Preek van de Week – zondag 4 december ’16 door ds. Tiemo Meijlink

Jesaja 11, 1 – 10
Matteüs 3, 1 – 12

Gemeente van Jezus Christus,

Het is één van de bekende grootse visioenen van Jesaja die wij vandaag aan elkaar voorlezen: Maar uit de stronk van Isaï schiet een telg uit, of zoals het in oudere vertalingen klinkt: Er zal een rijsje voortkomen uit de tronk van Isaï. Juist in de Adventstijd worden deze profetische woorden aan de orde gesteld, als woorden van hoop en verwachting. Jesaja is misschien wel de grootste onder de profeten van Israël – ergens rond 700 voor Christus moeten we hem plaatsen. Een man die schitterende poëzie heeft nagelaten en die grootse visioenen verbond met diep zwarte onheilsprofetie. Dit profetenboek voert je van hoogtepunt naar dieptepunt, van donkere duisternis naar schitterend licht, in een heen en weer. Een man kennelijk die diep peilde en vol kritiek en oordeel was over zijn tijd; een man die namens God onheil aankondigt – hij kan niet anders. Maar let wel: dat onheil dat hij ziet en onder woorden brengt, is nooit zonder het visioen dat nieuwe hoop biedt, nieuwe verwachting.

Deze profeet ziet voor zijn geestesoog drie beelden. Allereerst dat van een dode boomstronk, die niets meer voorstelt, waar alle leven uit weg is. Zo schetst hij het koningshuis dat over zijn land regeert in die dagen: een afgehakte boom waarvan slechts een stronk nog uit de grond steekt. Een negatief beeld waarmee hij zijn tijdgenoten confronteert: denk niet dat je nog iets voorstelt; je bent afgehakt, omgehouwen, er zit geen leven meer in jou, je bent leeg geworden. Een hard oordeel dus! Dat is het eerste dat hij ziet…..

Maar in dat eerste beeld dringt zich een nieuw gegeven op, een tweede beeld dat zich verbindt met het eerste. Want uit die ogenschijnlijk dode boomstronk komt een scheut tevoorschijn, een begin van nieuw leven. Een scheut uit de stronk van Isaï. En Isaï, dat was de vader van David, de oerkoning van Israël, de modelvorst die over de eeuwen heen als inspirerend voorbeeld is blijven aanspreken. David, die ondanks al zijn zwakte – het was een man die bij tijden diep kon zinken – toch ook de koning was die zorgde voor het recht en de vrede in het land. Een koning zoals die moest zijn, een vorst waar het volk Israël blijvend van droomde. Jesaja ziet dus uit dat huis van Isaï een nieuw telg, een nieuwe koning voortkomen, een nieuwe David.

En hoe ziet die koning er dan uit? Niet als de superheld, de man van pracht en praal, die met goud omhangen macht uitstraalt. Integendeel, de kenmerken die genoemd worden bij deze nieuwe vorst, zijn: wijsheid, verstandige geestkracht en voor alles: recht spreken, gerechtigheid oefenen waardoor de armen en geringen kunnen leven. Zo simpel is dat als het om koningen, om vorsten, om leiders van deze wereld gaat: ze moeten het recht nastreven, al hun macht zal in dienst moeten staan van wijsheid, verstandigheid en recht. Dat is de geest waarin zij zullen regeren. Niet de willekeur bepaalt hun beleid, maar het eerlijke recht en de evenwichtige wijsheid. Let wel: dit werd gezegd 700 jaar voor Christus, in een tijd waarin het despotisch vorstendom het normale beeld was. Het lijkt me dat het tot op de dag van vandaag een helder criterium is voor politiek leiderschap.

Die scheut uit de stronk van Isaï, die nieuwe David, dat is dus het tweede beeld dat Jesaja ziet opkomen uit dat eerste beeld van die dode boomstronk: een nieuwe David, een nieuwe vorst die naar recht en wijsheid zal regeren.

En dan volgt een derde beeld over de wolf die zich neerlegt bij het lam, en het kalf en de leeuw die samen zullen weiden, broederlijk, zusterlijk naast elkaar. Voor de liefhebber van natuurfilms zal dit derde beeld misschien wat zoetsappig overkomen. Wat is immers vaak het meest spectaculaire van natuurfilms: dat is de wilde achtervolging waarbij het hertje gegrepen wordt door de luipaard die haar verscheurt. In Jesaja’s visioen zien we precies het tegendeel: namelijk het geweld van de natuur wordt overwonnen door de vrede en de harmonie. Een nieuwe schepping lijkt zich baan te breken.

De vraag zou kunnen opkomen: Wanneer gaat dat gebeuren, wat betekent zo’n visionair beeld? Is er ergens een punt in de tijd waarin een dergelijke toestand zal aanbreken? Of is dit misschien een sentimentele dagdroom die nooit werkelijkheid zal worden? Het antwoord op deze vraag, is: Dit gebeurt, dit visioen! Dit is wat er met ons gebeurt sinds de profeten hun visionaire beelden verkondigen. Wij worden daarmee weggeroepen uit de natuurstaat van het geweld en het tegengeweld, van de krachten die elkaar dreigen te verscheuren; wij worden weggeroepen bij het geweld dat ook in ons zelf aanwezig is, bij de fascinatie voor kracht die dingen kapot maakt. En dat is misschien ook wel het wezen van de hoop die er in mensen is, namelijk dat wij Godzijdank altijd weer aangeraakt worden door beelden van vrede, van liefde die overwint, van harmonie die ons wegleidt uit het geweld van de natuurstaat. “Als het visioen ontbreekt, verwildert het volk” – staat er ergens in het boek Spreuken, één van de wijsheidsboeken in de bijbel. Zonder een beeld dat ons wegroept uit de dagelijkse status-quo van kracht en tegenkracht, van “het-gaat-zoals-het-gaat”, zonder dat beeld kunnen wij niet leven. Het roept ons, het raakt ons aan, het confronteert ons met het duister dat ons gevangen houdt en het brengt ons naar het licht. Dat is wat er gebeurt bij dit soort visionaire beelden!! Het zijn de ankerpunten van onze hoop en verwachting, zonder welke wij niet kunnen leven. En zeker in deze tijd, in de wereld van nu, zijn deze visionaire beelden bitter noodzakelijk, als een tegengif tegen de overmacht van politieke willekeur, van autoritaire krachtpatserij die je bij zoveel wereldleiders in deze tijd ziet.

Goed dat er dan profeten zijn die beelden en visioenen zien, die kritisch naar onze werkelijkheid kijken, die als het ware “met de ogen van God” onze werkelijkheid en ons leven uitschilderen en daarmee de hoop en de verwachting in onze harten vestigen.

Zoals Jesaja, de profeet van de grote visioenen en vergezichten, zo is er ook in het evangelie de profetische figuur van Johannes de Doper, die de mensen van zijn tijd aanspreekt met “addergebroed”. Een heftig en beledigend woord, een oordeelswoord dat in dit geval vooral twee groepen Joodse volksgenoten treft, namelijk de Farizeeën en de Sadduceeën. In het evangelie van Lucas wordt dit zelfde scheldwoord gebruikt door Johannes de Doper, maar dan gericht tegen heel het volk dat daar bij hem staat om gedoopt te worden. Niemand zal de komende toorn van God kunnen ontlopen, als er geen vruchten zichtbaar zijn van bekering, van verandering. De mensen zullen zich anders moeten opstellen om burger te kunnen zijn van het koninkrijk der hemelen. “Kom tot inkeer, want het koninkrijk der hemelen is nabij!!” Dat is kort en goed de prediking van Johannes. Daartoe doopt hij de mensen, opdat ze hun zonden zouden belijden en een ander leven gaan leiden. Een leven van bekering met het oog op het koninkrijk der hemelen.

Johannes de Doper is een belangrijk figuur die in het begin van het evangelieverhaal een prominente rol speelt. Je zou hem kunnen typeren als de sidekick van Jezus. Dus zoals in onze tijd iemand in televisieprogramma’s de hoofdpresentator in zijn rol versterkt door hem te ondersteunen of juist tegen te spreken of net precies een andere kant van een probleem te belichten. De sidekick maakt op die manier een televisieshow scherper, levendiger en meer uitdagend. Zo is ook Johannes de Doper een figuur die in het evangelie prikkelende vragen oproept (“ben jij het die komen zou of hebben wij een ander te verwachten?”, vraagt hij elders in het evangelie), of hij geeft een heel bepaald van Jezus, zoals dat vandaag in onze tekst gebeurt, als hij zegt:

Ik doop jullie met water ten teken van jullie nieuwe leven, maar na mij komt iemand die meer vermag dan ik; ik ben zelfs niet goed genoeg om zijn sandalen voor hem te dragen. Hij zal jullie dopen met de heilige Geest en met vuur; 12 hij houdt de wan in zijn hand, hij zal zijn dorsvloer reinigen en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal hij verbranden in onblusbaar vuur.’

Het is een beeld van Jezus dat zeer verontrustend is. Degene die na hem komt, Jezus dus, daarvan zegt Johannes: hij zal jullie dopen met de heilige Geest en met vuur, en dat vuur wordt meteen in de volgende zin aangeduid als het onblusbaar vuur waarin het kaf dat van het koren gescheiden is, verbrand zal worden. Harde taal, oordeelstaal – dat is wat hier klinkt. Vuur dat verbrandt; een dorsvloer die gereinigd wordt; een bijl die aan de wortel ligt. Ook dat is Adventstaal! Taal namelijk, die niet alleen de verwachting en de hoop onder woorden brengt, maar ook het gericht over deze wereld. Wat staat ons immers te wachten als de trends, de politieke tendensen van onze tijd zich zullen doorzetten? Zal er ooit ergens zodanig recht en gerechtigheid geschieden dat de mensen alsnog in vrede kunnen leven? Wanneer en hoe wordt er recht gesproken over het vele onrecht dat in onze wereld plaatsvindt? Wanneer en hoe wordt er over ons eigen tekortschieten oordeel geveld? Die scherpe, kritische vragen worden juist met Advent aan de orde gesteld!

Johannes is de profetische stem die met zijn woorden het hele evangelieverhaal een verontrustende trek meegeeft. Want ook dat is evangelie, goede boodschap, dat de valse rust van deze wereld doorbroken wordt, dat het onrecht aan de kaak wordt gesteld, dat het geweld geoordeeld wordt. Mooier kunnen we het niet maken, vandaag, op deze tweede zondag van Advent.  Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *