Preek van de Week – Zondag 29 maart ’20

Tweegesprek door ds. Tirtsa Liefing en ds. Evert Jan Veldman
Exodus 9: 13-35

I
Met de gebeurtenissen van de afgelopen weken in ons achterhoofd, is het een intens verhaal wat we hier vanochtend samen horen. Zo snel als de ontwikkelingen rond het Coronavirus gaan, zo snel lijken de plagen in Egypte elkaar op te volgen.

De eerste zes waren nog vooral tekenen die aan de Farao moesten tonen wie daadwerkelijk God, de schepper van alles, is. Bedoeld om hem tot omkeer te bewegen. Maar hier bij de zevende plaag lijkt een grens te zijn overschreden, er is geen weg meer terug.  Voor het eerst klinkt er een waarschuwing, omdat de vier plagen die nu volgen direct de mensen zullen raken. 

Het surreële beeld wat er wordt geschetst van extreme hagelbuien en blikseminslagen volgt als antwoord op de hernieuwde weigering van de Farao op het bevel van God ‘Laat mijn volk gaan’. In zijn arrogantie plaatste farao zich boven God. Met zijn onrechtvaardig handelen bedreigde farao het leven wat God voor ogen had. De vrijheid van zijn volk, de verlossing van de wereld, het herstel van de schepping. 

Met dit soort verhalen in het achterhoofd, kan het zomaar verleidelijk worden om te gaan speculeren over de hand van God in de huidige gebeurtenissen (die we misschien ook als surreëel ervaren). Of ontstaat, in onze behoefte naar duiding, het gevaar dat we allerlei dingen denken te weten over het doel en de redenen achter deze crisis. Iets wat denk ik niet alleen in deze situaties geldt, ook in het klein en in het gewone leven, kunnen we met snelle duidingen of oplossingen zomaar voorbij lopen aan de pijn van de ander.

En hoewel we God ook niet zomaar buiten dit alles kunnen plaatsen, zijn die speculaties of voorbarige conclusies niet aan ons (alleen al omdat er genoeg stemmen zijn die bang maken, verwijten of ondoordachte dingen roepen). Die plaat moeten en kunnen we niet innemen. Omdat we dan zomaar gevaarlijk veel weg kunnen krijgen van de farao met zijn arrogantie en goddelijke illusies.

Maar meer nog staat het ons in de weg om te raken aan de diepere en werkelijk spannende vragen die de gebeurtenissen oproepen. De vraag hoe we hier mee om gaan, de vraag naar God.

In het gedeelte wat we lazen, in de plagen, gaat het namelijk niet allereerst om straf, maar om de weg naar bevrijding voor Gods volk. Gods bevel aan de Farao ‘Laat mijn volk gaan’ en de gevolgen en consequenties van Farao’s toenemende verharding en weigering, zijn een antwoord op de jammerklacht van het volk in haar onderdrukking.

Daar biedt dit gedeelte dus wel ruimte voor. Niet voor ongefundeerde speculaties over Gods doel met de huidige gebeurtenissen, maar wel voor die vraag ‘God, hoe lang nog?’, voor de smeekbede ‘God, hoor naar ons gebed’. Durven wij in de hoop op Gods trouw, in de hoop dat hij met ons is, die vraag te stellen?

Te roepen ‘als alles onzeker is, God hoe lang nog?’.

Of ‘God, in mijn eenzaamheid en vertwijfeling, keer u tot mij!’.

II
Ja, daar begint het. Bij die schreeuw, die tot een gebed wordt. Geen devoot gebed met gevouwen handen en gesloten ogen. Maar een, waaraan heel het lijf meedoet. Ongecoördineerd. Ik herinner me de mens, naast wie ik stond in het Stilteportaal van deze kerk. We hadden een kaars aangestoken. Ze begon zich te uiten. Het werd een storm. Ze keerde zich binnenstebuiten. Of ze werd daar binnenstebuiten gekeerd. En ik stond ernaast en bad na elke windvlaag van haar ziel: ‘Heer, hoor ons bidden!’

Het gebed begint bij de schreeuw. Het gebed is niet een huis, waarin je eerst binnen moet zien te komen met de sleutel van het geloof. Om vervolgens te kunnen schreeuwen tot God. Het begint bij de schreeuw. Bij die uithaal van de mens naast mij: ‘En ik weet niet eens of je wel bestaat!!’ Om die schreeuw heen wordt het huis van gebed gebouwd. Of een tent. Zo krijgt de schreeuw richting. Zo wordt ze een gebed. Er is geen God die klaar zit om de gebeden in ontvangst te nemen. Er bestaat een horen, waardoor een mens verzucht: ‘O God…’

Hoe de schreeuw tot gebed wordt, lezen we in het begin van het boek Exodus: De kinderen van Israël schreeuwen het uit. ‘Hun hulpgeroep klimt vanuit de slavendienst op tot God. God hoort hun kermen. God gedenkt zijn verbond met Abraham, met Isaak en met Jacob. God ziet de kinderen van Israël aan. God heeft er weet van.’ (Ex. 2, 23-25)

Dat laatste zinnetje bestaat in het Hebreeuws maar uit twee woorden. Ik denk om te voorkomen dat het grote geheim dat alles draagt, wordt ontrafeld en uitgesponnen in geloofswaarheden. Dit ‘weten van’ is iets anders dan het grote oog dat alles ziet van bovenaf en controleert. Dit ‘weten van’ gaat gelijk op met wat God de Ene tegen Mozes zegt vanuit de brandende braamstruik: ‘Ik daal af.’ (Ex. 3, 8) God ziet niet op hen neer. God ziet hen aan. Hij is erbij. Hij was de derde, toen in het Stilteportaal.

Als wij God op een voetstuk zetten, doen wij dat vaak uit eerbied. Vervolgens halen we dan de ladder weg, om te voorkomen dat God afdaalt. Want een God hoort op een voetstuk, boven ons verheven. Daar is hij immers God voor. Dan lezen we het verhaal van de tien slagen als een spierballengevecht tussen onze God en de goden van Egypte. En wij juichen als God het gevecht wint. Maar ten diepste juichen we om onszelf. Want wie heeft God op dat voetstuk gezet? En wie heeft de ladder weg gehaald? En ondertussen ontgaat ons het groot geheim van de Ene die afdaalt en weet heeft van ons diep verdriet, van onze grote angsten, van de diep weg gestopte schreeuw, van zoek geraakte eigenwaarde?

De Naardense Bijbel vertaalt vers 14 als volgt: ‘Want déze keer zend ik al mijn plagen tot uw hart, over uw dienaars en over uw gemeenschap; omwille daarvan dat u erkent dat er géén is als ik op al het land.’   Zoals het geschreeuw mij geraakt heeft, vol in mijn hart en ik sindsdien niet meer de God ben die ik was – hoog verheven, onaanraakbaar, zo raak ik jou, Farao, in jouw onaanraakbaarheid en in jouw zelf gebouwde hemelverblijf. En zoals ik weet heb van de schreeuw, zo zul jij weet hebben dat er géén is als ik.

III  
Maar Farao laat zich niet zo makkelijk raken, de boodschap lijkt niet bij hem binnen te komen. Onvoorstelbaar is het om achter elkaar dezelfde scene zich te zien herhalen. God doet een appel aan Farao: ‘laat mijn volk gaan’. Farao verzet zich. Er volgt een plaag, vertwijfeling, maar uiteindelijk verandert er niets. In plaats van dat de gebeurtenissen Farao stil zetten en aan het denken brengen, lezen we hoe zijn hart zich steeds meer verhardt. Ik kan er met mijn hoofd niet bij, en tegelijk is het me ook niet vreemd.   

De gebeurtenissen van de afgelopen weken confronteren ons met het feit dat we niet alles in de hand hebben. Opeens stond mijn dagelijkse planning op de kop en kwamen er onzekerheden en vragen om de hoek zetten die ik niet had voorzien.

Maar in plaats van dat ze me stil zetten, merkte ik hoe ik uit alle macht probeerde de controle terug te krijgen. En misschien herkent u dat wel. Dat verlangen naar controle, de druk om je nuttig te willen voelen. Oplossingen bedenken, doorgaan. Het is ontzettend belangrijk. Maar soms is het ook een manier om de spanning van de stilte te ontvluchten. Omdat we niet stil durven staan, of omdat doorgaan nog altijd makkelijker is dan wachten. 

Maar misschien daagt de huidige situatie ons juist daar toe uit. Het gevoel dat het leven stil staat, moedigt aan om daadwerkelijk stil te worden. Het feit dat alles op z’n kop staat biedt ook kansen voor herbezinning. En de ervaring van kwetsbaarheid en onzekerheid, wat ons een inkijk geeft in de dagelijkse ervaringen van miljoenen mensen wereldwijd, legt ons de vraag voor of we op dezelfde voet verder gaan als alles straks weer normaal is.

Farao durfde het niet aan, die verharde liever zijn hart dan dat hij zich liet raken. Maar durven wij het aan? Om ons te bezinnen op wat ons overkomt? Wat dat betekent voor ons leven? En hoe dat zich verhoudt tot God en onze verantwoordelijkheid?

Want in die openheid en stilte ontstaat er dan ruimte voor God om in onze werkelijkheid te komen én ons aan te raken.

IV
In die aanraking komt alles mee. Ze is als een verliefdheid die jij niet zocht maar die jou overvalt. Van het een op het andere moment verandert heel de wereld voor jou, krijgt alles een andere kleur. Je kunt niet blijven kijken naar de mensen en de dingen zoals je altijd hebt gedaan. In die zin is de aanraking door God zo veel meer dan de ervaring van verliefdheid. Het is niet iets tussen God en jou. Heel de wereld komt in beeld. Alles zal jou voortaan raken. De wind, de wolken, eb en vloed, de dieren, de bomen, jouw zussen en broers van overal. Een nieuwe schepping. Nee, we kunnen niet meer terug.

De aanraking van God is ook een oordeel over onze verharde harten, over ons Farao gedrag. Maar het is een oordeel dat ons geneest.

God, raak ons in het hart met deze crisis. Dat wie kwetsbaar zijn op mogen lichten, als toen die ene in onze eerste verliefdheid. Bevrijd ons van de macht van de sterkste en de rijkste en de mooiste. Een macht die we zo lang zelf in stand hebben gehouden. Raak deze wereld in het hart. En sla mij niet over. Wie zijn wij zonder u?

Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.