Preek van de Week – Zondag 3 maart ’19 door ds. Tiemo Meijlink

Jeremia 7, 1 – 1
Lucas 6, 39 – 49

Gemeente van Jezus Christus,

Het is een van de bekendste woorden van de profeet Jeremia die wij vandaag hebben gelezen. De preek namelijk die hij houdt bij de poort van de tempel. Terwijl ze de tempel binnen gaan om deel te nemen aan de cultus, aan de liturgie van het huis des Heren. En daar, op die plek, smijt Jeremia het de mensen recht in het gezicht.  Jullie zeggen wel “de tempel van de Heer, de tempel van de Heer, de tempel van de Heer is hier”, maar als jullie ondertussen de vreemdeling, de wezen en de weduwen niet eerbiedigen, is dat allemaal niets waard. Dan zijn dat allemaal bedrieglijke woorden die jullie niet zullen baten….. Uiteindelijk zal deze tempel ten onder gaan en zal Jeruzalem en dit hele land een armzalige plaats worden.

Denk nu niet dat deze Jeremia makkelijk praten had en vanuit een comfortabele positie – veilig aan Gods boezem – dit alles kon zeggen. Integendeel, Jeremia is bij uitstek iemand geweest die zelf diep geleden heeft onder zijn eigen onheilsprofetie, die het liever anders had willen zeggen, die zelfs zijn geboortedag vervloekte omdat hij profeet moest zijn tegen wil en dank. Maar zo, in die strijdigheid van gevoelens, van zijn roeping aan de ene kant en zijn diepe lijden onder het oordeel dat hij over zijn volk uitsprak, in die strijdigheid bracht hij kenmerkend onder woorden wat Israëls godsdienst ten diepste is: een verlangen, een hoop, een vertrouwen dat deze aarde en de mensen die erop wonen, bedoeld zijn voor een rechtvaardig bestaan, voor een goed leven voor het aangezicht van de eeuwige God. Dus geen cultus waarin je denkt jezelf te kunnen veilig stellen: de tempel van de Heer, de tempel van de Heer is hier, dus wat kan mij gebeuren! Maar een cultus, of liever een bestaan zoals de God van de vaderen dat voor ogen heeft gesteld, een leven in gehoorzaamheid, in verbondenheid met deze God die de mensen vrij wil zien van alle vormen van slavernij, vrij om werkelijk mens te kunnen zijn.

Jeremia stond aan de vooravond van de deportatie van zijn volk in de Babylonische ballingschap – een paar tientallen jaren later zou dat gaan gebeuren. En Jeremia voorvoelde dat, hij zag het aan het onrecht en de decadentie die om hem heen aanwezig waren. Hij voorvoelde het aan het geloof van zijn volksgenoten hun geloof dat eigenlijk was verworden tot goed gelovigheid, tot een veilige cultus die verder voor je leven geen betekenis had dan alleen de valse rust dat het allemaal wel goed zou komen. Ze hadden immers een tempel met een mooie, stijlvolle liturgie. In dat klimaat leefde Jeremia zijn profetische bestaan en sprak hij tot zijn volksgenoten, zoals gezegd: vol twijfel en zelfs in verzet tegen zijn roeping. Maar desondanks juist ook verknocht aan de schreeuw om recht en gerechtigheid die gehoord moest worden, verbonden en toegewijd aan deze God, die menselijkheid en recht wil zien, die een goede schepping voor ogen heeft.

Een klacht dus, of beter nog: een scherp oordeel over een cultus die dan wel mooi zal zijn en indrukwekkend misschien, maar die niets zal baten als niet het recht van de rechteloze geëerbiedigd wordt. Zelfs de ondergang van die cultus wordt hier diepzwart door Jeremia aangekondigd.

Wij zijn zelf deze weken getuigen geweest van de kerkvergadering in Rome waar de Rooms-Katholieke kerk met kerkleiders uit de hele wereld bij elkaar was om te spreken over het seksueel misbruik dat tientallen jaren heeft kunnen voortwoekeren onder de dekking van het kerkelijke en geestelijke leven. Het is ontkend, het is toegedekt, het is weggemoffeld, het is gebagatelliseerd. De kritiek die her en der al lang werd uitgesproken, werd als kwaadaardig en anti-kerkelijk weggezet. En ondertussen waande men zich veilig in een mooie cultus, in een indrukwekkende liturgie, in prachtige, gestileerde kerkelijke gebouwen, met mooie gewaden. Tja, als je dat op je in laat werken, dan is Jeremia’s onheilsprofetie ineens heel actueel en “to the point”. Niet iets van ruim tweeënhalfduizend jaar geleden maar iets van nu, schokkend genoeg! De heer Deetman, voorzitter van de commissie die het misbruik in Nederland heeft onderzocht, sprak zelfs de volgende woorden: “alleen als de kerk werkelijk door deze crisis heen durft te gaan, zal zij kunnen overleven”. En crisis, dat is een oud Grieks woord voor “oordeel”: “alleen als de kerk zich werkelijk onder het oordeel van dit gruwelijke onrecht, van deze gruwelijke misdadigheid durft te plaatsen, zal zij kunnen overleven”. Het werd door Deetman weliswaar in keurige bewoordingen gezegd, maar het is feitelijk ‘jeremiaans’ onder woorden gebracht. Zo diep, zo vernietigend diep moet je deze crisis van de Rooms-Katholieke kerk inderdaad typeren….. Een diepe schok, niet alleen voor de kerk van Rome, maar voor de hele christelijke kerk, waar ook ter wereld. Zo gruwelijk mis kan het dus gaan met godsdienst, met een cultus die probeert te zoeken naar en te raken aan het goede maar die ondertussen gruwelijk onrecht toedekt……

En dan zijn er dus ook nog, vandaag, de woorden uit het evangelie, die overigens een bevestiging vormen van de profetie van Jeremia. Dus denk nu niet dat het dankzij het evangelie toch allemaal weer goed komt, vandaag. Dat is zo’n jammerlijk misverstand dat je nogal eens hoort, binnen en buiten de kerk. Dat het Oude Testament nogal rauw en primitief is – met diepzwarte oordeelsprediking, maar dat het Nieuwe Testament, en dus ook het evangelie de liefde preekt. Nogmaals, een jammerlijk misverstand, en dat blijkt meteen al uit die woorden in het evangelie.

Wat Jezus hier achter elkaar uitspreekt, zijn stuk voor stuk gelijkenissen, parabels die hij voorlegt aan zijn leerlingen. Het zijn leergesprekken die hij hier voert, denkoefeningen. Want dat zijn parabels: het zijn geestelijke oefeningen om te leren begrijpen waar het om gaat. Op die manier oefent Jezus zijn leerlingen in hun leerling-zijn, in hun discipelschap, in hun toekomstige leiderschap. Hoe zullen zij, uitgezonden door hun Heer, leiding geven aan de messiaans gemeentes die gevormd gaan worden?

Welnu, zegt Jezus, een blinde kan geen blinde leiden, dan vallen ze samen in een kuil. Zo zal een leerling zich pas leermeester kunnen en mogen noemen, als hij zich ook werkelijk alles heeft eigen gemaakt wat zijn  leermeester weet en doet. En dan volgen daar meteen de parabels van de balk en de splinter, van de boom en de goede of slechte vruchten, van het huis dat op een rots gebouwd is. Duidelijke, aansprekende beelden die niet moeilijk te begrijpen zijn. En die dus bedoeld zijn – stuk voor stuk – om je te oefenen in de weg van de navolging. Je zou ook kunnen zeggen: om je te oefenen op de weg van recht en gerechtigheid zoals Jezus ons die heeft voorgedaan…

Nogmaals: duidelijke, aansprekende beelden die niet moeilijk te begrijpen. Toch zien wij de splinter in het oog van de ander meestal heel goed en scherp, maar de balk in ons eigen oog niet. Of laat ik voor mijzelf spreken: als ik eerlijk ben, kan ook ik het lek en het gebrek van de ander breed uitmeten, terwijl ik ondertussen best wel overtuigd ben van mijn eigen goedheid. Alsof het je in de genen zit. En misschien is dat ook wel zo, misschien zit het wel in onze biologie om zo te denken en vooral naar de ander te wijzen, in plaats van naar jezelf. Deemoed is niet een deugd die wij van nature mee krijgen. Je moet dat oefenen, steeds maar weer.

Zo zijn deze parabels van Jezus kritische woorden. Woorden dus die ons in de crisis brengen, over wie wij eigenlijk zijn. Zijn wij mensen uit één stuk, integer en eerlijk? Of spreken wij goed en mooi, en doen we intussen iets anders, zijn we dubbelhartig? Laten we ons aanspreken op de dingen die niet goed zijn of wimpelen we die weg alsof het allemaal niet zo belangrijk is wat we verkeerd deden? Je kunt heel veel vragen aan jezelf stellen naar aanleiding van deze parabels, deze gelijkenissen van Jezus. Zijn we geworteld in de traditie van Jezus van Nazareth, de gekruisigde, de mens die de schande van deze wereld heeft opgezocht, zich daarin heeft gewaagd met alles wat hij was, zijn we geworteld in die traditie of geven we die zomaar weg voor iets anders als dat ons aantrekkelijker lijkt? Allemaal betrekkelijk praktische vragen die we aan ons leven kunnen stellen. En het blijkt dan dat we nogal eens gruwelijk de mist in kunnen gaan.

Zo brengen deze woorden van Jezus ons in de crisis over wie wij eigenlijk zijn, en wat het betekent als je wilt leven in de sporen van hem die ons is voorgegaan, als je wilt leven in de navolging.

Wij staan op de drempel van de 40 dagentijd, de voorbereidingstijd van Pasen. Aanstaande woensdag is het Aswoensdag en begint de periode van vasten, de periode van bezinning op weg naar Pasen. En juist op die drempel zijn de woorden die wij vandaag met elkaar delen, volstrekt gepast. Neem die woorden tot je als geestelijke oefeningen rond de vraag hoe te leven in verbinding met Jezus, hoe te leven in verbinding met deze mens van Pasen die ons laat zien wie God is, en die ons ook laat zien wie wij zijn en wie wij zullen zijn als mensen voor zijn heilig  aangezicht. Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.