Preek van de Week – Zondag 30 december ’18

Lucas 2: 22 – 40

I
In het hart van de lezing van deze zondag klinkt de Lofzang van Simeon. Een lofzang die in de kloosters een plek heeft gekregen in de Completen, de laatste dienst voorafgaande aan de stilte van de nacht. Het is deze stilte, het stil worden van de ziel, die zijn plek krijgt na alle uitbundigheid van het Kerstfeest.

De naam Simeon betekent ‘luisteraar’. Hij luistert tussen alle lawaai door; alles wat om aandacht schreeuwt en waar mensen hun oren naar laten hangen. En van Hanna wordt gezegd dat ze nacht en dag, in díe volgorde, met God leeft in de tempel. Er is overdag zo veel dat opzichtig de aandacht trekt, ook in de tempel, dat je de nacht nodig kunt hebben om met je hart te leren kijken. Op die manier zijn deze Hanna en Simeon profetische gestalten. Zij luisteren en kijken door de buitenkant van de dingen heen. En zo zijn zij in staat ons te wijzen op het kind.

Geen ster die hen de weg wijst. Geen engelenkoor die de nacht opluistert met het groot Gloria en hen vertelt waar ze het kind vinden kunnen. Ze zien een kind in de tempel, een van de velen die besneden worden, en ze weten: Dit is de Messias die de wereld komt redden. Dit is het mensenkind waarop Jeruzalem wacht. Waar halen ze het vandaan?

Er valt namelijk niets af te lezen aan dit kind. En nergens daagt een nieuwe dag voor Jeruzalem en voor de wereld. Misschien hebben wij daarom wel van Simeon en Hanna twee mensen gemaakt, die al los zijn van de wereld en al met een been in de hemel staan. Want zo kunnen wij met een geruster hart onze hoop verleggen naar de hemel. Is de hemel immers niet de enige plek waar pais en vree denkbaar zijn? Als we Simeon horen zingen: “Nu laat u, Heer, uw dienaar in vrede heengaan, zoals u hebt beloofd.”, dan hebben we hem bij wijze van spreken al bijna begraven. Want vrede op aarde, dat houdt het hooguit twee kerstdagen vol en dan alleen als je de gordijnen een beetje dicht houdt.

Ja, zo gaat dat. Als de vrede op aarde op zich laat wachten en wij ons onmachtig weten om de oude wereld af te breken en een nieuwe te bouwen, die lijkt op wat de profeten voor ogen hadden, dan moet je toch ergens heen met je verlangen? Dan ga je naar God, die in de hemel woont te midden van de engelen – we konden ze in de kerstnacht bijna aanraken. En na een leven lang verlangen, maak je dan uiteindelijk je laatste reis: “Nu laat u, Heer, uw dienaar in vrede heengaan, zoals u hebt beloofd.”

II
Maar horen we dan ook de vreugde van het evangelie? Elke zondag aan het eind van de dienst wens ik u toe: ‘Ga heen in vrede in de verwachting van de Dag van onze Heer.’ Dan denk ik niet aan mensen die bij het verlaten van de kerk het leven laten op het Nieuwe Kerkhof. En u ook niet. U denkt aan koffie, aan uw plannen voor deze zondag, en misschien aan wat de uitstraling van deze dienst in Stad zou kunnen zijn. Allemaal heel aards.

Simeon is niet minder aards dan u. Een begeesterd mens, vertelt Lucas. Een die gaat voor deze aarde. Simeon betekent ‘Luisteraar’. ‘Hoor Israël’, klinkt er mee in die naam – de aanhef van de geloofsbelijdenis van Israël, het Sjema. Met de oproep God lief te hebben boven alles. Dat doet de Jood hier, op aarde. Hij kan niet wegkijken van de aarde, omdat God er niet weg gekeken heeft. Hier zal het gebeuren. Niet jaarlijks voor twee dagen. Maar voor eens en altijd. Dat Simeon de belofte heeft ontvangen dat hij niet sterven zou voordat hij de Messias zou hebben gezien, dat maakt hem nog niet oud en de dagen zat. Ook de discipelen krijgen in het evangelie die belofte terwijl ze in de kracht van hun leven zijn.

In de tempel is ook Hanna, stokoud – zij wel. Maar leeft ze daarom minder hier? Ze draagt de naam van de moeder van Samuël. ‘Begenadigde’ heet ze. Dat was de Hanna die volgens de priester niet spoorde vanwege haar aanhoudend gebed om een kind. De Hanna, die bij de geboorte van haar kind het lied zong dat meezong in Maria’s hoofd toen zij haar lied aanhief: “De boog van de helden is gebroken en wie wankelen weten zich gesterkt.” (1 Sam. 2: 4)

Van de stokoude Hanna wordt gezegd dat ze altijd in de tempel was, waar ze god nacht en dag diende met vasten en bidden. Nacht en dag, in die volgorde. Zoals Israël de dagen telt. Van de nacht gaat het naar de dag. De dag begint in het donker en eindigt in het licht. Met dezelfde passie als haar voormoeder, bidt Hanna voor de bevrijding van Jeruzalem. Vanuit haar gemis als weduwe, 84 jaar lang, voelt ze het gemis aan van Jeruzalem. Ze weet van de nacht. Ze is ervaringsdeskundige. Het getal 84 zit vol symboliek. 84 is 7 x 12. Zeven is het getal van de volheid. Het staat voor de volken die de aarde bewonen. En twaalf is het getal van de stammen van Israël. Hanna voelt mee met heel de aarde! Dat is haar missie! Daarvoor vast ze en bidt ze onophoudelijk in de tempel. Zonder perspectief te zien, grijpt ze de aarde vast en voedt ze ons op in het verlangen naar vrede. Wie anders dan God is in haar aan het werk?

Simeon en Hanna belichamen samen Israël. Lucas hecht er aan dat zij het eerst getuigen van dit kind dat het de beloofde Messias is. Simeon als zoon van het Tweestammenrijk, Hanna als dochter van het Tienstammenrijk. Hanna als vertegenwoordiger van alle verwachtingsvolle vrouwen, Simeon als vertegenwoordiger van alle hoopvolle mannen. Dit kind heelt het verscheurde Israël. Hij strekt tot eer van Israël, zingt Simeon. Hij is het licht dat de verblinding van alle volken zal wegnemen.

III
Maria en Jozef waren verbaasd over wat van hun kind werd gezegd. Simeon zegent hen en richt zich dan in het bijzonder tot Maria: “Jouw kind zal zijn tot een val en tot een opstanding van velen in Israël, tot een teken van tegenspraak. En het zal jou Maria als een tweesnijdend zwaard door de ziel snijden. Zo zal aan het licht komen wat er in mensen omgaat.” (Luc. 2: 34 e.v.)

De zegen gaat gepaard met pijn. Ik krijg die twee dingen niet bij elkaar. Zegenen is immers letterlijk een goed woord over mensen uitspreken. Zegenen is zeggen: “Mensen, veel geluk!” Woorden, bestemd om waar te worden. Daar past voor mij dat zwaard niet bij dat Maria door de ziel zal snijden. Maar ik ben dan ook van hier, waar de nacht niet bij de dag hoort en wij het liefst het donker wegdenken. Omdat we niet goed weten wat we ermee aan moeten.

Dat God er voor gekozen heeft om in onze nacht te springen; dat God zichzelf aan ons wilde geven en dat hij de deur van de hemel achter zich dicht trok om bij mensen te zijn die geen plek gegund worden op aarde, dat zeggen we wel, maar dat gelooft toch geen mens? Daarom sluiten we met kerst de cirkel van onze binnenste kring. Want alleen daar is het kind van Bethlehem veilig. Maar dat God ongewapend de onveiligheid gezocht heeft (“Zijn wieg was een kribbe, zijn troon was een kruis”), dat wil er niet bij ons in.

Ik kan alleen een grote God bedenken, die in staat is de heersers van hun troon te stoten en de geringen te verhogen – zoals Hanna en Maria zongen. Zo roept het kind van Bethlehem tegenspraak op. Ook bij mij. En mocht dat ook bij u zo zijn, schaam u er niet voor. Dit kind, deze mens, deze God, zal het diepste uit de mensen omhoog halen aan schoonheid, liefde, maar ook aan duisternis en haat. Ook jouw liefde, jouw haat. Het moet aan het licht komen. Vanuit de wereldnacht. Denk niet dat de wereld is op te delen in ‘wij’ en ‘zij’, in fatsoenlijk volk en barbaars tuig, in mensen die de hemel verdienen en mensen die naar de hel mogen lopen.

Er is maar een hemel en dat is die van waaruit God is afgedaald en mens geworden is te midden van hen die geen raad weten met zichzelf en die uit ervaring weten dat een mens geneigd is tot alle kwaad. Het is een hemel die verknocht is aan de aarde en die van haar houdt. Het is een hemel die zegt: ‘Probeer niet te vluchten, ook niet naar mij. Je zult verdwalen want je kent me niet. Ik kom naar jou. Om alles recht te zetten. Om liefde waar te maken.’ Die liefde is onze vrede en die van de wereld.

IV
Er zijn heel wat ouderen in onze gemeente die dagelijks God bidden voor hun kinderen en kleinkinderen. Als Hanna in de tempel leggen ze in hun gebeden getuigenis af van hun geloof en geven ze God onderdak in deze wereld – een wereld, die van God los lijkt te zijn.

Soms vragen ze mij: ‘Wie zal er voor mijn kinderen en kleinkinderen bidden, als ik er straks niet meer ben?’ Dan zeg ik vaak dat hun gebeden een langere houdbaarheidsdatum hebben dan een mensenleven. Uit al die halve zinnen en lange stiltes, uit al die ooit gestotterde gebeden, bouwt God zich een schamel onderkomen in deze wereld om bij mensen te zijn.

Meer ruimte schijnt hij niet nodig te hebben om God-met-ons te kunnen zijn.

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.