Preek van de Week – Zondag 27 november ’16 door ds. Tiemo Meijlink

Jesaja 2, 1 – 5
Matteüs 24, 29 – 44

Gemeente van Jezus Christus,

Komst van de Heer – Adventus Domini in het Latijn. Zo noemen we de periode van vier weken die wij deze week begonnen zijn. Komst van de Heer, en bij komst denken wij aan iets dat komen gaat, aan toekomst, aan iets wat nog uitstaat en ons tegemoetkomt. Wat hebben wij te verwachten van dat komen?

En als het over “verwachten” gaat, dan moet je het ook hebben over je voorbereiden op iets, er opletten of het al komt. In dringende gevallen gebruiken we dan het woord “waakzaam”.

Zo hebben we de verschillende woorden van deze zondag bij elkaar:
–         toekomst, komst van de Heer, Advent!
–         wat hebben wij van die komst, die toekomst te verwachten? Verwachting dus, een woord dat helemaal thuishoort in de adventstijd, en:
–         waakzaamheid met het oog op wat komen gaat. Oplettendheid, kun je ook zeggen, goed de ogen open hebben, opmerkzaam zijn op wat er komt.

In de bijbel worden ons berichten aangereikt over die toekomst. Die berichten zijn verschillend van aard. Ze kunnen hooggestemd zijn, heel positief en licht. Ze kunnen ook dreigend zijn, verontrustend, apocalyptisch. En van die beide soorten hebben we voorbeelden, vandaag. Jesaja 2 is een treffend voorbeeld van een hooggestemd profetisch visioen. Matteus 24 is een typisch voorbeeld van een apocalyptische, dreigende, huiveringwekkende tekst.

In Jesaja wordt gesproken over de tempelberg in Jeruzalem, die niet veel meer is dan een bescheiden heuveltje. Maar dat heuveltje wordt in het visioen van Jesaja hoger dan alle bergen. Tegen alle denken in, tegen alle geografie in, wordt dat heuveltje de hoogste der bergen. En vanaf die hoogste der bergen zal de wet, de Thora, het onderwijs van de Heer worden gegeven aan alle volken der aarde. Moet je je voorstellen: in dat onooglijke landje Juda, een stuk van het oude Israël met zijn kleine hoofdstad Jeruzalem is een bescheiden tempelheuvel, en die tempelheuvel wordt visionair omhooggeheven tot de hoogste berg van de wereld. En alle volkeren, Egypte, Assyrië, Babylonië komen samen bij die berg om Thora te leren, om onderwijs te krijgen in leven, in recht, in vrede. Een visioen grenst aan het onmogelijke!!

Er zal recht gesproken worden vanaf die hoogste der bergen, en machtige naties zullen worden geoordeeld. En wat leren de volkeren der wereld dan uit de Thora? Zij leren de vrede. Zij leren de zwaarden om te smeden tot ploegscharen, en de speren tot snoeimessen. Wapens worden omgesmeed tot vreedzame gereedschappen. De oorlog is niet meer. Zo concreet is dat visioen van Jesaja. Dat is wat zal komen, zegt de profeet, dat zal op ons afkomen, deze werkelijkheid van de God van Israël.

Ja, maar wacht nu even, zou je kunnen zeggen …. hoe lang geleden is dat, dat visioen van Jesaja, en wat is er inmiddels van terechtgekomen? Of moet het nog komen, soms? Dan duurt het wel erg lang, allemaal. Dat zijn de terechte vragen, die we kunnen stellen, juist ook in Adventstijd. Dat koninkrijk van U, komt daar nog wat van? Dat is de vraag die de bekende schrijver Gerard van het Reve ooit zo scherp en eenvoudig onder woorden bracht…… Die vraag past ook ons. Wat te doen met een visioen, wat te verwachten van een profetisch vergezicht? Komt daar ooit wat van?

Je zou ook kunnen vragen: wat te doen zonder een visioen, wat is er te verwachten, te hopen, te verlangen zonder een profetisch vergezicht? En dat is geen handige omkering van de vraag, maar een broodnodig woord dat gesproken moet worden. Wat zouden we moeten, wat zouden we kunnen als we alleen maar een schutting voor ons zagen, een afscheiding die ons het zicht op de toekomst volledig zou ontnemen. Wat zouden we moeten als we alleen maar het cynisme van onze wereld voor ons zouden zien, alleen maar de onverschilligheid van heel veel mensen, alleen maar de conflicten die ons leven zo grondig kunnen bederven, alleen maar ons eigen succes zonder dat anderen daar een rol in spelen. Wat zouden we moeten, wat zouden we kunnen als alleen dat er maar zou zijn, die schutting die ons het vergezicht ontneemt. Dan is het goed dat er een God is die ons gezichten laat zien, die ons openbaart wat in geen mensenhart zou opkomen, en door geen mensenoog gezien zou worden!! En als je het concreet voor ogen wilt hebben, wat dat visioen betekent, dat visioen van de komende vrede: welnu, denk dan maar aan de mensen die zich ooit hebben ingezet voor de oprichting van de Verenigde Naties; zij hebben zich mede door dit visioen laten leiden, door de wereldvrede, die Jesaja hier schetst. Die wereldvrede heeft hen concreet voor ogen gestaan, toen deze volkerenorganisatie van de VN werd opgericht. Zo werkt dat dus, dat visioen van de komende vrede.

In Matteüs gaat het eigenlijk over hetzelfde visionaire geloof als in Jesaja, zij het in meer dreigende woorden, in onheilspellende beelden, in soms huiveringwekkende uitspraken. Wat te denken van die paar zinnen over twee mensen, die op het land zijn: een wordt er meegenomen, de ander wordt achter gelaten, en over twee vrouwen die met de molen aan het malen zijn: een wordt er meegenomen, de ander wordt achtergelaten.

In die paar krachtige zinsneden gaat het om mensen in hun dagelijkse bestaan, mannen en vrouwen die aan het werk zijn, bezig zijn hun dagelijkse brood te verdienen. En de scherpe vraag is: zijn zij in dat dagelijkse werk gespitst op wat er gebeurt, zijn zij waakzaam op wat er beslissend gebeurt in deze wereld, of laten ze zich meeslepen in de gang der dingen, in de sleur van het gewone leven, verdoofd door de vaste gewoonte en de routine, en niet meer alert op wat er eigenlijk aan de orde is in de wereld!?

En waar moet hun waakzaamheid dan op gericht zijn? Kort en goed: op de komst van de Mensenzoon! Het is een oer-israëlitisch woord: de mensenzoon, de zoon van adam, de zoon van de mens van de schepping. Diens teken verschijnt aan de hemel met macht en heerlijkheid. En dat is opnieuw een ongehoorde omkering, die hier onder woorden wordt gebracht. In dit hele stuk van het evangelie wordt gesproken over kosmische grootheden als de zon, de maan, de sterren. Goddelijke verschijnselen waren dat, althans in de wereld der volkeren: ze werden als goddelijke machten vereerd. En er wordt over die machten gezegd: ze zullen wankelen en verduisterd raken. Ze zullen geen licht meer geven.

En temidden van die kosmische machten verschijnt dan de Mensenzoon. Dus niet een andere godheid, niet een concurrerende god die deze kosmische machten opzij zet en vervolgen zelf macht gaat uitoefenen. Nee, de Mensenzoon verschijnt, de zoon van Adam, het kind van de mens van de schepping, zijn teken verschijnt aan de hemel. En dat is veelzeggend, dat is tekenend voor het evangelie, voor de hoop en de verwachting van Israël: terwijl de grote goden van de volkeren ten ondergaan, komt daar de mens tevoorschijn, de zoon des mensen, het kind van de mens die wij in Gods schepping hebben leren kennen, het kind van Adam. Terwijl de machten ten onder gaan, wordt dat kwetsbare wezen aan de hemel gezien, dat kind van Adam. En het is wel zeker dat de nadruk op humaniteit, op menswaardigheid die voor ons zo vanzelfsprekend is geworden – denk aan de mensenrechten, aan de democratie en de rechtsstaat – dat die onze geschiedenis binnen zijn gekomen mede op de vleugels van dit soort visioenen, van dit soort profetische vergezichten uit Israël en uit het evangelie van Jezus Christus.

