Preek van de Week – Zondag 27 augustus ’17

Genesis 2, 4 – 7
Romeinen 8, 1 . 9 – 11 . 16 – 17 . 22 – 23 . 31 – 39

I
Wat kan een mens zichzelf in de weg zitten. Hebt u daar geen last van, laat dan de woorden aan u voorbijgaan en geniet dit kwartier van de rust en van de ruimte. Het is u meer dan gegund. U weet al wat het is om niet veroordeeld te worden. Door uzelf niet. En niet door anderen. Maar ze zijn er wel, weet ik uit ervaring: mensen die zichzelf in de weg zitten.

Je zet je in voor het goede. Maar het is net alsof de wereld niet meewerkt. Het is water naar de zee dragen. Je spant je in tot het uiterste. Want het mag niet mislukken. Het moet goed worden. Zoals God het wil. Alleen is het net alsof je inspanningen niet gezien worden. Wat doe je verkeerd? Hoe zorg je er voor dat het wel gezien wordt en dat mensen met je mee gaan werken? Zodat het uiteindelijk toch allemaal goed komt. Die machtige conclusie van Paulus, waarmee de lezing uit de brief aan de Romeinen opent, je zou die gelovig willen omarmen: ‘Dus wie in Christus Jezus zijn, worden niet meer veroordeeld.’ (Rom. 8, 1) Je leest de woorden hardop. Je herhaalt ze als een mantra voor jezelf. Maar op een of andere manier blijven de woorden op afstand. Ze willen maar geen evangelie voor jou worden.

Wat kan een mens zichzelf in de weg zitten. Met zijn hoge idealen. Met zijn pogingen om met man en macht de mislukkingen buiten de deur te houden. Man en macht, die combinatie maakt meer dan eens slachtoffers. Zoals bij de terreuraanslagen van jonge mannen. Wat is dat toch? Die wil om een keer boven alles en iedereen uit te torenen in een orgie van geweld? Die macht proeven, ook al is het het laatste wat je proeft. Nooit meer zullen ze om je heen kunnen. Nooit meer zal je mislukken. Je bent hen ontsnapt. Je bent dit hele gemankeerde leven ontsnapt.

Wie wil er in een adem met hen worden genoemd? Met die twintigjarige neofascist uit Charlottesville. Met die zeventienjarige jongens uit een onopvallend plaatsje, even boven Barcelona. We weten niet hoe snel we ze de rug toe moeten keren. Vreselijk vinden we zoiets. En vreselijk is het.

Toch komen we niet van zulke gasten af door onze vuisten te ballen en hogere straffen te eisen. En we komen ook niet van ze af door cultureel, moreel of gelovig ver boven ze te gaan staan. Want op het moment dat je het een of het ander doet, ontken je die innerlijke tegenstrijdigheid in je eigen leven. De wil om gezien te worden. Telkens als die open zenuw wordt aangeraakt, krimp je ineen. Je wilt het een en je bereikt het ander. Je wilt jezelf kloppend krijgen, maar het lukt je niet. ‘Wie helpt me er van af?,’ roept Paulus ten einde raad. Iedereen gelukkig willen maken, maar de vreugde en ontspanning zelf niet kunnen vinden. Alles voor God over hebben, maar God nergens meer kunnen vinden. Hoe harder je werkt, hoe meer het je ontglipt. Hoe meer je je bewijzen wilt, hoe eenzamer je je voelt. Ja, wie helpt me er van af, van die gek makende wetmatigheid? ‘God zij gedankt, door Jezus Christus onze Heer,’ juicht Paulus boven zijn eigen wanhoop uit (Rom. 7, 25).

II
‘Dus wie in Christus Jezus zijn, worden niet meer veroordeeld.’ Het klinkt als een klaroenstoot, maar het lijkt net alsof er een geluidsdichte wand zit tussen Paulus en jou. Wat zou je graag willen dat het waar was. Dat het meer is dan een vrome quote. Wat zou je graag willen dat je het niet meer nodig hebt anderen te veroordelen om jezelf beter te voelen. Wat zou je graag ophouden om anderen te pleasen, omdat je jezelf niet goed genoeg vindt. Je zou met Paulus in Christus Jezus willen zijn, ook al weet je niet precies wat dat inhoudt. Maar om met Paulus en met de mensen om je heen en, God weet, met heel de wereld die geluidsdichte wand aan gruzelementen te zien gaan, zodat horen en zien je vergaat, dat zou wat zijn. Dat je daar dan staat in gemeenschap met jan en alleman en dat het dan resoneert in jou en tussen jou en al die anderen: ‘Dus wie in Christus Jezus zijn, worden niet meer veroordeeld.’ Dat zou wat zijn! Wat een lucht. Wat een ruimte.

Hoewel. Wie staan daar allemaal om je heen? En wil je daar wel bij horen? Stel je voor dat die loser van twintig daar ook staat met zijn nazisympathieën en zijn poging tot doodslag. Maar ook het andere wil je niet, dat Paulus alleen de kerk op het oog heeft, die precies weet wie er wel en wie er niet bij hoort. Want die kerk is de jouwe niet meer. Wat dat laatste betreft kan ik u gerust stellen: Dat is Paulus’ kerk nooit geweest. Een leven lang is hij niet bij gekomen van zijn roeping, onderweg naar Damascus. Nooit is hij gewend geraakt aan zijn zending. Als hij er bij mag horen met zijn verleden als fanatieke bestrijder van de Jezusbeweging; als de levende Heer hem zelf gekozen heeft als instrument om zijn naam uit te dragen onder Joden en Grieken, wie zou er dan niet bij mogen horen?

Misschien is dat toch wel een groter probleem voor ons, dat er te veel om je heen staan van wie je denkt: ‘Dat had nou ook weer niet gehoeven.’ Onze kerkgemeenschappen roepen om het hardst dat ze open zijn en dat iedereen welkom is. Maar ik ken er wel een paar (en ook wel meer dan een paar) die u er echt niet bij wilt hebben omdat ze niet in het malletje passen dat u in gedachten had toen u ‘Welkom!’ riep. Ze moeten niet het feestje van ons kent ons komen verstieren. En omdat die mensen dat van een afstand ruiken, proberen ze het niet eens. Stel je voor dat ze ons op ons woord zouden geloven, dat bij Christus iedereen welkom is, dat zou me een heisa geven.

III
Je mag toch hopen dat er enige vorm van screening is in de kerk. Jawel, die is er. ‘Iemand die zich niet laat leiden door de Geest van Christus behoort Christus ook niet toe,’ (Rom. 8, 9) lezen we. Maar wat is dan die Geest van Christus? Humaan, liberaal, betrokken. Onze geest in topvorm, laten we maar zeggen. Zonder onze uitglijders. Aan zoiets denken we dan toch? Maar wat doet Paulus daar dan? Dat misbaksel, zoals hij zichzelf ergens noemt. Uitglijder bij uitstek. Die geradicaliseerde jonge gast. Al onze mooie eigenschappen, geniet er van. Maar ze zijn niet de kern waar het om draait.

De Geest van Christus. Dat is zijn zuchten aan het kruis. (Geest en adem is één en hetzelfde). Dat is zijn roepen: ‘Mijn God, mijn God, waarom heb je mij verlaten?’ Dat is het geven van de Geest. Niet het hebben van de Geest, maar het geven. Je laten leiden door die Geest, dat is alle geruststellende antwoorden achter je laten. Het is zijn nabijheid ervaren in de mislukking, in jouw gebrokenheid. Het is zijn stem verstaan, waar je oorverdovend op je gezicht gegaan bent. En dan op mogen staan. Zoals Paulus dat heeft ervaren, onderweg naar Damascus.

Wie wil zich door die Geest laten leiden, als je nog genoeg bij te zetten hebt? Als het je nog prima lukt om te doen alsof er niets aan het handje is? Als je nog liever je tong afbijt dan jezelf in je kwetsbaarheid uit te leveren aan de zorg en de aandacht van een ander? De reëel bestaande kerk is niet per definitie de plek waar mensen zich laten leiden door de Geest van Christus.

IV
De hele schepping zucht en lijdt, zegt Paulus. En wij doen mee. Ook niet echt een visitekaartje voor de kerk. Een beetje zwaar en moeizaam klinkt het wel. Als de kerk nou een ontsnappingsroute in de aanbieding had, weg uit de sores, dan zou ze misschien binnen kunnen lopen. Maar nee, de Geest van Christus zucht als een vrouw in barensweeën. Ze zucht met heel de schepping mee. Zo wordt de hemel op aarde geleefd. In dat zuchten. Omdat er geen andere drijfveer achter zit dan de liefde van God in Christus Jezus. Weten dat je opgezocht wordt terwijl je aan de grond zit. Ervaren dat het zuchten van God zich verbindt met jouw zuchten. Dat er niets meer is om je voor te schamen of om weg te kijken bij jezelf omdat je voortaan van Christus bent.

Dat zit ook in het verhaal van de schepping van de mens uit Genesis 2. Daar is dat zuchten van God het leidend principe. Heel de schepping begint daar. Als scheppen natuur maken is, dan slaat dat natuurlijk nergens op. Dan begin je niet met het zuchten van God om de mens. Dan begin je met de oerknal, met dode materie om via het ontstaan van eencellig leven in het slotakkoord van het scheppingslied de mens aan het licht te zien komen.

Maar schepping is niet het maken van natuur. Schepping is liefde vorm geven en uitleven, ook al is het zuchten. En daarom begint het verhaal met de schepping van de mens uit stof. Alles is stof. De hoogste cultuur en de mooiste natuur. Alles is stof. De grote successen, de mooiste mensen, de meest inspirerende leiders zijn stof. Het christendom is stof. Alle wereldgodsdiensten zijn stof. Hun eeuwige waarheden zijn stof.

Er is maar één ding dat ons doet opstaan uit het stof en dat het waard is om hemelhoog te bezingen. Dat is het zuchten van God om ons. Dat is het ademen in onze neus terwijl wij aan de grond zitten. Dat is de oerknal van Gods schepping. Zijn liefde is de grond waarop wij staan. Terwijl wij dachten nergens meer te zijn. Paulus zegt het zo: ‘Ik ben ervan overtuigd dat dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, heden noch toekomst, hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die hij ons gegeven heeft in Christus Jezus, onze Heer.’ (Rom. 8, 38 – 39)

V
Laten we in die liefde ademen. Niet de liefde waarmaken. Maar er in en er uit leven. En waar we het vergeten omdat de druk wel heel erg groot is om je te onderscheiden, daar hebben we elkaar en heel de schepping om ons opnieuw te binnen te brengen de liefde van God in Christus Jezus. In geen mal laten we ons meer duwen. Geen goddelijk keurmerk laten we ons meer opdringen. We zullen niet meer zuchten om ons tekort. We zullen ons hoofd niet meer schudden over de ander. We zuchten voortaan alleen nog het zuchten van Gods liefde. Tot de nieuwe wereld daar is, waarin zijn liefde regel is.

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.