Preek van de Week – Zondag 26 april ’20

door ds. Tirtsa Liefting en ds. Evert Jan Veldman

Exodus 16:28 – 17:7

I
Vorige week hoorde we nog van Thomas die bij de aanblik van de wonden van Jezus vertrouwde en geloofde dat het waar was. En nog maar een paar hoofdstukken geleden prees het volk God na de bevrijding van de Egyptenaren en de doortocht door de Rode Zee. Er staat dat ze ontzag kregen voor de Heer en hun vertrouwen stelde in hem en zijn dienaar Mozes.

En werkt dat niet regelmatig zo, dat vertrouwen ontstaat als een respons. Beschaamd moet ik bekennen dat ik op vakantie vaak eerst mijn zusje van de rotsen in het water liet springen voordat ik zelf het vertrouwen had om te springen. Hetzelfde geldt voor veel situaties. Wanneer we een film willen zien, kijken we vaak eerst naar de recensies. En als een collega of studiegenoot altijd goed werk levert zijn we eerder geneigd samen te werken.

Maar in het verhaal van vanochtend worden we erop gewezen dat vertrouwen vaak juist vooraf gaat aan het bewijs, meer nog dat vertrouwen niet zozeer een respons is, maar veel meer een discipline waar we onszelf in kunnen en moeten oefenen.

Je zou zeggen dat de Israëlieten geen enkele reden hadden om te twijfelen na alles wat ze hadden gezien. En toch lezen we verschillende keren dat dat wel gebeurt. De ervaring van gebrek, de twijfel of God wel echt in hun midden is, is op het moment zelf sterker dan de herinnering aan wat hij heeft gedaan en het vertrouwen dat hij niet los laat.  

Dat vertrouwen een oefening is blijkt wel uit die terugkerende herhaling van twijfel, gevolgd door een teken van God. Maar in de tocht door de woestijn en het Manna waar dagelijks precies genoeg van is, lijkt het volk ook geoefend te worden in dat vertrouwen. Vertrouwen op de aanwezigheid van de God die van zichzelf zegt “Ik ben er en ik zal er zijn”.

En zo moeten wij ons ook vaak oefenen in vertrouwen. Terug naar mijn zusje en de rotsen. Uiteindelijk moest ik ook zelf springen om te ontdekken dat het mogelijk was. Ik had genoeg redenen kunnen bedenken om opnieuw te gaan twijfelen. Maar uiteindelijk is het in vertrouwen dat je de stap moet zetten, om vervolgens te gaan merken dat het kan, dat het water je opvangt. Zodat je het de volgende keer met net wat meer vertrouwen nog een keer te probeert.

En zo geldt dat ook voor ons vertrouwen op God, op zijn zorg en aanwezigheid. Ook dat is een oefening. Juist als we het soms niet voelen, of het nog niet zien, worden we opgeroepen in vertrouwen te handelen. Dat is een stap in geloof. Het is de keuze om de Ene in de ogen te kijken, in plaatst van ons te richten op onze omstandigheden of twijfel. Alleen wanneer we beetje bij beetje vertrouwen een kans geven kan het besef ontstaan dat God zich inderdaad niet afzijdig houdt en worden we daadwerkelijk opmerkzaam voor zijn aanwezigheid.

II
Opmerkzaam worden voor Gods aanwezigheid leer je niet door je ogen goed open te houden. En, ja, vertrouwen vraagt om oefening, maar je wordt er nooit een specialist in. Hoe dat zit? Laten we bij het manna beginnen. Dun als rijp en wit als korianderzaad bedekt het ’s morgens de aarde als de dauw optrekt. Met de dauw is het gekomen en als de zon klimt, is het al weg. Een handeltje zit er ook al niet in. Want ook al smaakt het na bereiding voortreffelijk – als bladerdeeg met honing –, je kunt het niet conserveren. En het ter plekke aan de man brengen, gaat ook al niet. Want de ander heeft het ook. Het enige wat je er mee kunt doen, is in de kring gaan zitten en er samen van genieten. Je kijkt elkaar aan. Je hoeft niets te zeggen. Je weet het ook zonder er woord aan te geven: God is in ons midden.

Dit brood dat met de dauw meekomt, krijgt de naam Manna. De naam herinnert aan die eerste morgen dat het de aarde bedekte en zij het zagen. Niet omdat ze opmerkzaam waren. Maar omdat ze er opmerkzaam op gemáákt waren. Door wie? Door God “Ik ben er en ik zal er zijn” Evenmin opzichtig als het manna. Zijn ogen zijn niet groter dan zijn buik, zoals bij de goden van Egypte het geval is. Alles eisen zij op voor zichzelf. En als zij zich groot maken, berg je dan maar, mens. Je verdwijnt in hun schaduw. Opmerkzaam worden op God “Ik ben er en ik zal er zijn”, daarvoor heb je oren nodig om te kunnen horen. Andere oren dan die gewend zijn zich te laten hangen naar de grootste schreeuwerds.

De naam Manna verwijst naar de verwondering van die eerste ochtend dat het daar voor hen klaar lag: “Wat is dat?” Veertig jaar zullen ze het eten, tot ze aan zullen komen in het beloofde land. Daar waar ze zelf zullen kunnen zaaien en oogsten en delen wat de aarde voort zal brengen. Maar ook al laat het Manna zich elke dag vinden als de dauw optrekt, veertig jaren lang, het blijft zijn naam behouden: “Wat is dat?” Nooit wordt het een zekerheidje. Het gaat niet heten “Nou weten we het wel!”. Zelfs niet: “brood uit de hemel” Alsof je ook maar iets zeker kunt weten op je tocht van veertig jaar door de woestijn. Het blijft een vraag: “Wat is dat toch?” En het enige antwoord dat je daarop kunt geven is de verwondering, wanneer je in de kring zit en je de honing proeft die er niet is – nóg niet, en je elkaar aankijkt en je huivert omdat je God in je midden vermoedt.

En dan is er één dag, de zevende , waarop je mag blijven zitten in de kring. Genieten van het eten en van elkaar. Rusten in de schaduw. En je stilletjes afvragen: “Hoe is dit in Godsnaam mogelijk?” Ook zo oefen je vertrouwen. Eén dag waarop je rusten mag en doen alsof je al bent aangekomen op je bestemming. En dat elke week opnieuw. Om de moed niet te verliezen. Om de belofte aan jou gedaan levend te houden. Want de belofte kan zichzelf niet verdedigen. Ze heeft jouw vertrouwen nodig.     

III
Genieten, je aan de verwondering over geven, het lukt lang niet altijd. Jezus roept op in een van zijn onderwijzingen om te veranderen en te worden als een kind. ‘Worden als een kind’, zit dat misschien in die overgave aan verwondering? Als kind kon ik eindeloos op mijn rug in het gras liggen om te kijken naar de blaadjes aan de bomen, naar de wolken die voorbij gingen, en ontstonden er in mijn fantasie allerlei nieuwe werelden. Want waar we als volwassen vaak al snel leeuwen of beren op de weg zien, of de twijfel ons tegen houdt, lijkt voor kinderen weinig te groot of te wonderlijk te zijn.

Ons overgeven aan die verwondering dat vraagt om vertrouwen, net zoals een kind dat kan. Maar in die verwondering wordt het vertrouwen ook gevoed. Net zoals dat voor de Sabbat geldt, de zevende dag. Het vraagt om durf om te stoppen, om te gaan zitten, te rusten én om echt stil te worden.

Maar in die stilte krijgt God de ruimte om met zijn rust in de storm van onze gedachten te komen, als een genadevolle onderbreking van de zorgen en vragen die ons hoofd kunnen vullen. In de rust en in de stilte ontstaat de verwachtingsvolle hoop op Gods belofte en de verwondering over zijn niet aflatende aanwezigheid. Het zijn de rust en de stilte die ruimte maken voor Gods Geest, die ons hart vervult met een onvoorwaardelijke liefde.

IV
De rust en de stilte vallen velen van ons zwaar in deze tijd vol beperkende maatregelen. Hoe groot is niet het verlangen om los te gaan, om aan te pakken, om je in de drukte te begeven? Je kunt er bijna naar verlangen om te moeten staan in de bus, onderweg naar het station. ‘Ik zou zo graag weer wat kunnen willen doen,’ zei een oudere dame deze week tegen mij. Ze mag thuis geen gasten ontvangen en mag het terrein van de zorginstelling niet af. Rust en stilte die je tegen de muren op doen vliegen in plaats van jou in de ruimte zetten.

Komt de economie deze verplichte sabbatsrust weer te boven? Belooft deze periode ook wat? Of is het slechts de straf op de mondiale uitputtingsslag waarin we elkaar gegijzeld hielden, terwijl we het vrijheid en vooruitgang noemden? Omdat we alleen de zekerheid van gisteren hebben, verlangen we er net zo hard naar terug als het volk Israël terug verlangde naar de vleespotten van Egypte.

Wat is dit waar we met elkaar in verzeild geraakt zijn? ‘Manna – Wat is dit?’ Het voelt als woestijn zonder paaltjes die een uitgestippelde route aangeven. God, laat het waar zijn dat u onze reisgenoot bent. Een die ons bewaart voor het heilig verklaren van het recente verleden. Een die ons thuis zal brengen langs ongekende wegen. Wij kijken elkaar aan, ook al zien we elkaar nu niet. Omdat we elkaar niet met de ogen kunnen zien, doen we het met het hart. En we zeggen: ‘God, we geloven er in! Kom ons ongeloof te hulp.’

Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.