Preek van de week – zondag 25 september

Genesis 28, 10 – 22
Lucas 16, 19 – 31

I
Een van de meesters op mijn basisschool kon heel mooi vertellen. We hingen aan zijn lippen. Bijbelse geschiedenis, Vaderlandse geschiedenis: het was een pot nat en het was mooi. God, Vaderland en Oranje. Prins Bernard, koning David, Willem van Oranje, Simson. Ze liepen nog net niet door elkaar in de verhalen die ons werden verteld. Maar het scheelde niet veel. Het waren onze helden. En God stond aan de goede kant, namelijk: de onze.

Vorige week vrijdag was ik bij de presentatie van een boekje, getiteld: ‘Sporen van het slavernijverleden in Groningen’, een gids met wandel- en fietsroutes langs plaatsen in Groningen die herinneren aan dit verleden. Een aantal Nederlanders met Surinaamse en Antilliaanse wortels vertelden over hun familiegeschiedenis. Ze vertelden wat de meester op mijn basisschool had verzwegen. Ons slavernijverleden was blijkbaar niet belangrijk genoeg geweest. Of het was te ongemakkelijk om te vertellen. Want, ja, houd je  eigen straatje maar eens schoon met zo’n geschiedenis. Wij waren toch de goeien, met God aan onze kant? Dat schema doet vandaag nog steeds zijn werk: alle ellende komt van elders. De bedreigingen komen van buitenaf. Gooi de grenzen dicht. Koester je identiteit. Bescherm de goede naam.

II
In de verhalen over aartsvader Jakob liggen de kaarten anders. Hij is niet de held, niet de Vader des Vaderlands, die een eind maakt aan al het kwaad dat zijn volk bedreigt. En goed kun je hem ook niet echt noemen. Daarvoor heeft hij te veel nare trekjes en haalt hij streken uit waar je je plaatsvervangend voor schaamt. Als Israël de verhalen vertelt aan de kinderen, komen de vragen vanzelf: ‘Is dat nou onze aartsvader?’ ‘Leuk hoor om te moeten zeggen: ik ben er een van Jakob!’

Maar luisteren naar deze verhalen helpt wel om alle ellende in de wereld niet buiten jezelf te zoeken en buiten de eigen kring. Misschien leer je al luisterend naar de donkere kanten van jezelf te kijken, zonder er van in paniek te raken. Spelenderwijs leren zeggen: ‘Oké, dat ben ik ook. Hoe zorg ik ervoor dat die donkere kanten het leven niet te zeer verduisteren? Dat van mezelf niet en dat van anderen niet.’ Wel zo fijn voor die anderen, dat zij niet worden opgezadeld met het donker waar jij geen raad mee weet. Zij hebben immers ook genoeg te stellen met zichzelf. Dat is ook het gevaar van het verheerlijken van de eigen cultuur. Iets dat vandaag opnieuw op de loer ligt. Alles wat schuurt en krast en tegen zit ligt dan aan de achterlijke cultuur van hen, die tussen ons zijn komen wonen. Zij hebben het gedaan! Zij zijn het donker. Wij zijn het licht.

III
In het verhaal van vandaag komt Jakob aan op een plaats waar hij bleef overnachten. ‘Omdat de zon was ondergegaan,’ voegt de verteller er aan toe. Het valt op omdat de verteller een reis van maanden samenvat in een verhaal dat een nacht beslaat. Tientallen keren komt de zon op en gaat zij onder tijdens deze voettocht, zou je zeggen. Waarom moet dit er in als er niet eens bijstaat dat het een prachtige zonsondergang was? Nou, omdat het daar niet over gaat. Het gaat over het donker van de hele onderneming. Het gaat over het donker dat Jakob thuis heeft achter gelaten en dat hij probeert te ontvluchten: de verstoorde relaties in het gezin, de ontgoocheling van de blinde vader die zich bedrogen weet door zijn jongste zoon, de haat van zijn tweelingbroer jegens hem. Het gaat over het donker dat Jakob in zich meedraagt. Het kleeft aan hem. Het zit in hem. En geen zonsopgang die dat donker kan verdrijven. ‘Is dat nou onze aartsvader, pappa?’ ‘Ja jongen, dat is onze aartsvader.’

Waar ging het ook al weer om? Het ging om het recht van de eerstgeborene. De bewaker van de eigen cultuur. De erfgenaam van een dubbel deel van het familiebezit. Drager van de zegen, die voorspoed belooft en goddelijke bijstand. Zo was het altijd geweest. Zo zou het altijd zijn. De eerstgeborene: de uitverkorene. Tot de aanstaande moeder, met twee rivalen in haar schoot, de stem hoort die zegt: ‘Twee volken zijn er in je schoot. Het ene zal machtiger zijn. De oudste zal de jongste dienen.’ (Gen. 25,23) De omkering van alle dingen: ‘De oudste zal de jongste dienen’. Maar ze heeft het goed gehoord. Om dit onmogelijke mogelijk te maken, heeft Jakob de zegen aan zijn blinde vader ontfutseld, met zijn moeder als regisseur.

IV
God hoort bij hoe het hoort, zou je toch zeggen. De oudste draagt de zegen. Daar zou zelfs God niet aan moeten morrelen. God is de sluitsteen in het gewelf van de kathedraal van normen en waarden. Zonder God en onze traditie wordt het een zootje, zeggen veel gelovigen. God staat voor het mooie en het goede, voor het oude en vertrouwde. Hij is een bondgenoot voor alle mensen van goede wil. ‘Waren alle mensen maar zoals wij, dan was er geen oorlog in de wereld en geen honger,’ zei ooit de moeder van een vriendje van me in mijn geboortedorp. Ze zei hardop wat anderen dachten. Het is me bij gebleven omdat het zo’n aantrekkelijke gedachte was – het donker daar, het licht hier. Maar het is me ook bij gebleven  omdat ik als kind wel voelde dat het niet kon kloppen. Ook toen al, toen ik nog niks wist van ons slavernijverleden, toen ik nog dacht dat bijna heel Nederland in de oorlog in het verzet had gezeten, op een paar landverraders na. Met God aan onze kant.

‘Waren alle mensen maar zoals wij…’ Dat zal Jakob niet gedacht hebben toen hij een steen pakte om zijn hoofd op te kunnen leggen voor de nacht. Daar lig je dan stik alleen terwijl het licht in je leven is uitgegaan. En er is niemand die je daarvan de schuld kunt geven. Heel het gezin ligt uit elkaar. Het donker is niet daar, het is hier. Je weet niet waar je het zoeken moet. Je weet niet eens waar je bent. Het is een duister oord in het verhaal, een plek die geen naam mag hebben. En God? Als God hoort bij hoe het hoort, als God houdt van het licht, als God staat voor het mooie en het goede, dan heeft hij hier niets te zoeken.

En toch. Jakob droomt. Als hij straks wakker wordt op die onbestemde plek, is hij ontdaan.  ‘‘Dit is zeker,’ zei hij, ‘op deze plaats is de HEER aanwezig. Dat besefte ik niet.’ Eerbied vervulde hem. ‘Wat een ontzagwekkende plaats is dit,’ zei hij’ (Gen. 28, 16 e.v.) God blijkt daar te zijn waar hij volgens ons niets te zoeken heeft. Tussen de scherven van ons leven. Op de vluchtroute van de mens. Op een plek zonder kerk, zonder normen en waarden. Een duister oord waar de mens mag hopen dat hij de nacht zal overleven. Daar laat God zich zien. Hoe anders is God dan wij hem meenden te kennen!

Jakob ziet een ladder die op de aarde staat en helemaal tot de hemel reikt. Het woord ‘ladder’ of ‘trap’ komt van een werkwoord dat kan betekenen: ‘een weg banen door de rotzooi’. Engelen gaan er langs omhoog en dalen er langs af. De hemel maakt vieze handen. Ze banen zich een weg door de rotzooi omhoog en ze dalen er in af. God hoort niet bij hoe het hoort. Hij komt bij Jakob staan, bij de mens die neerligt in het stof. De hemel is geen afgesloten resort voor engelen en heiligen. De hemel zoekt de verbinding met het stof, met het verscheurde leven. Net zo lang tot er geen ‘wij’ en ‘zij’ meer bestaan. Het dorp en de kerk die zich een vooruitgeschoven post van de hemel op aarde wanen, de verdedigers van de identiteit, de hoeders van de normen en waarden, zij die zeggen: ‘Waren alle mensen maar zoals wij, dan was er geen oorlog in de wereld en geen honger’,  zij vergissen zich schromelijk in zichzelf. Maar zij vergissen zich ook in God. Zij menen van alles over hem te weten, of wat er nog van God over is, maar zij durven niet te kijken naar hun eigen donkere kanten, naar de schaduwzijde van de eigen cultuur. Daar waar je het woord ‘God’ niet eens meer in de mond durft te nemen, anders dan in een vloek om alles wat aan scherven ligt. En nogmaals: niet buiten jouw schuld om. Laat God daar nu naast ons komt staan.

V
De zegen die Jakob thuis aan zijn blinde vader had ontfutseld, wordt bevestigd in de droom. Dat is moeilijk te vatten. Wordt Jakob niet beloond voor het bedrog en de ravage die hij heeft aangericht? Laat die vraag maar open. Wat blijft is de omkering van alle dingen: ‘De oudste zal de jongste dienen’. Het is de logica van deze God, waarin alles wat vanzelf sprak niet meer geldig is. Er is geen hemel meer die een streepje voor heeft op de aarde. Er is geen God meer die de sluitsteen is van het gewelf  van de kathedraal van de kosmos. Er is er Een die naast de mens staat, die neerligt in het stof. Die mens draagt de zegen.

De zegen in de droom heeft ook een andere kleur dan de zegen die Jakob aan zijn blinde vader had ontfutseld. Die zegen was bezit. Die zegen sloot anderen uit. Die zegen beloofde voorspoed voor ‘wij’ tegenover ‘zij’. Maar de zegen in de droom gaat niet over bezit dat anderen uitsluit. De zegen sluit anderen in: ‘Met jou en je nageslacht zullen alle volken op aarde gezegend worden.’ Het nageslacht van Jakob zal niet bestaan uit helden en heiligen. Het zal zijn als het stof van de aarde. Daaruit zijn we gemaakt, zegt het tweede scheppingsverhaal: waardeloos spul dat van waarde wordt als er iemand van je houdt, als er Iemand naast jou komt staan tussen de scherven van je leven. ‘Jij zult je uitbreiden naar alle windstreken, Jakob,’ zegt God in de droom. Dat is iets anders dan de gebiedsuitbreiding van ‘wij’ ten koste van ‘zij’. ‘Nee, jij bent mijn gave aan de wereld: Kwetsbaar, onvolmaakt, maar geliefd en niet bang voor de donkere kanten van jezelf en van anderen. Zo zal het zijn.’

[VI
Nog kort over het evangelieverhaal: de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus. Lazarus ligt als vader Jakob in het vuil bij de straat. Het is een verhaal vol omkeringen. Niet de rijke man heeft een naam, maar de arme Lazarus. Zij naam betekent: ‘Hij die door God geholpen wordt.’  Daar was bitter weinig van te merken. En toch was dat zijn naam. In de omkering van alle dingen: ‘De oudste zal de jongste dienen’, is Lazarus de jongste en de rijke man de oudste. Er komt een dag dat de wereld zich zal bekeren tot de armsten van de mensen. Tot die dag is er een hemel die hen bewaren zal, zoals ook in de droom van Jakob.]

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *