Preek van de Week – Zondag 4 augustus ’19 door ds. Marga Baas

Vierde zomerviering: De stilte van Gods verborgenheid

Lucas 18, 1-8

Marga Baas

1.
Tijdens onze vakantie bezochten we Lisieux.
Hoog boven de stad uit torent de pompeuze basiliek die daar begin vorige eeuw is gebouwd ter ere van het meisje dat, ironisch genoeg, koos voor een spiritualiteit van eenvoud en deemoed: Thérèse Martin, de kleine Thérèse.Klein – ter onderscheiding van de grote Teresa van Avila.Klein – vanwege haar keus voor wat zij noemde ‘de kleine weg’.
Overal in Normandië kwamen we haar trouwens tegen.
Veelal in de vorm van mierzoete beelden waarin ze een crucifix met rozen vasthoudt, maar meer dan eens zagen we ook haar portretfoto staan als meisje en jonge non.
Thérèse was 15, toen zij intrede deed bij de Ongeschoeide Karmelietessen. Negen jaar deelde zij met twintig andere vrouwen het kloosterleven, tot aan haar dood in 1897.
Het voert te ver om hier haar hele levensgeschiedenis te vertellen.
Maar ik wil kort stilstaan bij de laatste elf maanden van haar leven.
Op Goede Vrijdag 1896 wordt duidelijk dat ze aan tuberculose lijdt.
Wat volgt is een periode van innerlijke strijd en duisternis.
De dood laat zich aan haar zien als “de nacht van het niets’’.
Thérèse schrijft: “Ik geloof niet meer in het eeuwige leven, ik denk dat er na dit sterfelijke leven niets meer komt.”
Al haar zekerheden worden omvergeworpen.
Ze verliest niet haar geloof, maar wel de intieme ervaring van Gods nabijheid.
In plaats daarvan is er donkerheid en leegte.
Door Christus is ze in een ruimte gebracht, zo schrijft ze, “waar geen zon meer schijnt.”
God is verborgen en zwijgt.
Maar zij geeft God niet op en blijft Hem liefhebben.
Wat mij ontroert en  aanspreekt is de duiding die zij aan haar situatie geeft.
Zij interpreteert en aanvaardt haar gevecht met God en haar ervaring van Gods verborgenheid als een vorm van solidariteit met niet-gelovigen en maatschappelijke randfiguren.
Zij zit met hen aan dezelfde tafel.
De Tsjechische filosoof en theoloog Thomas Halík vergeleek haar in een van zijn boeken met Friedrich Nietzsche.
Waar Thérèse in haar persoonlijke leven in een diepe geloofscrisis terechtkwam, schreef haar generatiegenoot in diezelfde tijd over de bestaanscrisis die ontstaat, wanneer God als de “horizon van alle horizonnen” wordt uitgewist.
Twee totaal verschillende mensen, die elk vanuit hun eigen invalshoek in alle eerlijkheid de grote levensvragen aan de orde stellen – vragen over het lijden en onrecht in de wereld, vragen over het zwijgen van God.
Halík zelf ziet geloof en atheïsme als twee manieren waarop mensen met de ervaring van Gods afwezigheid in deze wereld kunnen omgaan.
De gelovige concludeert uit die ervaring niet dat God dood is of dat God niet bestaat, maar probeert te leven met het niet-weten, met God als geheim – een God die op eigen, verborgen wijze nabij is.
De niet-gelovige blijft kritische vragen houden en vraagt zich af wat überhaupt de waarde van het Godsmysterie zou kunnen zijn.
De atheïstische interpretatie van de werkelijkheid herinnert gelovige mensen voortdurend aan datgene wat volgens de Bijbel en de traditie wezenlijk tot het geloof behoort: de beproeving en de aangevochtenheid in de donkere nacht van de godverlatenheid.
Uit het hart van het evangelie zelf klinkt de roep op: Mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?

3.
In de voorbereidingsgroep hebben we de gelijkenis uit Luvas gelezen als een voorbeeld van een Bijbels geloofsverhaal waarin de ervaring van Gods verborgenheid onder woorden wordt gebracht.
Jezus tekent ons twee gestalten
Allereerst de rechter.
Hij laat zich aan God noch mensen ook maar iets gelegen liggen.
Van het grote gebod van de Thora: ‘heb God lief en bemin de naaste als u zelf’, is bij hem alleen het laatste overgebleven ‑ de rechter heeft zichzelf lief. 
Als hij handelt, is het puur uit eigenbelang.
Als rechter in Israël is geroepen zich tegen het onrecht te keren en op te komen voor de onderdrukte.
Hij zou Gods geboden hoog in het vaandel hebben moeten staan en het maatschappelijke en sociale welzijn van weduwen en wezen moeten waarborgen.
Maar wat hij doet is enkel het onrecht in stand houden.
En dan is er die weduwe.
Haar is onrecht aangedaan.
Keer op keer wendt zij zich tot de rechter: Verschaf mij recht!
Maar haar roep vindt geen gehoor.
Toch weigert zij zich te laten afschepen.
Zij blijft de rechter lastigvallen.
Totdat hij, eindelijk, toegeeft. 
Niet uit liefde voor God en mensen, niet uit mededogen met deze vrouw, maar enkel en alleen omwille van zichzelf.
De rechter wil letterlijk en figuurlijk zijn gezicht niet verliezen.

4.
Het is de charme en de kracht van een gelijkenis dat er tussen de zaak die verduidelijkt moet worden en het gekozen voorbeeld een bepaalde spanning bestaat. Die spanning zit in het tegelijkertijd gelijk zijn en ongelijk zijn van zaak en voorbeeld.
In deze gelijkenis is er een grote ongelijkheid tussen de zaak ‑ het gebed en de volgehouden geloofsverwachting ‑ en het voorbeeld ‑ de twee bijzondere gestalten van de rechter en de weduwe.
Die grote ongelijkheid geeft Jezus als het ware de mogelijkheid om te zeggen: als het tussen de onrechtvaardige rechter en de weduwe al tot gerechtigheid komt, hoeveel te meer zal God het volhardend gebed van de uitverkorenen verhoren!
Maar het verhaal heeft meer dan een betekenislaag.
De gelijkenis wint aan diepte als we het aandurven de onrechtvaardige rechter te zien als een tekening van God en in de weduwe het beeld herkennen van de gemeente.
Het is een gewaagd beeld: God als een rechter die geen gehoor geeft.
Maar het is een karakterisering die doet recht aan de duistere kanten van onze Godservaring.
En het valt ons vast niet moeilijk om in de weduwe ons eigen roepen en verlangen naar God te herkennen.
Je zou haar zo de woorden van de door Oosterhuis bewerkte psalm in de mond kunnen leggen.
“Nooit heb ik niets met U”.
“Mijn lot is levenslang wachten op U”.
Jan Bakker, destijds mijn hoogleraar dogmatiek in Kampen, schreef ooit naar aanleiding van die beide regels:
“.. we hebben immers het gevoel, dat de verborgenheid van God ons sprakeloos en moedeloos dreigt te maken; maar vreemder is nog dat andere: dat we toch het wachten en het spreken niet restloos op kunnen geven en dat daarbij nog iets anders in het spel lijkt te zijn dan een gewenning van zoveel jaren.”

5.

Volgens het evangelie geeft Jezus zelf een uitleg van zijn parabel.

Het zwijgen, de verborgenheid is niet het laatste woord dat over God te zeggen valt.

“Zal God zijn uitverkorenen laten wachten?” vraagt Jezus.

Het is een vraag die het antwoord al in zich besloten houdt.

God treedt uit zijn verborgenheid.

God zal recht doen.

God komt nabij – maar misschien anders dan mensen hopen en verwachten.

Als een appel, een oproep uit de mond van de mensenzoon.

Het gelezen gedeelte eindigt verrassend.

In onze groep werd de vraag gesteld of het slot er eigenlijk wel bijhoort.

De vraag waar het volgens Jezus uiteindelijk op aan komt is,

of er nog wel mensen zijn als die weduwe –

mensen die dwars door het donker heen God blijven verwachten

en het niet opgeven naar hem te verlangen.

Zijn er nog mensen die naar God zoeken en vragen en met hun leven hem een plaats willen bereiden op aarde?

Is er een gemeente die omwille van deze wereld hoopt en bidt?

6

Tomas Halík duidt de ervaring als de donkere nacht van de Goede Vrijdag, die de doorgang vormt naar de morgen van Pasen.

Wij ervaren God als de verborgene.

Dat is de manier waarop God in deze tijd tot ons mensen spreekt – in zijn zwijgen. De afstand, de onbekendheid is Gods eerste woord.

Geloven betekent verlangend uitzien naar een tweede woord, naar de ervaring van Gods nabijheid.

Deze omgang met het geheim van Gods verborgenheid kenschetst Halik als:

geduld hebben met God – gelovend, hopend, liefhebbend.

Hoe gaan wij zelf om met onze ervaringen van Gods verborgenheid?

Hoe geven we duiding aan Gods zwijgen?

Er is geen algemeen geldend antwoord.

Niet als we nadenken over de vragen rond het grote kwaad van Auschwitz en andere vormen van mensenvernietiging.

Niet als het gaat om de verduistering van God in ons eigen leven.

Thérèse van Lisieux duidde haar geloofscrisis als een manier om anderen die niet geloven in solidariteit nabij te zijn.

In de voorbereidingsgroep stonden we stil bij het verhaal van Willem Barnard, die tijdens de ziekte van zijn vrouw Tinka op een zondag ten einde raad neerknielt in de St. Gertrudis, de oud-katholieke kerk in Utrecht.

In diezelfde bank bevond zich ook bisschop Antonius Jan Glazemaker.

Barnard vertelt daarover in een interview:

“Hij zag me en wist niet wat hij zeggen moest. En dat siert hem. (…) Hij stond daar dus een beetje verlegen bij met zijn Boek in de hand. En ineens deed hij zo.” Barnard imiteert de bisschop. Hij pakt een Bijbel, bladert er wat in en wijst zwijgend een vers uit Zefanja aan: Hij zal zwijgen in zijn liefde. (Zef. 3:17).

Zwijgen in liefde.

Dat komt dichtbij het geloofsverstaan van de franciscaan Theo Zweerman die Gods verborgenheid en afstandelijkheid in navolging van Franciscus duidt als schroom en eerbied van God jegens de mens.

God overrompelt mensen niet, maar houdt afstand.

Maar is het niet juist Gods verborgenheid die het mensen mogelijk maakt God te zoeken en in verlangen en geloof naar God toe te leven?

Barnard schreef tijdens het vertalen van een bestaande Engelse liedtekst een extra couplet, dat op de achterzijde van ons liturgieboekje staat afgedrukt:

Zolang gij nog onzichtbaar zijt,

een zon diep in de nacht,

roep ik uw nadering reeds uit,

omdat ik u verwacht.”

De nacht blijft nacht en moet worden doorstaan – tot aan de morgen.

Maar in ons verlangend roepen zelf komt God tot spreken. Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.