Dit stuk uit Matteüs is een deel uit de zogenaamde apocalyptische rede van Jezus. Net voordat het eigenlijke lijdensverhaal begint in het evangelie, wordt deze rede, deze apocalyptische preek van Jezus uitgesproken (de rede over de laatste dingen). Apocalyptische uitspraken hebben ook altijd iets van een geheimtaal, een codetaal waarin boodschappen op een verborgen manier werden doorgegeven. Zo is dat ook hier met het teken van de Mensenzoon. De verschijning van dat teken aan de hemel is  een verborgen verwijzing, een gecodeerde verwijzing naar de kruisiging van Jezus: niet voor niets wordt er vermeld in het evangelie, als Jezus gekruisigd is, dat er drie uren van duisternis zijn over het land. De zon verloor daar zijn functie, ging ten onder toen de zoon des mensen gekruisigd werd…. Daar in kruisiging en opstanding van Christus verschijnt dus het teken van de mensenzoon. Daar is onze werkelijkheid aangeraakt door dit teken, daar is het beslissend in onze wereld gekomen! Zo vertelt het evangelie, zij het op een verborgen, gecodeerde wijze. Dus: het is niet alleen iets van de toekomst, het teken van de Mensenzoon. Het is verschenen in Jezus, in zijn kruisiging en opstanding. Daar is dat teken van het kind van Adam bij uitstek aan de orde. En het eindigt dus ook niet in de dood, dat kwetsbare kind van Adam, maar het wordt opgewekt tot een nieuw bestaan. Deze gekruisigde zoon des mensen leeft!

En dan de waakzaamheid, daarmee zijn we begonnen als een van de grondwoorden die in de Adventstijd aan de orde moeten komen. Weest dan waakzaam, want je weet niet op welke dag jullie Heer verschijnt! We zeiden net dat het teken van de Mensenzoon al verschenen is in kruisiging en opstanding van Christus. Maar zelfs daar en toen werd het door velen niet gezien. Het vergt kennelijk een grote oplettendheid om het kind van Adam te zien verschijnen. We leven er maar zo aan voorbij. En dan hebben we het dus niet over een  waakzaamheid die gericht is op een toekomstige spectaculaire verschijning.

Maar we hebben het over een waakzaamheid van alle tijden. Wakker zijn, de ogen open houden voor wat in het teken van de mensenzoon zich aandient, en tegelijk wakker zijn, de ogen openhouden voor alles wat het teken van de mensenzoon teniet doet, voor alles wat de humaniteit bedreigt. Dat is waakzaamheid, en dat vergt een volledige inzet. Waakzaam kun je nooit maar half zijn. Een waakhond, die maar zo nu en dan waaks is, daar heb je niets aan, daar kun je niet op vertrouwen. Hij zou maar net niet opletten als de dief binnenkomt.

Zo is het ook met de waakzaamheid van mensen. De radicaliteit van dat woord over die twee mensen in het veld en die twee vrouwen die aan het malen zijn, gaat over die waakzaamheid. Het zijn gewone dagelijkse activiteiten die daar genoemd worden, maar in die activiteiten zul je oplettend moeten zijn op wat er gebeurt, waakzaam zijn op het kind van Adam dat overal kan verschijnen als teken van menswaardig leven. Dat kan niet half, dat moet helemaal gebeuren, omdat het beslissend is voor het leven hier op aarde, voor het goede leven.

Het gaat dus, als Advent ter sprake komt, om een geesteshouding, een levenshouding van oplettendheid, van waakzaamheid. De ogen open houden voor het teken van de Mensenzoon dat overal aan de orde kan zijn, in de kleine micro-verhoudingen van het persoonlijke leven, en ook in de grote macro-verhoudingen van het politieke leven, en alles daar tussenin: waakzaam zijn met het oog op het kwetsbaar menselijke, dat dat kan gedijen en groeien.

Dat het goede leven ruimte krijgt, dat de aarde der mensen zal bloeien.
Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *