Preek van de Week – Zondag 29 april 2019

Einde en nieuw begin – Wislawa Szymborska
Johannes 15, 1 – 8

I
Na elke oorlog
Moet iemand opruimen
Min of meer netjes
Wordt het tenslotte niet vanzelf

Zo opent het gedicht van Wislawa Szymborska. Er moet gewerkt worden. Met hamers en spijkers. Met open gehaalde vingers. De pijn in het lijf. De ziel aan flarden. Tranen van woede en verdriet om alles wat kapot gemaakt is. Er moet gewerkt worden. Min of meer netjes wordt het tenslotte niet vanzelf. Zonder dat breekt dat moment niet aan waarop iemand met een aar tussen zijn tanden, liggend in het gras, naar de wolken staart. Zo goed als niets wetend van wat zich op die plek heeft afgespeeld – het slot van het gedicht.

Lees je het gedicht vluchtig, dan zou je kunnen zeggen dat de tijd alle wonden heelt. In elk gezegde zit een kern van waarheid. Dus ook in dit. Anders werd het niet meer gebruikt. Ja, zo gaat dat na een ramp. Alle stadia moeten worden doorlopen. Tot zo goed als niets herinnert aan wat er geleden is. Zoals in Enschede de betonplaat waarop een container met vuurwerk rustte, en die door de explosie de bodem in werd geduwd, langzaam overwoekerd wordt door gras en veldbloemen. Wachtend op de dag dat er studenten gaan liggen in de zon, als op het groen rond deze kerk op een eerste zomerse dag in april.

Voor zover het waar is dat de tijd alle wonden heelt, vloeiend gaat het niet. ‘Min of meer netjes wordt het tenslotte niet vanzelf,’ zegt de dichter. Aangrijpend tekent ze in taal wat er bij komt kijken. De klus die geklaard wordt. De verhalen die verteld en gehoord willen worden. De lieden die het begint te vervelen dat het er nog steeds over moet gaan. Alles werkt mee naar dat punt in de tijd dat de plek rijp is voor nieuwe verhalen, die nog moeten worden geboren. De ramp die zich voltrokken heeft, kan het niet meer tegen houden.

Zonder het doorploegen van wat mensen is overkomen en aangedaan, was de tijd niet rijp geworden voor het moment dat zomaar een mens, liggend in het gras en onwetend van wat zich daar ooit heeft afgespeeld, met een aar tussen zijn tanden naar de wolken staart. Dat is een rare paradox. Nergens is de ramp meer aanwezig dan in de noeste arbeid van een mens om er mee klaar te komen: het neerhalen van de resten, het opruimen, het bouwrijp maken. Zowel in fysieke zin, als ook mentaal. Rouwen is hard werken. Maar die zelfde noeste arbeid creëert de ruimte voor een mens, die nergens van weet, om de plek in te nemen. De plek wordt zo ontvreemd aan de ramp. En dat moet ook.

Zij die wisten
Waarom het hier ging,
Moeten wijken voor hen
Die weinig weten
En minder dan weinig
En ten slotte zo goed als niets.

II
‘Geen mens zal meer weten wat oorlog is,’ zegt de profeet Micha. ‘Ieder zal zitten onder zijn wijnrank en onder zijn vijgenboom, door niemand opgeschrikt.’ (Micha 4, 3b e.v.) Daar moest ik aan denken bij deze strofe van het gedicht. Is dat niet wat je als gelovige hoopt te mogen ervaren? Soms even of ooit eens. Dat het gewoon goed is. Ondanks alles. Niets meer hoeven te weten dan gewoon dit. Niet langer opgeschrikt door gruweldaden, die je inhalen. Alles gewoon goed. De messiaanse tijd, die voor jou aangebroken is.

Maar mag je daar wel naar verlangen? Er gebeuren zo veel verschrikkelijke dingen. Die kun je toch niet blokken en terzijde schuiven? Bij de messiaanse tijd hoort toch een messiaanse gemeente, die de ogen niet sluit voor het lijden dat mensen wordt aangedaan? In die gemeente kan het toch niet bestaan dat de getekende gezichten en de schokkende verhalen moeten wijken voor dat zalige niet weten? Zoals in het gedicht wel gebeurt. Met andere woorden: Hoe verhoudt zich die ene, liggend in het gras met een aar tussen zijn tanden, tot die anderen die de ramp in hun lijf hebben staan? Is het: óf de zaligheid van het vervulde verlangen en het heilige niet weten, óf de erkenning van het leed dat nooit vergeten mag worden? Of is het misschien bij elkaar te houden? Zonder dat het ten koste gaat van de ongelooflijke ervaring door niemand opgeschrikt te worden. En zonder dat een mens aan haar lot wordt over gelaten omdat haar verhaal te confronterend is om vaker dan eens te moeten horen.

Ik denk niet dat het bij elkaar te houden is. Maar ik geloof wel dat het bij elkaar gehouden wordt. Door die Ene, die belooft dat hij erbij is, als twee of drie in zijn naam bijeen zijn. Die Ene die op de avond van de eerste dag achter onze dichte deuren komt; die ons de wonden in zijn opstandingslichaam toont en ons een vrede aanzegt, die alle verstand te boven gaat. (Joh. 20, 19 e.v.)

III
Vóór zijn arrestatie en zijn wrede executie, nog een keer samen met zijn vrienden, zegt hij: ‘Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de wijnbouwer.’ (Joh. 15, 1) Alles wat komen gaat, noemt Johannes trouwens consequent zijn verhoging. Bijna een macabere grap, als je denkt aan alles wat Jezus moet ondergaan en aan het kruis dat voor hem wordt opgericht. ‘Ik ben de ware wijnstok,’ zegt hij. Ik ben die plek waar je mag liggen, op je rug in het gras, zonder iets te hoeven weten, zonder opgeschrikt te worden. Een mens krijgt dat niet bij elkaar gedacht. Maar dat hoeft ook niet. Hier is de Ene aan het woord. Dit is een van de zeven zgn. ‘Ik ben’ uitspraken van Jezus in het Johannesevangelie. Beeldende uitspraken, die verwijzen naar de Godsnaam – ‘Ik ben’. Beeldtaal, die uit Gods hart geboren is. Niet uit dat van jou of mij.

‘Blijf in mij, dan blijf ik in jullie,’ zegt Jezus. Het is bijna een erotisch beeld te noemen. ‘Blijf in mijn liefde,’ zal hij straks zeggen. Geen bevel. Maar een bevestiging wat jij voor hem betekent. Jij, die elke dag wordt opgeschrikt door wat je moet om bij te blijven, door wat je niet wilt en toch doet, door alles wat is mis gegaan. ‘Laat het blijven stromen tussen jou en mij,’ zegt Jezus.

‘Ik ben de wijnstok en jullie zijn de ranken.’ Wij zijn de gemeente van Christus. Dat klinkt nogal pretentieus. Want zo goed zijn we niet. We dansen naar het pijpen van deze wereld. En zo zeker van ons geloof zijn we ook niet. Dat we hier nog komen, heeft te maken met een diep verlangen om niets te hoeven weten; om op de rug in het gras te kunnen liggen, zonder dat we ons daarvoor met een polsbandje om in een resort moeten opsluiten; zonder ons af te hoeven keren van wie geen leven hebben. Schaam u niet voor dat verlangen. Het wordt veroorzaakt door die Ene die ons zoekt: ‘Blijf in mijn liefde.’ Erken dat je het niet redt met je trucjes en je weetjes. Dat je nergens bent zonder de liefde van God, die niet zonder jou wil.

Wij zijn de gemeente van Christus: dit vrolijk boeltje ongeregeld. Wij zijn de gemeente van Christus, als wij de gangpaden van deze kerk vullen om brood en wijn te delen. Wij zijn de ranken aan de wijnstok. We laten vallen het idee dat wij onszelf wel kunnen redden. Het mag ons gestolen worden! We steken onze maskers aan, onze waarheden, onze dikdoenerij en maken er een vreugdevuurtje van. Zoals de wijnboer doet met zijn snoeiafval terwijl hij staat te dromen van de oogst.

IV
Ja, het is een feest om gemeente van Christus te zijn. Dat dit een plek mag zijn waar mensen niets anders hoeven te weten dan dat ze welkom zijn. Het is een feest om de maskers af te kunnen leggen; om de waarheden aan de straat te kunnen zetten; om alleen nog te leven van de liefde van God in Jezus Christus. Het is een feest, ook al doet alles pijn: de verloren jaren van spelletjes spelen, het gemis van het huis dat uit waarheden was gebouwd en waarin jij je verschanste, je krakkemikkig lijf, je beschadigde ziel, waarvoor geen toverstokje bestaat. En tóch een feest. Omdat het gekend is. Omdat jij van Hem bent en wij van elkaar.

De vruchten van deze wijnstok zijn van een andere orde dan de vruchten van beleggingen en van kapitaal dat als vanzelf vermeerdert. Bij het oogsten van winst wordt onzichtbaar gemaakt wie er voor hebben krom gelegen en hoe de aarde raakt uitgeput. Maar de vruchten van de wijnstok, die Christus is, komen voort uit de erkenning van menselijk lijden en van die ene waarheid, die alleen een kind begrijpen kan, dat ieder mens leeft van de zorg van een ander. Heelheid is iets anders dan blingbling en je alles kunnen permitteren. Heelheid is aan den lijve ervaren hoe met liefde jouw wonden worden verbonden, waar ze ook zitten, in je lijf of in je ziel. Dat is de verhoging van het leven waar Johannes in zijn evangelie op doelt.

Ja, je zult als rank gesnoeid worden. Gereinigd van alles wat de liefde in de weg staat. Ja, je zult huilen van verdriet om de mens die zich aan jou toevertrouwt. En je zult huilen van vreugde om die ene die in jouw keuken kijkt en die zich met liefde over jou ontfermt. We zullen gesnoeid worden. We zijn als kerk onze macht al lang en breed kwijt geraakt. We zullen nog verder gesnoeid worden, opdat we niet in ‘goeddoenerij’ vervallen, waarbij de ander object wordt van onze zorg. We zullen verder gesnoeid worden om in de zorg voor elkaar het leven vieren.

Verbinden is een modewoord geworden in management jargon. We linken aan elkaar in de sociale media. Want alles moet met alles worden verbonden. Omdat daar winst uit te behalen valt. Maar de gemeente van Christus weet dat verbinding tussen mensen alles heeft te maken met het liefdevol verbinden van de wonden die we hebben opgelopen aan het leven. Een even universeler opgave als het genereren van winst dankzij de vrije markteconomie. De kerk gelooft in het eerste. Niet in het tweede. Dat is het enige dat we hoeven te weten als we met een aar tussen de tanden, met de rug in het gras, naar de wolken staren. Weten: Hij blijft wel. De ‘wounded healer’. De gekruisigde en opgestane. De wijnstok die het ons mogelijk maakt het glas te heffen, ondanks alles: ‘Lechajim!’ – ‘Op het leven!’

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *