Skip to main content

Preek van de Week – Zondag 28 januari ’18

Deuteronomium 18, 15 – 20
Marcus 1, 21 – 28

I
Het komt maar weinig voor dat je het gewoon kunt laten gebeuren. Meestal moet er eerst van alles uitgelegd en vertaald worden vóór een Bijbelgedeelte je iets kan zeggen. Je probeert je een beeld te vormen. Je vraagt je af hoe je het vandaag zou zeggen. Zo ook met die man die bezeten was door een onreine geest en die ineens begint te schreeuwen in de synagoge van Kafarnaüm. Je denkt aan de Damschreeuwer, die bij de dodenherdenking in 2010 de stilte verbrak met een langgerekte kreet. Een dakloze met psychiatrische problemen. Of je denkt aan die ene die je met regelmaat tegen komt, die net iets te luid met zichzelf in gesprek is. Echt wennen doet dat nooit. Onwillekeurig loop je wat sneller door.

Wie ben jij in dit verhaal? Ben jij een van de mensen die naar de synagoge is gekomen? Ben jij de kerkganger die door Jezus onderwezen wordt? Nou ja, kerkganger wel. Op z’n tijd. Maar of je nu komt om onderwezen te worden? Eerder om geraakt, getroost en bemoedigd te worden. Dat is meer de laag van het gevoel en de beleving dan die van kennisverwerving. Uit wat er gezegd en gezongen wordt filter je dat, waar jij wat mee kunt.

Ja, het is soms een hele kunst om het contact met het Bijbelverhaal niet te verliezen. Wie zichzelf serieus neemt als mens van deze tijd en toch maar de moeite neemt om hier naar toe te komen, die blijft al gauw wat hangen in de marge van het Bijbelverhaal. Misschien ben je wel net iets meer omstander dan kerkganger in het verhaal van vanmorgen. Je wilt wel in het hart ervan zitten. Maar het moet wel kunnen. Er ligt nogal een kloof tussen toen en nu. Omstander? Kerkganger? In ieder geval zijn er weinigen die zich af hoeven te vragen of ze misschien een schriftgeleerde zijn. Geluksvogels! En een ding is zeker, je hoopt nooit die bezetene te worden. Je weet: het kan de beste overkomen. Maar nee, dat niet. Met compassie kijken naar zo’n iemand, dat wil je wel. Maar dichterbij dan dat moet het ook niet komen.

 

II
En toch. Spreekt hij wartaal? Zit hij eenzaam opgesloten in zijn eigen wereld? Hoort hij thuis op de gesloten afdeling van de psychiatrie? Ik weet het nog niet zo net. ‘Wat is er tussen ons en jou? Wat hebben wij met jou te maken, Jezus van Nazaret?,’ vraagt hij boven alles uit. Wie zijn die wij? Is dat de onreine geest die met vele stemmen deze mens bezet houdt? Als dat zo is, kunnen we hem nog een beetje op afstand houden. Hij heeft een probleem. Niet wij. Hij is ziek. Wij zijn normaal.

Om met het eerste te beginnen: Hij heeft geen onreine geest. De onreine geest heeft hem. In alles heeft die geest het voor het zeggen. Die geest kleurt alles wat hij doet en zegt en voelt. Er is geen stukje vrije mens meer over. De onreine geest zit niet in hem. Hij zit in die onreine geest, zegt de grondtekst. Ja, dat mag wel bezetenheid heten. En stel je nou eens voor dat die ‘wij’ uit ‘Wat hebben wij met jou te maken, Jezus van Nazaret?,’ niet slaat op vele stemmen in en ziek mens, maar gewoon op al die andere mensen die daar in de synagoge van Kafarnaüm bijeen zijn om sabbat te vieren. In dat geval is het vieren van de vrijheid – want dat is sabbat toch vooral! – gekaapt en aan banden gelegd door een onreine geest. Dan is er niet één mens die een onreine geest heeft. Heel het spel van de bevrijding, zoals die wordt onderwezen in Thora en Evangelie, staat onder invloed van die onreine geest.

‘Ben je gekomen om ons te vernietigen?,’ vraagt hij. Moet het soms kapot wat onze ouders met dubbeltjes en kwartjes hebben opgebouwd? De verworvenheden van deze samenleving, waar we zo zuinig op moeten zijn? Geloof jij soms niet in onze vrijheid? Hoe wij de ander zijn geloofsovertuiging gunnen, ook als die er voor kiest om in jou te geloven, en tegelijk de economie op volle toeren laten draaien? Ben je er niet blij mee? De gek stelt goeie vragen. Zo gek is hij dus niet. Getergd, dat wel, door wat Jezus heeft te zeggen.

En dan het meest confronterende. Die uitroep: ‘Ik weet wel wie je bent, de heilige van God.’ Jezus is geen vreemde voor hem. God is geen vreemde. Dit is niet het protest van de atheïst, die de religie vervloekt om alle ellende die ze brengt. Dit is de schreeuw van de gelovige, die geen raad weet met wat in Jezus op hem afkomt. Hij wist het allemaal zo goed. Alle dogma’s had hij een plekje weten te geven. En God mocht zijn partijtje meeblazen in zijn leven. Het paste allemaal precies. Maar nu is daar ineens die ene, die alles onder spanning zet. Een schokgolf die scheuren trekt in het bouwwerk van het geloof. En weg is de mogelijkheid om geloof en burgerschap probleemloos te combineren.
Je zou denken dat de komst van Jezus het de ongelovigen moeilijk maakt om door te gaan op hun eigen weg. Maar nee, zijn komst maakt het de gelovigen moeilijk om de boel keurig bij elkaar te houden. Met de nadruk op keurig. In de gemeente van gelovigen laat de onreine geest zich kennen. Waar anders dan daar weet men hoe schokkend de komst van Gods koningschap is?

III
Er zit een enorme vaart in het evangelie naar Marcus. Als Jezus het stokje van Johannes overneemt, wanneer er met hem is afgerekend, roept hij in Galilea: ‘De tijd is vol. Genaderd is het koningschap van God! Bekeer je en geloof in de aankondiging!’ (Marcus 1 vers 15) En wij maar denken dat bekering iets is voor mensen die niet geloven zoals wij. We dachten dat het prima kon, je geloof beleven en de bestaande verhoudingen in tact laten, trots op ons cultureel en godsdienstig erfgoed. Geloof is immers iets van de binnenkamer, iets tussen God en jou, iets wat het nodige belooft voor in de eeuwigheid?

Maar het woord koningschap ontkracht dat al. ‘Daar zijn geen grenzen aan Jezus’ macht,’ zingt een populair lied van vroeger. Maar dat het ook waar kon zijn, dat werd niet ingecalculeerd. Stel je voor, zeg. Dat zou een janboel worden! Dan gaat alles op de schop. Nou, gemeente, dat gaat het ook! De vaart waarmee het er aan zit te komen, wordt door Marcus benadrukt met het woordje ‘meteen’, dat hij tot in den treure herhaalt. Wel zo vaak dat de NBV besloten heeft om het maar weg te vertalen. Een tekst wordt van zo’n stopwoord namelijk niet mooier. En dat woordje ‘meteen’ is weer hetzelfde woord waarmee Marcus zijn evangelie inluidt: ‘De stem van een die roept in de woestijn: bereidt de weg van de Heer, maakt zijn paden recht!’ (Marcus 1 vers 3) ‘Recht’ en ‘meteen’ zijn een en het zelfde woord. Marcus citeert hier een bekend woord van de profeet Jesaja. Een ingewijde kan het zo maar afmaken: ‘Laat elke vallei verhoogd worden en elke berg en heuvel verlaagd, laat ruig land vlak worden en rotsige hellingen rustige dalen.’ (Jesaja 40 vers 4) Inderdaad: op de schop ermee!

Je zit te schuiven op je plekje. Daar heb je het weer: dat radicale, waardoor godsdienst zo’n slechte pers heeft. De manier waarop rein tegenover onrein wordt gezet. Alsof niet overal een vlekje aan zit. En alsof dat wat onrein heet niet het hoogst haalbare kan zijn; het compromis waar hard voor gewerkt is. Laat de nuance het in godsnaam winnen van de radicaliteit en van het gezag van Jezus. Wat is dat toch met hem, dat hij ons zo raakt? En wat is dat toch met ons dat wij ons zo door hem laten raken? ‘Wat is er tussen ons en jou, Jezus van Nazaret?,’ roept de man met de onreine geest. Dat wij jou kennen, dat jij een van ons bent, is dat wat ons zo emotioneel maakt. ‘Ik weet wel wie je bent, de heilige van God,’ schreeuwt hij. Wie hem niet kent, heeft geen probleem. Die haalt de schouders op. De bezetenheid zit in de gemeente. Daar zit het verzet tegen het naderende koningschap van God. Juist omdat ze er van weet.

IV
Wat het precies is, dat die bezetenheid tevoorschijn haalt, weet ik niet. Misschien zijn we daarvoor te veel omstander geworden. We hebben, met jan en alleman, geleerd om onze schouders op te halen. Als het er op aankomt, kunnen we ook wel zonder dat naderende koningschap van God. God mag blij zijn dat er hier en nu nog mensen aan hem doen. En dat de joods-christelijke waarden verweven zijn geraakt in onze samenleving. Toch?

Maar soms wordt het je zomaar ineens te veel. Dan wil je Jezus wel in de armen vliegen. Omdat hij het enige plekje is waar je even niets hoeft; waar jij je niet hoeft te bewijzen; waar er van jou gehouden wordt, niet om wat jij allemaal kunt, maar omdat het gewoon zo is. Dat oog in de storm. En als je je dan omdraait, met hem dicht tegen je aan, dan zie je de bezeten wereld vol mensen die hun stand ophouden en al die anderen die hun dromen in scherven hebben zien vallen. Op de schop met die wereld! O, als dat eens zou kunnen.

En tegelijkertijd erger je je kapot aan de vergeving, die geen bekering vooraf vraagt. Er is niets radicaler en meer ongenuanceerd dan de genade van God. En als Jezus gelijkenissen van het koningschap van God vertelt, waarin mensen van de straat worden binnen gehaald om het feest van Gods koningschap te vieren, dan hoop je stilletjes dat het een verhaaltje blijft. Want een stabiele samenleving kun je er niet op bouwen. Maar het meest ergerlijke is misschien nog wel dat Jezus de scheiding ongedaan maakt tussen ons soort mensen en de zondaars van deze wereld. Want aan God doen, waar doen we dat dan nog voor?

Ja, het is waar. De Zoon van God wordt in het evangelie het eerst herkend door de bezetenen. En dat zijn wij. God zij dank zijn wij dat zelf! Want hij is het die ons van de bezetenheid geneest. Daar is hij voor gekomen. Voor jou en voor mij, die niet eens wisten dat we bezetenen waren. Verspreid dit nieuws door Stad en Ommeland!

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen

One thought to “Preek van de Week – Zondag 28 januari ’18”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *