Preek van de Week – Zondag 3 mei ’20

door ds. Tirtsa Liefting & ds. Evert Jan Veldman
Exodus 17, 8 – 16
‘Gods vijanden vergaan’ – Psalm 92

I
75 jaar bevrijding! Dinsdag vieren we het. Maar vandaag al proberen we te begrijpen en te ontvangen wat de betekenis daarvan is. Met aan de ene kant de lezing uit Exodus over de strijd met Amalek, zoals die voor vandaag op het rooster staat. En aan de andere kant de preek van Kornelis Heiko Miskotte, gehouden op 9 mei 1945 in de Nieuwe Kerk van Amsterdam, met als thema: ‘Gods vijanden vergaan’.

Het kost geen moeite om die twee met elkaar te verbinden. Amalek staat voor Gods vijand. Moeilijker is het om op een dag van grote vreugde niet te horen: ‘Zand er over. Het boek mag dicht.’, maar: ‘Er is een oorlog voor de Ene tegen Amalek, – van generatie op generatie!’ ‘Gods vijanden vergaan’. Dansen wil je. Niet vechten. Samen de vrede vieren in plaats van tegen elkaar de oorlog voeren.

Amalek trekt een spoor door de bijbel. Israël komt er maar niet van af. En wij dus ook niet. Het lijkt wel een virus. Als je denkt er van af te zijn, steekt het de kop weer op. En hoe. We zijn zelf debet aan Amalek. Amalek staat voor de volken, waar het recht van de sterkste heerst. Dat zijn niet ‘zij’. Dat is evengoed ‘wij’. Dat recht van de sterkste is meedogenloos. In het boek Deuteronomium wordt dit uitgelegd: ‘Gedenk wat Amalek u gedaan heeft, onderweg bij jullie uittocht uit Egypte, hoe hij al de zwakken afsneed in de achterhoede, terwijl jullie vermoeid en uitgeput waren. Hij heeft God niet gevreesd.’ (Deut. 25, 17 – 18)

Er zit een verschil tussen de strijd met Egypte en de strijd met Amalek. De strijd tegen Egypte was een goddelijke strijd, geen menselijke. De strijd tegen Amalek moet Israël zelf voeren. Er komt geen wonder aan te pas. Als je even niet oplet, lees je het verhaal wel als magie. Met een God in de hemel die sadistische trekjes vertoont. Mozes klimt omhoog. Als hij zijn hand met daarin de staf omhoog houdt, heeft Israël het offensief. Als hij zijn arm wil laten rusten uit pure vermoeidheid, wint Amalek aan kracht. Aäron en Choer ondersteunen daarom zijn armen met twee grote stenen. Zo verliest Amalek de slag.

Maar wie in de hoogte de berg Sinaï herkent en in de stenen de twee stenen platen met de Tien Woorden, die Israël van God ontvangen heeft, die weet beter. Hier is er geen God die mensen zijn wil oplegt. Hier strijden mensen tegen een vijand die altijd weer zal opduiken, als die alleen met wapens wordt bestreden. Amalek krijg je er alleen onder met de Tien Woorden, die God aan Israël heeft gegeven. Elke keer wanneer de strijders omhoog kijken, brengen ze zich dat te binnen en zullen ze de strijd in hun voordeel beslechten. Doen ze dat niet, dan gaat Amalek in hun ziel zitten in plaats van de Tien Woorden. In de hemel zit geen oorlogsgod die je met een beetje geluk aan jouw kant hebt. Uit de hemel ontvangt Israël de Tien Woorden. Daar ligt hun kracht. Israël heeft geen oorlogsgod in hun midden. Zij hebben God in hun binnenste, in het doen en in het spellen van de Tien Woorden. Alleen zo zullen Gods vijanden vergaan.

II   

Nog voor het land waren er de Tien Woorden, een teken van Gods aanwezigheid, niet aan een plaats gebonden, maar daar, ook in de woestijn.

Vorige week nog eindigde de lezing met die vraag ‘Is de Heer nu in ons midden of niet?’ Een vraag die soms ook sterk omhoog kan komen in ons eigen leven. Zoals in de strijd tegen Amalek, wisselen vertrouwen en perspectief zich niet zelden af met angst en twijfel.

Op de momenten dat we het nog niet zien, niets ervaren, lijken we alleen maar te kunnen geloven en hopen. Maar juist dan komt het daar misschien ook wel op aan.

Miskotte vertelt dat hij in de oorlogsjaren veel is gaan houden van de volgende uitdrukking: ‘dominee, het bestaat eenvoudig weg niet dat ‘ze’ winnen…. Onbewust klinkt in die uitspraak geloof mee, zegt hij. Want ‘het kon heel goed bestaan… indien deze God, de God Israëls, de Vader van onze Here Jezus Christus, géén God zou zijn’.

In de confrontatie met het lijden, de strijd en de pijn, in de wereld en in ons eigen leven kunnen we niet zonder die hoop of het geloof dat God daadwerkelijk bevrijdt, een einde stelt en recht zal doen.

En daarvoor hebben we de herinnering nodig aan wat hij al heeft gedaan, de herinnering aan zijn aanwezigheid, om van daaruit moeilijke situaties en uitdagingen te lijf te kunnen gaan. Niet omdat we alle antwoorden hebben, maar vanuit het geloof en de belofte dat hij erbij is en niet los laat.

Miskotte zei in 1945: En “zie”! Nu zien wij iets, iets wat wij tevoren niet konden zien, alleen maar, ondanks al, gelóven. Nu, nu zien wij, dat er een eind aan gekomen is, metterdáád, omdat God een eind stelt.

Zo, dit ziende, komen wij in de kerk om te hóren… dit evangelie van Hem die de rechter der ganse aarde is; ik zeg: het evangelie, want ook dit is een blijde boodschap over de aarde, een boodschap aangaande het koningschap van Jezus Christus, aangaande zijn messiaanse heerlijkheid, zijn messiaans recht: “Want zie, uw vijanden, o Here, want zie uw vijanden zullen vergaan”.

III
Miskotte weegt in zijn preek alles wat er is gebeurd sinds Hitler aan de macht kwam. Hij herinnert het zich in het midden van de gemeente. Alle verschrikkingen uit de afgelopen jaren komen nog eens voorbij. Miskotte weet hoe gevaarlijk het is om te snel te grijpen naar een bijbeltekst. “Want zie, uw vijanden, o Here, want zie uw vijanden zullen vergaan.” Was daar de Eerste Wereldoorlog niet mee begonnen, dat elke natie meende te weten wie Gods vijanden waren – namelijk jóuw vijanden? Biddend en in heilige verontwaardiging stortten naties de wereld in een tot dan toe ongekende oorlog. En elk van de strijdende partijen wist God aan zijn kant. En toch waagt Miskotte het om met de psalmdichter in dit uur te zeggen: ‘Gods vijanden vergaan!’

De God, die je bij je draagt, die je in je voelt, die jouw moed nog groter maakt en jouw slagkracht immens, dat is niet de God die we uit de Bijbel kennen. Geestdrift en beleving, charisma en overtuiging, hoe inspirerend ook, tillen ons niet boven het heidendom uit. Ze zijn er eerder het kenmerk van. Dan zijn zo maar de argumenten gevonden om jouw vijanden gelijk te schakelen met Gods vijanden. In die val wil Miskotte niet trappen.

De God van de Bijbel is anders. Hij zit niet in jou op het mooiste plekje dat jij voor hem hebt gereserveerd. Hij zóekt jou in jouw verlorenheid. En Israël heeft daar weet van. Omdat het door deze God is uitverkoren om zijn getuige te zijn in de geschiedenis. Tegen wil en dank. Wij moeten daar van nature niets van hebben, hoe christelijk wij ons ook wanen. Dat onze Heer een zoon uit Israël is, moeten we telkens opnieuw horen. Anders zijn we het zo weer vergeten.

Miskotte zegt: ‘Er is een antisemitisme dat in ons allen woont, omdat wij allen van nature heidenen zijn en God verstaan en eren als de Natuur; maar déze heidenen (de nazi’s), die in zichzelf de genoegzame grond van hun bestaan vinden, háten de levende God, moeten níets hebben van de Here die het verachte uitkiest; zij zijn in opstand tegen God, die vreemde Indringer, die eisen aan ons stelt en ons troosten wil in ons zondaarsbestaan en in ons stervenslot. Hem heeft de heiden niet nódig en het liefst zou hij Hem uit de weg ruimen. Doch God is niet te grijpen en daarom grijpen zij toe om het teken van zijn openbaring af te tuigen.’

Dát is wat Nazi Duitsland tot Gods vijanden maakt.

IV

‘De vijanden van God vergaan’ Voordat Miskotte bij zijn conclusie komt waarom hij deze tekst uit de Psalmen toepast op de bevrijding in 1945, horen we hem eerste meerdere malen afvragen ‘is dit, is dat… wat hen tot vijanden van God maakten?’  Met het consequente antwoord: ‘Neen!’

Hij neemt de woorden niet te makkelijk in de mond. En daar kunnen we als kerk nog wat van leren. Want wat hebben soms nog veel te snel ons oordeel klaar wie wel of niet bij God hoort. Wie begrepen heeft hoe het zit of wie er toch echt helemaal naast zit.

En de andere kant op, is het soms niet veel anders, wanneer het gaat om wie we zien als onze ‘naaste’. Bewust of onbewust trekken we soms zomaar naar eigen inzicht grenzen. ‘Zij wel.., hij niet..’ De ‘naaste’ wordt een afgebakend begrip. Maar het tegengestelde is waar, de naastenliefde waar Jezus over spreekt kent geen grenzen. Karel Deurloo vertaalde de zin ‘heb je naaste lief zoals jezelf’ prachtig en treffend met de volgende woorden ‘Je moet je naaste liefhebben, omdat hij of zij er net zo eentje is als jij”.

Dat komt dicht bij, met de vluchtelingen uit Lesbos, de kinderen uit kamp Moria in ons achterhoofd. Recent verscheen een boek van Linda Polman over de vluchtelingencrisis met als titel ‘Niemand wil ze hebben…’. Een titel die refereert aan de kop ‘Keiner will sie haben’ in een Duitse krant in 1938, die triomfantelijk verslag deed van de weigering van West-Europese regeringen om Joodse vluchtelingen binnen te laten. De redenen van toen verschillenen niet veel van die van nu. Leren we echt van onze geschiedenis?

Juist in deze coronacrisis klinkt het verlangen dat het ons meer oog zal geven voor elkaar en hopelijk de wereld óók ten positieve zal veranderen. Volgt er na deze crisis een andere tijd? Of zegt het wat dat ons omzien naar elkaar nu al aan grenzen lijkt te zijn gebonden?

Miskotte stelt in het slot van zijn preek: Willen wij nu werkelijk weer terugzinken in dat uitgewoonde, door en door vermolmde leven van toen en toen? Er zal geen zegen rusten op deze vrede, indien wij ons klein, burgerlijk behagen niet weten te overwinnen en niet gerechtigheid leren verstaan en toepassen van voren af aan”.

Vrede en vrijheid, voor onszelf en voor de ander, is niet slecht iets wat we ontvangen, maar waar we ons ook aan moeten blijven herinneren en aan zullen moeten blijven werken. Dat besefte het volk van Israël, daar in de woestijn, al.

Rabbijn Jonathan Sacks stelt in zijn lezing van het boek Exodus: ‘een volk dat in vrijheid wil leven moet die vrijheid ook eigen blijven maken’. ‘Vergeet het en je bent het kwijt’.

Daarvoor kunnen we niet zonder die woorden van God. Woorden die ons vrij zetten, ons herinneren aan zijn aanwezigheid, maar die ons er ook op wijzen dat die vrijheid een verantwoordelijkheid met zich mee brengt. Om klaar te staan en te strijden voor de rechten van de ander, de vreemdeling, omdat hij of zij er net zo eentje is als jij, gemaakt in het beeld van God.

In zijn krachtige en grenzeloze liefde vinden wij de ander. Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.