Preek van de Week – Zondag 28 mei ’17 door ds. Tiemo Meijlink

Openbaring 4, 2 – 11
1 Petrus 4, 7 – 11
Johannes 15, 26 – 16, 4

Gemeente van Jezus Christus,

“Het einde van alle dingen is nabij” – zo begint de passage uit de Petrusbrief die wij gelezen hebben. Wat betekent dat eigenlijk? Want er is toch helemaal niet een einde gekomen aan alle dingen. Er is geen koninkrijk Gods gekomen, geen hemel op aarde, geen vrederijk. Maar wat is dan de betekenis van dat woord “het einde van alle dingen is nabij”?!

We hebben over deze brief van Petrus al vaker gesproken. Het is een brief die je moet plaatsen ergens rond het jaar ’80 na Christus, dat wil zeggen bijna een halve eeuw na de kruisdood en de opstandingservaring van Jezus Christus. Er hebben zich inmiddels op allerlei plaatsen jonge christelijke gemeentes gevormd en die gemeentes proberen te leven in de navolging, in verbinding met elkaar maar bovenal in verbinding met Christus zelf. Dat klinkt natuurlijk raar: want kun je wel leven in verbinding met iemand die al zo lang weg is, die dood is, ja, vermoord zelfs? Kun je dat volhouden met elkaar? Kun je trouw blijven aan wat hij, de leermeester heeft voorgestaan?

Die vraag is in heel veel geschriften in het Nieuwe Testament aan de orde: kun je trouw blijven aan Hem, die zo’n bijzondere weg is gegaan, die dat heeft moeten bekopen met een schandalige dood en die je toch nog steeds met elkaar deelt? Want dat is wat ze doen: ze delen met elkaar de geesteswereld van deze mens, van deze Jezus. Maar hoe doe je dat? Hoe houd je de verbinding met hem die ons is voorgegaan, levend?

Een belangrijk besef van die jonge gemeentes is geweest, dat het einde van alle dingen in en door Jezus Christus nabij gekomen is…. Zij hebben gevoeld en ook gehoord van hun meester dat wat hij heeft geleefd en heeft voorgestaan, dat dat een breuk is met het bestaande, dat sindsdien de dingen van deze wereld niet meer de geldigheid hebben van voorheen. Zij, de mensen in die jonge gemeentes hebben – zo moet je dat noemen – een messiaans verlangen meegekregen, een messiaans besef dat het anders is gesteld met deze wereld, niet meer zoals ze altijd gedacht hebben en gedaan hebben, maar anders, nieuw. En dat nieuwe dat wordt dan uitgetekend met het woord “liefde”, in de zin van naastenliefde, maar ook met woorden als gastvrijheid en wederkerig dienstbetoon. Daarin, in die woorden, in die levende praktijk van liefde en gastvrijheid onder elkaar, hebben zij genade en goedheid ervaren. Daarin hebben ze God zelf, de god van genade en goedheid gevoeld en beleefd. Dat leven en beleven ze dus met elkaar, onderling. Daartoe roept de schrijver van de brief hen ook op: wees nuchter en bezonnen om te bidden, houd vast aan de liefde, weest gastvrij zonder klagen, verspreidt met elkaar het goede van Gods genade. En dat alles bij elkaar is een leven dat in die tijd ook echt een breuk zal zijn geweest met de wereld om hen heen. In die kleine, jonge gemeentes kreeg het nieuwe van Jezus Christus levende gestalte, werd het voelbare werkelijkheid, werd het “einde van alle dingen” een werkelijke beleving. Een nieuwe wereld blijkt aangebroken in en door Jezus Christus!!

En dat besef, dat messiaanse besef, is door de eeuwen heen altijd een karaktertrek gebleven in het leven van de kerk. Ik moet dat meteen ook corrigeren en nuanceren: de kerk heeft helaas ook heel vaak geleefd alsof het niet het einde was van alle dingen; ze heeft zich nogal eens helemaal verbonden met het bestaande, met de machten van deze wereld, ze heeft ook het eigen belang gezocht en is op die manier heel ver afgeraakt van Jezus Christus. Maar: het is tegelijk ook zo dat dit messiaanse besef nooit helemaal is weggeweest, dat het ook steeds weer opnieuw de kop opstak, dat er steeds opnieuw bewegingen zijn ontstaan binnen de kerk die het nieuwe van Jezus Christus hebben gezocht, die de genade en de liefde weer centraal hebben gesteld en zo ook de oorspronkelijke inspiratie van Jezus handen en voeten hebben gegeven. Steeds weer zijn er bewegingen ontstaan die hebben geleefd vanuit het besef dat het “einde van alle dingen” nabij is en dat een nieuwe wereld van hoop en verlangen groeit en blijft groeien.

Dat besef hoor je krachtig naar voren komen in die laatste zin van de passage in de Petrusbrief: “Zo wordt God in alles verheerlijkt door Jezus Christus, aan wie de heerlijkheid en de macht is tot in de eeuwen der eeuwen. Amen”. Dat klinkt ons vandaag heel massief en triomfantelijk in de oren. Maar dat is toen een ongelofelijk krachtige, messiaanse hoop geweest. Een gekruisigde, iemand die een weg van liefde is gegaan en die daarom niet welkom was in deze wereld en zelfs uitgewist is, aan Hem is de heerlijkheid en de macht tot in alle eeuwigheid. Je moet het maar durven te geloven!

Je hoort trouwens diezelfde krachtige messiaanse hoop ook in het visioen uit het boek Openbaring waarin Johannes in vervoering raakt en een troon in de hemel ziet – een overweldigend beeld van de kosmische macht die bij God is, bij de God, die is, die was en die komen zal in de naam van Jezus Christus, in de naam van het Lam dat voor de troon staat. Ook daar zie je hoezeer de kleine, nieuwe gemeentes van Christusvolgelingen hebben durven hopen op dat grootse visioen, dat het Lam, het weerloze dier dat staat voor alle gekwetsten van deze wereld, hoe dat Lam in die kosmische macht, in die heerlijkheid de beslissende positie inneemt.

Wij die leven in de 21e eeuw en die eeuwen van christelijke geschiedenis achter ons hebben, vinden het een vanzelfsprekend element in het christendom. Wij hebben het christendom groot en machtig zien worden en dan kun je dat zo wel nazeggen: aan Christus is de macht en de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Maar zij, toen en daar, gemengde groepjes van Joden en heidenen verspreid over het Romeinse wereldrijk, groepjes ook die in toenemende mate in die 1e eeuw met de nek werden aangekeken, hadden een heel andere ervaring. Het is een ongelofelijk krachtig besef van hoop en verwachting geweest, wat die mensen hebben gevoeld toen zij eenmaal in aanraking kwamen met de geesteswereld van Jezus, de gekruisigde waarvan werd gezegd: “hij leeft”. Hij leeft onder ons en met ons!!

Hij leeft onder ons en met ons!! – dat besef voel je ook in de woorden van het evangelie van Johannes als Jezus zegt: “Wanneer de pleitbezorger komt, die ik van de Vader naar jullie zal zenden, de Geest van de waarheid die van de Vader komt, dan zal die van mij getuigen”. Jezus spreekt daar, in het evangelie, met zijn leerlingen over de tijd die zal komen, waarin hij niet meer feitelijk aanwezig zal zijn in hun midden. En steeds benadrukt hij dan dat hij op een andere manier, toch leeft te midden van hen. Hij zal de pleitbezorger zenden, staat er dan.

Wie is dat eigenlijk, de pleitbezorger? Alleen Johannes gebruikt dit woord – we komen het in de andere evangeliën niet tegen. Johannes gebruikt deze term als nadere aanduiding van de Heilige Geest, de Geest van de waarheid. Pleitbezorger, voorspreker, advocaat – dat is de betekenis van deze term. Iemand dus die voor je in het krijt treedt, die jouw recht behartigt, die voor jou opkomt. Zo maakt Johannes duidelijk wie en wat eigenlijk de Geest van Christus is die met ons meegaat en ons begeleidt als een gids. Iedere zondag bidden wij om de kracht en de bezieling van de Geest, en in het bijzonder met Pinksteren vieren wij deze Geest van Christus, vieren wij de Heilige Geest die uitgaat van de Vader en de Zoon – ook volgende week zal weer het ontroerende gezang klinken: ‘Veni, Creator, Spiritus’, ‘Kom, Schepper, Geest’.

Johannes duidt hem dus als de Pleitbezorger (….. eerdere vertalingen hadden het wel over de trooster, en op zich is dat geen verkeerde aanduiding – een pleitbezorger, een voorspreker is immers ook een trooster voor degene die door hem geholpen wordt ……. ). De Geest als pleitbezorger – dat wil zeggen: als iemand die voor ons instaat in deze wereld en die de vraag naar het recht aan de orde stelt. Die Geest wordt ons gezonden vanuit de Vader en de Zoon, die Geest gaat met ons mee en vormt de geesteswereld waarin de kerk, de gemeente van volgelingen leeft.

Jezus is dus met ons en helpt ons, ook na zijn dood. Het is alsof zijn Geest, zijn geestkracht in ons werkt. Wij komen niet los van Hem. Het leek misschien alsof wij als wezen zouden achterblijven, maar nee: Jezus is voelbaar aanwezig onder ons, juist doordat hij de Pleitbezorger zendt, de Geest van waarheid en recht. En daardoor komt ons leven in een ander licht te staan, krijgen wij hoop en verwachting en zien wij voor ons een wereld die anders is, een wereld waarin de liefde het voor het zeggen heeft. Zo is die ervaring, toen en daar geweest.

En nu weet ik wel: het is nog niet zo eenvoudig om die ervaring één op één over te plaatsen naar onze tijd. We kunnen niet zomaar doen alsof wij zijn als die eerste christenen van toen. Wij leven in andere tijden, wij leven na eeuwen van christelijke geschiedenis, waarin de beweging van toen is uitgewaaierd over de wereld en op allerlei manieren vorm heeft gekregen. Wij leven zelfs in een tijd waarin het christendom, althans in Europa, op z’n retour is, waarin velen van onze tijdgenoten, van onze vrienden misschien, van onze familieleden zelfs niet meer de relevantie van deze God en deze godsdienst kunnen navoelen. Dat voelt  aan als een soort ‘verweesdheid’, alsof we geen herkenning meer hebben met elkaar over de hoop en het verlangen die in het evangelie aan de orde worden gesteld. Geen herkenning meer onder elkaar …….., alsof je er een beetje alleen voor staat. Als wezen achtergelaten in een wereld die inmiddels op andere gedachten is gekomen.

Kunnen we over de eeuwen heen nog verbinding krijgen met die Geest van Jezus, met dat oergebeuren dat toen en daar een onuitwisbare indruk heeft gemaakt? Kunnen we dat messiaanse besef nog in ons levend maken waardoor we bidden en liefhebben en gastvrij zijn en moed krijgen om als mensen van hoop en geloof in deze wereld te staan? Dat zijn de dringende vragen die wij ons hier stellen, op deze laatste zondag tussen Pasen en Pinksteren, levend dus in de richting van het Pinksterfeest van de Geest. De Geest die als een Pleitbezorger, als een voorspreker ons nabij is.

In antwoord op die vragen wil ik wijzen op de liturgie, de wekelijkse lofprijzing en aanbidding, de wekelijkse aandacht voor het oude verhaal, de wekelijkse aansporing ook om in dat oude verhaal ons zelf te ontdekken en daarvan te getuigen. Want dat is waar we het van moeten hebben als het over deze vragen gaat die ik zo juist stelde: de liturgie die de gemeente onderling viert; dat was toen zo, dat is nu nog zo. En als dat ons oriëntatiepunt is, de liturgie, dan zie je tot je grote verrassing dat het oude geloof van Pasen ook vandaag vorm aanneemt in onze wereld, op al die plaatsen waar recht gedaan wordt aan mensen, waar vrede bewerkt wordt en mensen zich inzetten om conflicten te overwinnen en verzoening tot stand te brengen. Je ziet het deze week ook in de verbinding die mensen met elkaar zochten in Manchester, om zo dapper en vol van levensmoed het hoofd te bieden aan het botte geweld van de terreur. De wond van het verdriet en de rouw is groot, maar eenvoudige verbinding met elkaar, eenvoudige solidariteit kan toch ook iets van nieuwe toekomst, van nieuw leven zichtbaar maken. Dat mensen niet alleen worden gelaten in hun diepe verdriet, in hun diepe geschoktheid. Zo tasten wij naar de hoop, naar het nieuwe dat ook vandaag zich kan baan breken in onze wereld.

Je ziet dan met andere woorden iets gloren van de veelsoortige genade van God die zichtbaar wordt in onze wereld. En je voelt als het ware verbinding met Christus, met die mens van toen en daar, die nu en hier een levende verschijning wordt, als voorbeeld, als inspiratie, als indrukwekkend teken van goedheid en liefde, als Pleitbezorger namens God en de mensen. Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.