Preek van de Week – Zondag 28 oktober ’18 door ds. Tiemo Meijlink

Lezing: Genesis 1, 1 – 2, 4
Het gedicht Aarde van Huub Oosterhuis

Aarde. Deze. Enig denkbare.
Rond en blauw in de ruimte.
Met zon, maan en sterren, seizoenen, rivieren,
rivieren die stromen naar zee.
En niets valt omhoog en alles omlaag.
En niets is nog af, en alles nog nergens.
En overal mensen die weten van niets, en maken van alles
en alles bederven, seizoenen, rivieren.
En achteloos doden.
En sterven en doden.
En sterven.

Aarde. Deze. Enig denkbare.
Rond en blauw in de ruimte.
Met zon, maan en sterren, seizoenen, rivieren,
rivieren die stromen naar zee.
En niets valt omhoog en alles omlaag.
En niets is nog af, en alles nog nergens.
Maar hier en daar mensen en steeds meer
en overal mensen die doen
wat vandaag nog gedaan moet,
die langzaam maar zeker, bezeten van liefde,
de aarde opdelven
uit de onderste afgrond.

 

Gemeente van Jezus Christus,
Laten we nog eens terug bladeren naar het gedicht van Huub Oosterhuis, dat ik aan het begin van de dienst voorlas: “Aarde”. De tweede regel van dat gedicht, na “Aarde. Deze. Enig denkbare” luidt: “Rond en blauw in de ruimte”. Die zinsnede deed mij onmiddellijk denken aan de ervaring van astronauten als zij in de ruimte zijn en onze planeet waarnemen vanuit hun ruimteschip. Je hoort ze dan eigenlijk allemaal vertellen hoezeer ze onder de indruk zijn bij het zien van die betrekkelijk kleine, blauwe planeet die daar zo kwetsbaar aanwezig is in de kosmos. Kennelijk is dat de ervaring die je hebt als je eenmaal in de ruimte bent. Je krijgt dan een beeld van onze planeet dat in sterk contrast staat met wat wij gewoonlijk zien en voelen en denken, met onze dagelijkse ervaring van het leven op aarde. Voor ons, mensen levend op deze aarde, is heel veel vanzelfsprekend. De aarde is er. Wij leven van haar. Wij maken gebruik van alles wat zij voortbrengt. Wij rekenen op de robuuste regelmaat van de seizoenen. Wij zaaien en maaien in de wetenschap dat de aarde normaal gesproken van alles oplevert. Wij reizen over de wereld in het vaste vertrouwen dat we op tijd en op de juiste plaats aankomen. En natuurlijk, we weten van rampen die ons kunnen overkomen, daar horen we ook regelmatig van. Maar we rekenen die rampen toch eigenlijk tot de uitzonderingen van het normale, aardse bestaan zoals wij dat dagelijks ervaren. We weten dat wij zelf kwetsbaar zijn – het kan zomaar met ons gebeurd zijn – maar de aarde waarop wij leven, is toch eerst en vooral de vanzelfsprekende, vaste grond van ons bestaan. Dat vertrouwen wekkende gegeven zal misschien ook de achtergrond zijn van die contrastervaring die astronauten hebben. De schokkende ontdekking dat onze planeet in het geheel van de kosmos maar een kleine, blauwe bol is met een ijle dampkring: ogenschijnlijk allemaal heel kwetsbaar.
Het zal ook iets te maken hebben met onze moderne levenservaring waarin wij beschikken over allerlei technische middelen die ons leven steeds minder gevoelig maken voor dreigende invloeden van buiten zoals ziektes, kou, honger en allerlei andere risico’s. In andere tijden was er veel meer het besef waar een van de psalmen zo treffend over spreekt:
De mens – zijn dagen zijn als het gras
hij is als een bloem die bloeit op het veld
en verdwijnt zodra de wind hem verzengt
de plek waar hij stond, kent hem niet meer (Psalm 103)

Dat besef hebben wij, modernen, steeds minder. Wij denken in termen van maakbaarheid en van technische beheersbaarheid van het leven……….
Dat is – om zo te zeggen – één kant van ons moderne levensverhaal. Want er is inmiddels ook die andere kant die steeds meer een besef wordt van onze tijd. Zo vast en vanzelfsprekend is het allemaal niet, dat aardse leven van ons. De ervaring van de astronauten wijst daar al op. Maar ook onze eigen ervaring, ons eigen aardse perspectief doet ons dat steeds meer beseffen. Er is veel gaande op onze planeet, ook al is het allemaal niet direct zichtbaar. Maar toch: klimaatverandering, onbeheersbare vervuiling, tekorten aan drinkwater, woestijnen die groter en groter worden, het zijn ontwikkelingen die steeds meer tot ons doordringen….. en waarvan veel mensen in onze wereld inmiddels ook direct de gevolgen ervaren.
Een ecologische crisis, dat is waar wij in leven. En wij weten nog nauwelijks wat daarvan precies allemaal de impact zal zijn. Ik wil in dat verband aandacht vragen voor de encycliek van Paus Franciscus uit 2015, met als titel: Laudato si………… Die titel Laudato si betekent: Gezegend zijt Gij. Het is ontleend aan het beroemde zonnelied van Franciscus van Assisi, die rijke lofzang op de goede schepping van God. In dat zonnelied wordt gezongen over het vuur van de zon, en over zuster “maan”, over broeder “wind” en zuster “water”, over moeder “aarde” en zo nog veel meer. Alsof het allemaal familie van ons is, al die elementen van de goede schepping. En misschien is dat ook wel zo. Of beter: misschien is het wel heel belangrijk dat je het zo gaat zien! Dat je dus gaat zien, dat al die schepselen van God familie van je zijn. En met familie ga je om op een zorgzame manier, met je verwanten zoek je de vrede. Die buit je niet uit. Zo eenvoudig brengt het zonnelied van Franciscus dat onder woorden. Helaas staat dat zonnelied niet meer in het Liedboek van tegenwoordig; maar in het oude Liedboek staat het wel, als gezang 400.
Er gaat het verhaal dat Franciscus wel eens preekte tot de vogels en dat hij de dieren, ook de wilde dieren tot zijn vrienden rekende. Dat klinkt misschien allemaal wat sprookjesachtig maar de eenvoudige betekenis van het leven van deze monnik uit midden Italië is onmiskenbaar: het is heel belangrijk dat een mens leeft in verbinding met wat hem omgeeft, niet alleen met zijn of haar medemensen – die ook uiteraard!! – maar met alle wezens, met alle dingen, met alle elementen die ons als aardmensen gegeven zijn. Het is niet ons bezit, het is ons gegeven als een geschenk dat wij in dankbaarheid mogen genieten en verzorgen….. Laten wij daarom leven in verbondenheid, laten wij leren ons in te voegen in het web van het leven!
De encycliek Laudato si spreekt op een gegeven moment over een ecologische bekering die nodig is in onze tijd. Dat wij dus niet meer leven in een houding ten opzichte van de aarde die gericht is op uitputting en uitbuiting. Maar dat wij leren te leven in een houding die gekenmerkt wordt door omzichtigheid, door verbondenheid, door gevoeligheid voor de kwetsbaarheid van onze planeet, dat wij oplettend zijn voor wat er niet goed gaat en aandacht hebben voor wat er groeit en bloeit, verwonderd zijn ook voor de kleine en grote bijzonderheden in onze leefomgeving. Het is veel wat ik hier in één volzin naar voren breng. Maar goed beschouwd zijn het allemaal dingen die je zomaar, zelfs zonder veel moeite in je leven vorm kunt geven. Omzichtigheid, verbondenheid, gevoeligheid, aandacht, verwondering, het zijn stuk voor stuk aspecten die je eenvoudig kunt leren, die je kunt inoefenen als belangrijke elementen van je dagelijkse bestaan. Zo’n oefening zou wel eens een krachtig begin kunnen zijn van een andere manier van leven in Gods goede schepping….
En daarmee is het grote woord gevallen: Gods goede schepping! We hebben vandaag dat bijzondere leerdicht uit het begin van de bijbel gelezen, althans een deel ervan. Een lied over de aarde onder de hemel. Zoals gezegd: het is een leerdicht, een gedicht dus waarin de Joodse traditie zich oriënteert in het leven en de wereld. Wat is die wereld, deze aarde met alles wat daar op leeft, als je haar probeert te doorgronden tot op God zelf? Dat is de onderliggende vraag van het scheppingsverhaal: Wat is die wereld, deze aarde met alles wat daar op leeft, als je haar probeert te doorgronden tot op God zelf? En het gaat dan over de God die het oude volk Israël ervaren heeft als haar Bevrijder, als de Naam die met hen meereist door de moeiten van het leven, de Wolk die als een betrouwbare gids hen begeleidde op de weg door de woestijn van het leven. Die Godservaring over de Naam “Ik zal er zijn”, wat betekent die Godservaring als je hem probeert toe te passen op de wereld waarin je leeft. Gesteld, deze God is ook de schepper van de hemel en de aarde, wat betekent dat dan? Dat leerdicht van Genesis 1 probeert op die vraag een antwoord te geven: Gesteld, deze God is ook de schepper van de hemel en de aarde, wat betekent dat dan?
Er valt heel veel over dit lied te zeggen. Je zou daar een seizoen lang een Leerhuis over kunnen organiseren. Maar één ding moeten we er vandaag uitlichten, als we het hebben over die ‘ecologische bekering’. Namelijk daar waar in dit leerdicht gesproken wordt over de schepping van de mens. Op het moment dat dat gebeurt in dit lied, worden er heel eigen accenten gelegd. Zo worden alle wezens geschapen naar hun aard, naar hun eigenheid. Maar niet als het gaat om de mens, dan wordt er ineens een andere taal gesproken. “Laat ons mensen maken”, sprak God, alsof Hij of Zij met meer is. Alsof er een raad Gods is die hier met bijzondere aandacht een daad moet verrichten, alsof er in God zelf een beraad moet plaatsvinden: Laat ons mensen maken naar ons beeld en naar onze gelijkenis.
En er wordt ook niet één enkel wezen geschapen, maar er wordt een wezen geschapen dat van meet af aan meer is dan één: mannelijk en vrouwelijk schiep hij hen. En hij zegende hen. Alles gebeurt nu in meervoud: mensen die gezegend worden en tot wie gezegd wordt: Wees vruchtbaar en wordt talrijk, vervult de aarde en wordt machtig over haar.
Dat was toen, in de oudheid, een ongehoord verhaal, omdat de mens in dit leerdicht verantwoordelijkheid krijgt voor de aarde waarop hij en zij leven. Waar in veel andere scheppingsmythen de mens voornamelijk een speelbal is van allerlei goddelijke krachten en machten – de zon en de maan en de sterren, de zeemonsters en noem maar op: ze werden allemaal vereerd als goden. En de mens is niet meer dan een speelbal te midden van al die goddelijke krachten en machten. Maar hier, in het lied van de zeven dagen, wordt de mens uitgetekend als verantwoordelijk wezen voor wat er leeft en zich begeeft op deze aarde. En de zon, de maan, de sterren, de grote zeemonsters – het zijn geen goden maar ‘gewone’ schepselen. De mens in Genesis 1 is een wezen ook dat niet naar een vaste natuurlijke aarde gemaakt is, naar een vaste eigenheid, maar als een wezen met een open karakter, naar Gods beeld en gelijkenis, in volstrekte openheid naar de toekomst.
Je zou heel goed kunnen zeggen: dat was toen een ecologische bekering, in de tijd dat dit leerdicht van de schepping ontstond, dat de mens een unieke plaats krijgt op de aarde onder de hemel. En dus is het ook nu een diepe waarheid voor ons leven op deze aarde: dat wij een ecologische bekering ondergaan. Om het met het slot van het gedicht van Oosterhuis te zeggen: Dat wij ons bekeren
tot wat vandaag nog gedaan moet,
als mensen
die langzaam maar zeker,
bezeten van liefde
de aarde opdelven
uit de onderste afgrond.

Dat wij ons dus bekeren tot mensen die zich voegen in het web van het leven dat door het leerdicht van Genesis 1 zo fraai wordt uitgetekend.
Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *