Preek van de Week – Zondag 28 juli ’19

Dit is de derde in een serie zomerdiensten over stilte.
Het thema voor deze zondag: God is stilte
De lezingen zijn een fragment uit het gedicht Kentering
van J.C. van Schagen en als Bijbellezing 1 Koningen 19, 1-18

Kentering                                                                    (een fragment)

Er is geroepen, ik heb het verstaan.
Ik was werkend aan mijn taken, velerlei had ik onderhanden.
Het was goed berekend, het was ingedeeld en beraamd.

Er waren agenda’s voor iederen dag.
En ik wist altijd, hoe laat het was en wat nog af moest vandaag.

Ik nummerde de dagen, ik schikte de weken en belastte ze vooraf,
Ik regeerde het jaar en stopte het vol, als een worst.
Ja, ik had het druk en ook moeilijk en heel warm,
want dikwijls mislukte er iets,
op het botte gedrag van de werkelijkheid, die zonder regel of vorm is,
En ik moest scharrelen als een mier met een houtje
zevenmaal op tegen dezelfde kluit.
Maar ik won veel en dik was het register mijner bezittingen. –
Toen is er even gefluisterd en ik ben heengegaan,
Nu waait een koele mildheid om mijn slapen;
Ik lig ontbonden in een wijde rust.
Ik weet nu, ik hoor nu voortaan toe aan een werk, dat stil is en heimelijk, Dat is van de boomen, die wiegen met den wind,
dat is van de zon, die glinstert op de rivier,
Dat is van den regen, die ritselt in het gras,
dat is van de vochtige oogen van dieren.
Ik zal nu altijd vrij zijn en alles verliezen.
Ik zal maar wandelen en toezien.
Er is nu tijd en ruimte om mij heen als om Godzelf.
Ja, ik zal nu misschien wel niets meer afmaken.

J.C. van Schagen
In Nieuwe geluiden, 1924

I
Toen het thema ‘stilte’ werd gekozen voor deze serie zomerdiensten en er Bijbellezingen bij gezocht moesten worden, werd die van vandaag als eerste geroepen. Ja, natuurlijk: Elia en de nabijheid van de Eeuwige in de stilte op de berg Horeb! Daar kun je niet omheen. Een intens verhaal.

‘God is stilte’ is het thema voor vandaag. Maar is dat ook zo? Een kerkdienst zit vol met woorden: gezongen, gebeden, gesproken, gehoord. Door de woorden, in de woorden, tussen de woorden, hopen we iets van God te mogen ontdekken. Hoezo: ‘God is stilte’?

Toch is in de lezing van vandaag dit het moment, waarin we onze adem inhouden: Bij ‘het suizen van de stilte’. Niet als verteld wordt van de storm die alles omver trekt; van de aarde die onder je schudt; van het vuur dat zich niet laat indammen. Nee, ná dat vuur, bij ‘het suizen van de stilte’.  ‘Toen Elia dat hoorde omwond hij zijn gezicht met zijn mantel, ging naar buiten en stond voor de ingang van de spelonk.’ Er is dan al van alles gebeurd en gezegd en gedaan. Ook door de Eeuwige. Zeker als je het hoofdstuk hier vóór ook meeneemt. Met alle donder, bliksem en geweld waarin het gevecht om de ware godsdienst wordt beslecht.

En toch is dit het moment, waarop je je vasthoudt: ‘En na het vuur: ‘het suizen van de stilte’. Toen Elia dat hoorde omwond hij zijn gezicht met zijn mantel, ging naar buiten en stond voor de ingang van de spelonk.’ Als alle donder en geweld is afgelegd en het hoogste woord zwijgt en er alleen nog maar ‘het suizen van de stilte’ is. Of, zoals de Naardense Bijbel het vertaalt: ‘de stem van een zachte stilte’. Als de Eeuwige samenvalt met de stilte. Als God stilte is.

II
Er is daar niemand die Elia roept. Niemand, die zegt: ‘Nou moet je tevoorschijn komen uit je schuilplek.’ Maar wie dit leest voelt aan dat dit het moment is om naar buiten te komen. Er is een weten, dat niet gebaseerd is op een algemeen geaccepteerde waarheid. Er is een weten na alle waarheid en voorafgaand aan alle waarheid. Daarom is het vandaag niet ‘God in de stilte’ – Want dan zou je kunnen denken dat er nog een waarheid over is, die zich bedient van de stilte. Zoals die zich andere keren bedient van woorden of van donder en geweld. Nee, ‘God is stilte’. Vandaag. Hier. Nu. En dan natuurlijk niet zeggen: ‘Nou, dat weten we dan ook weer.’ Want dan maken we er weer een nieuwe waarheid van. Nee, het gaat om het samen horen van die tekst, het meebeleven van wat Elia gebeurt, het voelen van de spanning. Het gaat om een je overgeven aan een weten, terwijl je alle waarheden achter je hebt gelaten. Niet stoer. Maar omdat je niet anders meer kon. Het gaat om een je overgeven aan een weten, dat je ook niet doet verlangen naar nieuwe waarheden. Omdat je weet: Dit is voor nu genoeg. Dit is alles. Daarom is het nu en hier: ‘God is stilte’. En niet ‘God is in de stilte.’

Even een verzuchting tussendoor: Wat mist de kerk het leerhuis! We zijn er uit weg gelopen. Want het kostte ons te veel tijd: dat samen kloppen op die verhalen, tot ze voor je open gaan. We wilden het beleven, ieder voor zich, dat God liefde is en zo en zalige rust op onze tijd. Niks: noeste arbeid. Niet te moeilijk doen. Wat meestal ook betekent: geen last hebben van anderen, die vragen stellen waar jij geen vragen hebt; mensen, die trager zijn van begrip of de dingen anders zien. Het gezegde ‘Ieder voor zich en God voor ons allen’ vertaalt zich onder gelovigen in algemeenheden waar niemand van wakker ligt – niet binnen de kerk en niet buiten de kerk: dat God liefde is en zo. Vul het maar in naar eigen smaak.

Deze verzuchting moest eruit omdat het Bijbelverhaal van vanmorgen wel het resultaat is van gezamenlijke inspanning en heftige gesprekken. Zo’n verhaal wordt niet geboren in een vroom gestemde ziel, die al dat moois ruimhartig wil delen met wie het hart heeft open staan. Nee, tijdens de wording van het verhaal is gebekvecht en pijn en hoop gedeeld. In het uiteindelijke verhaal hoor je dat ook terug. Er zitten herhalingen in, maar dan net even anders verteld.

In de ene versie komt het woord van de Eeuwige tot Elia. Is dat niet het watermerk van profeten, dat het woord van de Eeuwige tot hen komt? Het is ook God zelf die Elia in die versie uit zijn schuilplaats tevoorschijn roept om voor zijn aanschijn te gaan staan. Je kunt het bijna uittekenen: Híer staat Elia, dáár is God (of dáár). Herkenbare beeldtaal voor wie een beetje thuis is in de bijbel.

Maar in de andere versie is het allemaal veel minder grijpbaar. Niet: Dáár is God en híer Elia. Er is het ‘suizen van de stilte’ dat alles omvat. Elia wordt niet uit zijn schuilplaats tevoorschijn geroepen. De stilte doet iets met hem. Hij staat op en komt tevoorschijn. En met dat hij dat doet, omwindt hij zijn gezicht met zijn mantel. ‘Logisch,’ zegt de pleitbezorger voor de eerste versie, ‘Hij gaat God ontmoeten en zoiets overleef je alleen met een bedekt gezicht.’ ‘Nee,’ zegt de verteller van de tweede versie, ‘dat bedoel ik niet. Alles wat hier gebeurt is ontmoeting. Ontmoeting met jezelf (Hoe confronterend kan dat zijn?). Binnen gaan in een geheim, waarbij je alleen maar ‘God!’ kunt stotteren omdat je er geen taal voor hebt. Daar, waar het zelfgesprek vanzelf een gebed wordt, een gesprek met de Eeuwige. Dat kijken in je eigen ziel met is een heilig moment. Het ‘suizen van de stilte’ omvat dat allemaal. Het praat de dingen niet plat. Het legt niet uit wat er met jou aan de hand is. Daar stotter ik ‘God!’ bij. En daarom omwindt Elia zijn gezicht met de profetenmantel.’

III
Dat zoeken naar de eindversie van het verhaal is meer dan de stoeipartij tussen eigenwijze rabbijnen die allebei hun eigen gelijk willen halen. Dit verhaal worstelt met de vraag waar God is, als jij ten einde raad bent als mens en als gelovige in de gemeenschap – zoals Elia. Omdat jij in de spiegel hebt gekeken en wat je daarin ziet deelt met anderen: Je wanhoop. Het gevoel dat je een van de laatsten der Mohikanen bent. De twijfel of het allemaal nog wat uitmaakt wat je gelooft. De woede over de heersende onbenulligheid, waar je zelf onderdeel van bent.

In de eerste versie van het verhaal positioneert God zich nog duidelijk: Dáár is God. Híer is Elia. Maar als je dat te zwaar aanzet, dan gebeuren er ook ongelukken. Lees het verhaal dat hier aan voorafgaat. Daar roept Elia donder en vuur tevoorschijn uit de hemel om een eind te maken aan het eeuwige gelijk van de sterkste. Alles, waar de Baäldienst voor staat. Ze gaan er allemaal aan: 450 Baälpriesters. Eigenhandig slacht Elia ze af. Met onmiskenbaar God aan zijn kant.

Maar de werkelijkheid is anders dan dit verhaal ons wil laten geloven. In de echte wereld leggen de kleinen het af tegen de groten. Daar wordt het recht verkwanseld en de menselijke waardigheid verkocht. En daar is er geen God die ingrijpt en een einde maakt aan de oude orde. Het is zo begrijpelijk dat je daar om roept naar de hemel. Zeker als de geschiedenis over jou heen is gewalst. Zoals bij de joden het geval is. En dat je behoefte hebt aan verhalen, die spreken van deze wereld omgekeerd, dat is ook zo begrijpelijk.

Maar voor je het weet overschreeuw je jezelf. Dan wordt jouw stoere God er een, die alleen in de verhalen nog leeft. Dan lach je wel om de Baälpriesters, die als gekken tekeer gaan om maar een glimp van God op te kunnen vangen – een en al beleving. Maar kijk je in de spiegel, dan zie je jezelf daar tussen je gelovige rondjes draaien. En geen hemel die jou antwoord geeft. Wat is het verschil tussen die Baälpriesters, die er alles voor over hebben om hun God aan de praat te krijgen, en de kerkelijke gemeente? Krijgen wij wel antwoord? Wees eerlijk.

Ik kan me voorstellen dat deze overwegingen hebben meegespeeld bij het tot stand komen van de tweede versie van het verhaal, die met ‘het suizen van de stilte’ of met ‘de stem van een zachte stilte’. Niet in de grote en sterke wind, die de rotsen verbrijzelde, was de Eeuwige. Niet in de aardbeving. Niet in het vuur. Hoor je dat goed, Elia? Niet in het vuur. Maar Luister. Hoor dat wat alles inhaalt: ‘het suizen van de stilte’. Zonder antwoorden. Zonder jij hier en God daar. Dat zinderende geheim, dat nooit tot waarheid is te maken. Een nabijheid die jou doortrekt. Zo teer. Zo kwetsbaar, dat je er niets aan hebt als ze in de wereld hun wapens op jou richten. En dat zal gebeuren, want dit is jouw wereld. Je kunt er niet uit weg. Maar het mooie is dat de openbaring van de stilte niet alleen maar iets van verhalen is. Het gebeurt hier aan jou in deze wereld. En het gaat misschien wel voorbij, maar het gaat nooit meer over.

IV
Wij vieren hier vanmorgen de Maaltijd van de Heer. In de wereld. En met anderen, die net als jij rondlopen met rafels aan de ziel en met twijfels die soms naar wanhoop neigen. Ons rondje gaat langs de tafel. We hoeven de hemel niet open te schreeuwen en te soebatten of God alsjeblieft iets van zich wil laten horen. De God, die alles kan, bestaat niet. Of die nu de God van Joden of Moslims of Christenen is. Hier is de gekruisigde en opgestane Heer onze gastheer. Hij, die alles weet van leven zonder antwoorden en met de wonden van de wereld in zijn lijf. En ook al weten we niet wat we zeggen, als we zingen: ‘Hij is onze God!’, we ervaren zijn aanwezigheid als gastheer in die zelfde zinderende spanning die het ‘suizen van de stilte’ oproept. We staan op. En we komen tevoorschijn uit onze spelonk. Niemand die ons roept. En toch gaan we. Alsof we uitgenodigd zijn.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.