Jezus met hoop en vertrouwen in de wereld staan.
Zie daarom de verschijning van deze mens Jezus als een belofte die niet wordt teruggenomen en die blijvend ons aanzegt dat het anders kan en anders zal zijn in deze wereld, dat het duister niet het laatste woord heeft, maar dat het licht zal zijn in onze harten en in deze wereld.
Zie dit evangelie ook als een vorm van wijsheid waardoor wij tot inkeer kunnen komen, tot bezinning over wie wij eigenlijk zijn, in onze zwakte en in onze kracht. Dat wij onze onmacht beseffen, onze zwakte tegenover de krachten in deze wereld die niet goed voor ons zijn en ons gevangen kunnen houden. Dat wij ons zelf weten te relativeren in wie wij zijn en wat wij doen. Maar ook dat wij beseffen de kracht in ons zelf, de geestkracht om ons te verzetten tegen de demonieën van onze tijd
En tenslotte: zie deze mens Jezus ook als iemand die ons roept, die ons oproept te leven in zijn Geest. Dat wij ook zelf de goede woorden zullen spreken als dat van ons gevraagd wordt, juist ook in situaties waarin het noodzakelijk is om de ban van het kwaad te doorbreken, dat wij volhardend en vol van hoop in de wereld om zo de demonie achter grenzen te zetten. Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *