Preek van de Week – Zondag 25 november ’18

Deuteronomium 26, 1 – 11
Marcus 13, 14 – 27

I
Wij haken nog een keer aan bij de serie Martinidiensten over duurzaamheid. Vandaag gaat het om de vraag welke wereld wij nalaten aan onze kinderen en kleinkinderen, aan de komende generaties. Een actuele vraag, die bij de voorbereiding van deze dienst de koppies net zo deed hangen als vroeger bij een themadienst over zonde en schuld. Met alleen een optimistisch verhaal over het menselijk kunnen en over de technische vooruitgang, neem je de ongerustheid niet weg. Zijn we niet te laat? We hebben gefaald in het tijdig delen van de vruchten van de vooruitgang. En de tijd ontbreekt om het overgrote deel van de wereld de welvaart te gunnen, die we aan deze kant van de wereld al lang voor onszelf hebben opgeëist. Zo’n inhaalslag gaat ons allemaal de kop kosten, omdat die de draagkracht van de aarde te boven gaat.

Daags na de voorbereiding stond in Trouw de strip met Anton Dingeman over groene stress. U bent die vast al tegengekomen in uw liturgieboekje. Gun jezelf de lach bij het kijken in die spiegel. De lach is nodig naast de ernst en de grote bezorgdheid over hoe het verder zal gaan met deze wereld. Het is met de lach net als met het geloof. Ze poetst de levensgrote vragen niet weg en is er ook geen sluitend antwoord op. Maar ze houdt ons bij het leven. Ze gunt ons de tijd om de lach ook aan elkaar te laten zien en niet te wanhopen. Gods Woord, dat ons hier samen brengt, is daarbij een lamp voor onze voet, zegt de psalmdichter. Een stormlamp in een onherbergzaam landschap. Verder dan een paar stappen vooruit kunnen we niet kijken. Maar met het licht is het net als met de lach, het is sterk genoeg om te zien dat je niet alleen loopt. In dat licht wandelen wij samen. Kome wat komt.

II
Als het vandaag om de vraag gaat welke wereld wij nalaten aan onze kinderen, dan valt in de lezing uit Deuteronomium in ieder geval die dolende stamvader op. Als de priester de schaal met de eerste vruchten van de oogst uit jouw handen aanneemt en voor het altaar neerzet, dan moet jij hardop zeggen (en ik citeer nu even de Naardense Bijbel): ‘een verloren Arameeër was mijn vader; hij daalde af naar Egypte en was daar zwerver-te-gast met maar weinig maten; de Ene zag onze onderdrukking en deed ons wegtrekken uit Egypte. Hij deed ons komen in dit land dat overvloeit van melk en honing. Hier zijn de eerste vruchten van de aarde. U hebt mij die gegeven.’

Zo doen de kinderen van Israël dat, als ze aangekomen zijn in het land dat de Eeuwige hen heeft beloofd. Nooit gedacht dat er een toekomst voor hen zou zijn. Nooit kunnen dromen, dit land waarin ze mogen wonen en werken en rusten. Door de Ene zelf aan hen in bruikleen gegeven. Ja, dat zou wat zijn, als onze kinderen en kleinkinderen en hun generaties mee mogen doen in dit verhaal. Dat zij bij de kinderen van Israël geteld mogen worden. Dat zij wonen mogen in een land dat niet in het water verdwijnt en waarin het niet vechten is om er te mogen zijn. Stel dat dit verhaal over het land dat overvloeit van melk en honing, het antwoord mag zijn op onze vraag welke wereld wij hen nalaten. Stel dat dit verhaal alle prognoses en statistieken in de schaduw zal stellen. Wat zou dat een opluchting en een vreugde geven!

Maar dan moeten we het verhaal nu al gaan vertellen. Dan zouden wij moeten beginnen met onszelf hier te spiegelen aan die dolende Arameeër, die vader van al die mensenkinderen. Wat hebben wij met hem gemeen? Ja, en over wie gaat het hier eigenlijk? Wie is hij? Hij is Abraham, die zijn geboortegrond verliet, zonder te weten waar hij uit zou komen. Een stem riep hem weg van de gebaande paden. En die dolende Arameeër is Izak, die ternauwernood ter wereld kwam en het leven vond. En het bijna weer kwijt raakte. Izak die door hongersnood gedwongen werd om af te dalen naar Egypte. Net als ooit zijn vader. En die dolende Arameeër is Jacob, die in hun spoor moest gaan en net als Abraham en Izak zwerver-te-gast werd in Egypte. De appel valt nu eenmaal niet ver van de boom.

En precies dat spiegelen aan deze aartsvaders lukt ons niet. Tenminste verreweg de meesten van ons niet. Daar ligt een hobbel van je welste om in dit verhaal te kunnen kruipen. Het lukt onze broeders Metkelawi en Nasser Shahi, die tot in hun vezels weten wat het is om te dolen en zwerver-te-gast te zijn. Het antwoord op de vraag wat voor wereld wij nalaten aan onze kinderen en kleinkinderen, is niet te geven zonder de tijd te nemen om te luisteren naar hun verhalen. Verhalen over vluchten en wanhopen, over vertrouwen vinden en geloof dat er een thuis zal zijn. Geloven dat de komende generaties mogen delen in de belofte aan de kinderen van Israël; vertrouwen dat er een toekomst is waarop we niet langer klakkeloos kunnen rekenen; dat geloven en vertrouwen worden gevoed door hun verwondering dat ze er nog zijn – deze zwervers-te-gast. Ónze kinderen zijn hún kinderen. In Bijbelse zin zijn die twee onlosmakelijk aan elkaar gelinkt.

Dat moet nog bij ons indalen. We denken nog te vaak dat onze goede wil de bouwstenen zijn voor de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen. Maar die toekomst is niet maakbaar. De aartsvader van Gods toekomst is een dolende Arameeër, niet een model ondernemer. Geloof hechten aan het verhaal van vanmorgen begint niet bij onze hoofdbrekens, maar bij het luisteren naar de ervaringen van Metkelawi en Nasser Shahi. En opnieuw naar de wereld leren kijken, bevrijd van bezitsdrift en alles op een rijtje moeten hebben.

Onze kinderen zullen delen van hun welvaart en ruimte maken voor de ander, die mens is als zij. Niet omdat onze kinderen een haar beter zullen zijn dan wij – al gun ik dat de wereld graag. Maar wel omdat ze zullen weten dat er geen toekomst zal zijn zonder de levenskunst van het delen en het ruimte maken voor elkaar. Ze zullen zeggen: ‘Onze vaders waren bepaald geen zwervers-te-gast en ze waren er misschien zelfs wel bang voor. Ze hebben, langer dan goed voor hen was, vastgehouden aan waar ze meenden recht op te hebben: hun vaderland, hun verworvenheden, hun eigendom. Maar nooit zijn ze los gekomen van die dolende Arameeër – van Abraham, van Izak en van Jacob. Ze hebben ons de verhalen verteld. Ze hebben ons Jezus bijgebracht, van wie gezegd wordt dat hij geen steen had om zijn hoofd op te ruste te leggen. Ze hebben zich er blijvend lastig door laten vallen. En dat telt ook. Omdat in die verhalen en in deze Jezus een God aandringt, die de toekomst open houdt.

III
Wat ons als geloofsgemeenschap in de eerste plaats te doen staat, is onszelf en Stad (in díe volgorde) lastig blijven vallen met deze Bijbelse verhalen. We zijn er niet om het geloof in God te promoten of zijn bestaan te bewijzen. We zijn er om deze Bijbelse verhalen verder te vertellen, er in te kruipen en ons er over te verwonderen dat we ze nog gaan geloven ook. Nog meer dan zonnepanelen te leggen op de daken van onze kerken en onze huizen, is dat onze bijdrage aan een bewoonbare wereld voor de komende generaties.

Wat zou het wat zijn als we bij de collecte in de dienst zouden gaan staan als de schaal / collectezak voorbij komt en zouden zeggen: ‘Een dolende Arameeër was mijn vader. Jezus was er een van hem. En ik dus ook. Dat ik er ben is een wonder. Kijk hier, dit is wat u mij hebt gegeven, God. Ik geef het u terug. Zodat er leven is voor de zwerver-te-gast en voor de gemeenschap waar deze verhalen blijvend worden verteld.’ Een collecte in deze vorm zou even kunnen duren. Maar het is wel een manier om je deze verhalen in te prenten. Wennen er aan zullen we namelijk nooit. Ja, zoiets kost tijd. Net als het luisteren naar de levensverhalen van Metkelawi of Nasser Shahi. Maar het zou wel eens een goede remedie kunnen zijn tegen de groene stress uit de strip van Anton Dingeman.

Laten we wandelen in het licht dat vanuit de verhalen voor onze voet op ons pad valt. Kome wat komt.

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *