Preek van de Week – Zondag 26 maart ’17

Zacharia 8, 19 – 23
Johannes 6, 1 – 15

I Als de liturgie een krant zou zijn, dan zou de kop vandaag luiden: ‘Verheug je en juich!’ Deze oproep van de profeet Jesaja omlijst de psalm van deze zondag: ‘Hoe sprong mijn hart hoog op in mij, toen men mij zeide: ‘Gord u aan om naar des Heren huis te gaan.. Jeruzalem dat ik bemin, wij treden uwe poorten in.’ (Ps. 122)

Midden in de 40dagentijd hoor ik de pauken en trompetten uit het openingskoor van Bachs Weihnachtsoratorium: ‘Jauchzet, frohlocket!’ (‘Juich en jubel!’) Dat is natuurlijk wel heel erg buiten de paaltjes van het liturgisch jaar. Maar wat kan het schelen? Het zelfde geldt  immers ook voor deze 4e zondag in de 40dagentijd. Hoezo vasten? Het vasten wordt tot vrolijkheid en vreugde, zegt de profeet Zacharia. En op een plek waar geen picknicktafel te bekennen is, worden in het evangelie vijfduizend man uitgenodigd om aan te schuiven en het zich goed te laten smaken. Dit is zondag ‘Laetare!’ (‘Verheug je!’) Het is een vreugde die je overvalt. Midden in de lijdenstijd. Van Pasen weet je dat het komen gaat. De kalender weet wanneer het zover is. Nog drie weken vasten. Dan mag de kurk eraf! Hou vol, nog maar een paar etappes. Dan heb je de tocht volbracht. Maar deze dag is anders. Hier kon je je niet op voorbereiden. Jeruzalem komt naar jou toe. Pasen kon niet wachten. God wil bij jou zijn. Jij, met de blaren aan je voeten en de rafels aan je ziel. ‘Verheug je!’

II
Het wonder dat zich voltrekt met de vijf gerstebroden en de twee visjes, die een jochie bij zich heeft, is van die  orde. We worden door de toekomst ingehaald. En ja, dat kan niet. Want vandaag is vandaag en morgen moet nog komen. Dat is de juiste volgorde. Je kunt je vandaag wel voorbereiden op de dag van morgen. Maar dat de dag van morgen ons vandaag komt verrassen, dat is feitelijk onmogelijk. Net zo onmogelijk als het is om met tweehonderd keer het dagloon van een landarbeider vijfduizend man van een maaltijd te voorzien. En nog onmogelijker is het om met vijf gerstebroden en twee visjes een picknick te organiseren voor zo veel mensen.

Alle vier de evangeliën kennen het wonder van de broodvermenigvuldiging. Matteüs en Marcus zelfs twee keer. Dus moesten we er wel wat mee. En ja hoor, het is bijbeluitleggers gelukt om er een plausibele verklaring voor te vinden. En die gaat als volgt: Achter de verschillende versies van het verhaal, gaat een gebeurtenis schuil waarbij Jezus begon met het delen van wat voorhanden was. Anderen in de mensenmassa lieten zich daardoor inspireren. Ze keken wat ze zelf nog in hun zakken hadden en deelden dat met de mensen om hen heen. Zo ging dat verder. Het werd een groot feest van eten en delen. En raad eens wat? Er bleek genoeg voor iedereen. En zelfs meer dan dat.

Dat is toch een mooie verklaring, nietwaar? Bevrijd van alle hocuspocus. En met een boodschap waar een mens weinig op tegen kan hebben: Als we maar leren delen, dan wordt het leven vanzelf een feest. Zo ben je ook af van die rare omkering, dat de toekomst je inhaalt en Jeruzalem naar jou toe komt. Niks daarvan: In de 40dagentijd oefen je je in vasten en leer je samen delen. En dan komt Pasen er vanzelf. De toekomst maak je samen. Halleluja!

III
Wordt u blij van zo’n verklaring? Opgelucht misschien, omdat het wonder je niet langer lastig valt. Maar blij? Terwijl het dat toch is waar alle vier de evangelisten op uit zijn: ‘Luister en verheug je!’  Elk vertelt een ander verhaal. De blijde boodschap van Jezus Christus laat zich niet vangen in één versie. Laat staan dat die zich vangen laat in de zogenaamde feiten. U mag alle gebeurtenissen in de evangeliën met een korreltje zout nemen, behalve de vreugde die alles uit haar voegen doet barsten. Pasen haalt je in. Pasen neemt een loopje met de feiten. Pasen geeft je grond onder de voeten, die er nog niet was. Het vloertje voor de hemel hoef je zelf niet te leggen.

De evangelist Johannes vertelt zijn eigen versie van het wonder. Dat jochie met de vijf gerstebroden en de twee visjes kom je niet tegen in de verhalen van Matteüs, Marcus en Lucas. Over hem straks meer. Want het grootste verschil is toch wel dat Johannes een directe link legt tussen het wonder en het Heilig Avondmaal. Hij gebruikt letterlijk het woord eucharistie. Dat is niet toevallig. Heel hoofdstuk 6 zit vol verwijzingen daarnaar: ‘Ik ben het brood dat leven geeft.’ (Joh. 6, 48) ‘Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik blijf in hem’ (Joh. 6, 56). En dat klinkt allemaal in de slipstream van het wonder.

Door het delen van de broden en de visjes rechtstreeks te betrekken op het uitgeven en wegschenken van zichzelf, volstaat de uitleg niet van een inspirerende picknick waarbij mensen het beste in elkaar naar boven halen. Daar is op zich niks mis mee. Er kunnen niet genoeg van zulke feestjes zijn: Mensen, die samen delen. Mensen van goede wil. Maar dat is niet de kern van wat Johannes zeggen wil.

In de andere evangeliën is nog sprake van urgentie. De avond valt. De honger knaagt. Het is te laat om de mensen voor zichzelf te laten zorgen. Alleen een wonder kan hen redden. Maar bij Johannes is daarvan geen sprake. Jezus is hot. Hij is de wonderdoener. Daar komen ze op af. Wie weet wat hij vandaag weer laat zien? De dag is nog maar net begonnen. Van honger is geen sprake. En toch richt hij een maaltijd aan. Het gaat hier duidelijk om meer dan brood alleen.

‘Ik ben het brood dat leven geeft,’ zegt Jezus. Hij komt er mee en is het ongevraagd: brood dat leven geeft. Johannes is het evangelie van de ‘Ik ben’ – uitspraken. ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven.’ ‘Ik ben het licht voor de wereld.’ ‘Ik ben de ware wijnstok.’ ‘Ik ben de goede herder.’ ‘Ik ben het levend water.’ En nu vandaag: ‘Ik ben het brood dat leven geeft.’   ‘Ik ben’, dat is de Godsnaam. ‘Ik ben die ik zal zijn voor jou’. Steeds minder een mysterie achter de schermen van de geschiedenis. Steeds meer een geheim dat oplicht in de geschiedenis, in deze mens Jezus. Niet langer een God die de honger stilt vanuit de hoge hemel, zoals toen met het manna voor het volk in de woestijn. Ook geen God die vanuit zijn ontoegankelijk licht zegt hoe het hoort en die verder afhankelijk is van wat wij er hier van maken. Maar een God die zichzelf uitdeelt en wegschenkt: ‘Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik blijf in hem’ (Joh. 6, 56). Iets anders blijft er niet van God over dan zijn gemeente op aarde: Dat is Israël, zijn uitverkoren kind. En dat is de kerk die het Heilig Avondmaal viert. Via Jezus is de kerk met Israël verbonden.

IV
Dan nu het jochie dat in dit evangelie het verhaal binnen wandelt. Het heeft opvallend genoeg geen naam. Die twee leerlingen wel. Filippus, die voor rekent dat tweehonderd denarie nog niet genoeg is om iedereen een klein stukje brood te kunnen geven. En Andreas. Zijn naam betekent: moedig en dapper. Hij ziet dat jochie aankomen en schampert: ‘Huh, vijf broden en twee visjes, wat hebben we daar nu aan?’ Dat jochie is naamloos. Hij is daar helemaal alleen. Geen ouders of verzorger te bekennen. Hij wordt niet aangesproken. Hij heeft niks te zeggen. Maar hij draagt in zijn open handen vijf gerstebroden en twee visjes aan.

Je moet een beetje fantasie hebben om aan te voelen wat er staat te gebeuren. En vooral niet te berekenend zijn. Want daar kan het Koninkrijk Gods niks mee. Wel met de fantasie en de openheid van dit jochie. Elders in het evangelie staat er niet voor niks: ‘Wordt als het kind. Want wie wordt als een kind, die zal het koninkrijk binnengaan.’ (Marcus 10, 15) Tijdens de voorbereiding van deze dienst vertelde een van ons over zijn neefje, die met Sinterklaas een pijl en boog had gekregen van € 7,50. Hij was daar zo verguld mee, dat in zijn klas de andere kinderen zich om hem en zijn pijl en boog heen verzamelden. Ook de jongens die een drone hadden gekregen. Het is die fantasie en onbevangenheid, die bergen kan verzetten.

Als God ons in Jezus tegemoet komt; als Pasen niet kan wachten; als de dag van morgen ons vandaag komt verrassen, dan vindt het in die fantasie en in die onbevangenheid van een kind een dankbaar ankerpunt in deze wereld. En met wat fantasie: Let op hoe, om dat jochie met de broden en de vissen heen, een groene weide zichtbaar wordt. Met ruimte genoeg voor vijfduizend man om door de knieën te gaan en het levend brood uit de hand van Jezus te ontvangen. Voorbij aan al het moeten en het willen kunnen. Al die baasjes boven baas tot één gemeente gesmeed. De gemeente van Hem die zichzelf uitdeelt en wegschenkt. Ziedaar: een nieuwe schepping.

V
Niet langer hoeven wij het te maken. Niet langer hoeven we met een boog om het kind in onszelf heen te lopen. Niet langer hoeven we ons er voor te schamen dat we als kerk de koppen van de kranten niet meer halen. En dat wij niet wijzer zijn, maar echt geloven dat de toekomst ons inhaalt, elke dag opnieuw, laat dat vooral zo blijven. Houd dat dwarse erin. Durf tegen de stroom in te leven. Met de nodige fantasie. En laat de vreugde zich meester van u maken, elke keer opnieuw als wij het brood voor elkaar breken en de wijn aan elkaar doorgeven. Laetare! Verheug je! En vergeet niet er van uit te delen. Want echt, het kan niet op!

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.