Preek van de Week – Zondag 25 februari 2018

1 Koningen 19, 9 – 18
Marcus 9, 2 – 10

De hoge berg uit het evangelie laat zich door Google Maps niet vinden. ‘Het moet de berg Tabor geweest zijn, die in het noorden van Israël uit de vlakte oprijst.’ Dat zeggen gelovigen die overal hun vinger op willen kunnen leggen. Zelf ben ik daar niet zo van. De hoge berg uit het evangelie verwijst vooral naar andere verhalen over de bijzondere godservaringen van Mozes en Elia, in het bergland van de Sinaï. Dit verhaal laat zich niet los lezen van de verhalen over Mozes en Elia. Daar was de kerk al heel vroeg achter. Vandaar ook de profetenlezing uit 1 Koningen 19 naast het evangelie van de verheerlijking op de berg uit Marcus.

Maar er is nog een reden dat Google Maps de hoge berg uit het evangelie niet weet te vinden. Je moet er namelijk wel kunnen komen, ook als je het geld niet hebt voor een reis naar het Heilige Land. Het moet ook jouw berg kunnen worden. Veel mensen hunkeren naar zo’n topervaring waarin je tot grote hoogte wordt getild. Alles wordt er licht. De storm van onrust, die je ’s nachts wakker houdt, gaat plotseling liggen. De vraag of God wel bestaat is geen vraag meer. Want je weet je omgeven van achteren en van voren, boven je en onder je. Mensen zoeken hartstochtelijk toegang tot zo’n ervaring.

Dat verklaart ook de aantrekkingskracht van monumentale kerken. Afgelopen zondagmiddag was er in deze kerk de maandelijkse Evensong. De bezoekers komen niet voor de gemeenschap, maar voor de sfeer van heiligheid die de Engelse liturgie en de kerkruimte in een subtiel samenspel weten te creëren. Het zonlicht dat door de ramen valt wordt meer dan zonlicht. De geoefende stemmen van mensen wordt tot engelenzang. De koormantels en het orgel van de Nieuwe Kerk doen de rest. Elke keer als de lofverheffing klinkt op Vader, Zoon en heilige Geest, gaan de mensen staan. Zo klimmen ze samen, maar vooral ook in zichzelf gekeerd, tot grote hoogte. En op de top is er een uur lang jezelf geborgen weten.

Niet iedereen houdt daarvan. Er zijn ook andere manieren om toegang te krijgen tot zo’n ervaring. Ieder doet het op eigen wijze. Want dat is wel iets van deze tijd. Je moet het zelf organiseren. Je moet je eigen manier vinden om even uit de maalstroom te stappen. De een gaat naar de Evensong, de ander gaat naar Yoga. En weer iemand anders heeft thuis haar eigen meditatiehoekje om mindfulness te oefenen of bij het licht van een kaars het morgengebed te bidden.

Paul had zijn eigen manier om de hoge berg te beklimmen. In de jaren dat hij dakloos door Groningen zwierf, ging hij van tijd tot tijd midden op de Vismarkt staan. Dan keek hij omhoog naar de hemel. Net zo lang tot alle drukte en beweging om hem heen, hem niet langer stoorden. Door omhoog te kijken naar de lucht en de vogels, beklom hij zijn berg. Tot er niets meer was dat tussen de hemel en hem in stond. Dan voelde hij de kou in zijn botten niet meer. Dan verdwenen de zorgen over waar te zullen overnachten en hoe het verder moest met hem.

II
Wat is het verschil tussen de religieuze topervaring, die je zelf moet zoeken, en de berg waar Jezus je mee naar omhoog leidt? Ik zou zeggen: het ontsnappingsgevaar. Hoe verschillend religieuze topervaringen ook kunnen zijn, of je nu naar de Evensong gaat of het in de natuur zoekt, of je nu midden op de Vismarkt gaat staan om omhoog te kijken of in de lotushouding kruipt met je ogen dicht, je wilt weg uit de maalstroom. Je bent nuchter genoeg om te weten dat je straks gewoon weer de alledaagse sores binnen stapt. Maar nu is het even tijd om je ziel vol te zuigen met adem van gene zijde. Je zoekt voor even die hogere sferen op om daarna de werkelijkheid van alledag zo goed mogelijk aan te kunnen. God associeer je met licht en met het uitzonderlijke. In het alledaagse gelden andere wetten. Die van ‘druk, druk, druk’ en de verplichting om te slagen in het leven. Om zo goed mogelijk aan die verplichting te kunnen voldoen, zoekt een mens de rust in het religieuze.

We vinden daarbij Petrus aan onze kant. ‘Hoe goed is het om hier te zijn,’ zegt hij, als op de top van de berg Jezus verandert van gedaante en zijn kleren een hemelse glans krijgen. En als Mozes en Elia aan hen verschijnen, niet gehinderd door de wetten van het hier en nu. Alsof ze niet van gisteren zijn. Alles komt hier samen: de Thora, de Profeten en het Evangelie. Alles valt op zijn plek. Dit is een feestje dat niet lang genoeg kan duren. ‘Laten we drie tenten opzetten, een voor jou, Jezus, een voor Mozes en een voor Elia,’ zegt Petrus. Zodat wij de tijd krijgen om het in ons op te nemen en het mee te kunnen dragen als het leven straks weer tegen zit. En tegelijk weet Petrus dat het zo niet werkt. Hij weet gewoon niet wat hij zeggen moet, staat er. Maar het zou zo mooi zijn om deze hemelse ervaring voor eeuwig vast te kunnen houden. Want hier beneden is er zo veel dat ons bij de handen afbreekt. Wie wil daar nou niet aan ontsnappen?

Maar gaat dit stukje evangelie wel over ontsnappen? Is dit de blijde boodschap, dat je soms even met de rug naar de wereld op adem kunt komen in hemelse sferen? Nou, dan komen we er in het evangelie karig van af. We moeten wachten tot de Paasmorgen vóór er weer iemand in smetteloos wit aan ons verschijnt. En van God horen we helemaal niks meer. Geen stem die uit de wolken klinkt: ‘Dit is mijn geliefd Kind!’ Nee, wat ons bij blijft is dat mensenkind dat tevergeefs tot God bidt: ‘Abba Vader, neem deze beker van mij weg!’ en dat even later in doodsnood schreeuwt vanaf het kruis in zijn moerstaal: ‘Mijn God, mijn God, waarom heb je mij verlaten?’ Een zo’n ervaring op de top van de berg is niet genoeg om dit te kunnen verdragen.

Misschien wil dit stukje evangelie geen vluchtheuvel zijn in een wereld die verder zonder God is. Misschien wil het ons iets laten zien van wat in het alledaags gemodder verborgen gaat. Die kleren, die zo helder wit gaan glanzen, zijn geen zondagse kleren. Het zijn de alledaagse kleren waarin Jezus tegen de klippen op mensen in hun nood vastgrijpt, aanraakt, in zijn armen sluit en met hen het brood deelt. Hij draagt geen hemelse kleding. Door wat hij doet en zegt, gaat alles glanzen. De hemel zit niet met de rug naar de wereld. Ze gaat pas glanzen waar ze haar liefde voor deze geschonden wereld laat zien. Er bestaat helemaal geen hemel buiten die liefde om. En wij maar zoeken naar het hogere. Wij maar hunkeren naar de topervaring. En teleurgesteld achter blijven, waar anderen het licht schijnbaar wel hebben gezien. Of dat nu hier is in de kerk tijdens de Evensong, of tijdens de yogaoefening onder leiding van de ervaren leraar.

Dat vind ik persoonlijk ook zo mooi aan het verhaal over Elia. Niet alleen dat God alle machtsvertoon heeft afgelegd, die er nog wel was bij de wedstrijd met de Baälpriesters op de berg Karmel. Met alle verschrikkelijke gevolgen van dien. We kunnen niet voorbij kijken aan de slachting die Elia aanricht onder de Baälpriesters omdat hun God niet thuis gaf tijdens het armpje drukken met de God van Elia. Nu is God niet meer te vinden in de stormwind die bergen verscheurt en rotsen stuk breekt. Alsof God zich geneert voor het machtsvertoon op de berg Karmel. Daarom, ook in de aardbeving: niet God. En in het vuur: niet God. Nee, in de fluistering van de wind, stiller dan stil, hoort Elia het woord van de HEER: ‘Elia, wat doe je hier?’ Vergis ik me, of klinkt er in de stilte een lichte verbazing mee: ‘Elia, wat doe je hier?’ Zo ver weg van waar je roeping ligt. Tussen de mensen. Ook als die je tegen vallen.

III
Het verhaal van de verheerlijking van Jezus op de berg staat in het midden van het Marcusevangelie. Alles loopt er niet op uit. Dit is het eindpunt niet. Er is een weg omhoog. Maar ook een weg naar beneden. Wat ons vanmorgen overkomt met Petrus, Jacobus en Johannes, is een dimensie van ons alledaagse leven. Het beklimmen van de berg is niets anders dan toch maar die weg te gaan waar we als een berg tegen opzien. Er is geen God die nog corrigeert of van zich doet horen. Alles wat God te zeggen had, heeft hij gezegd: ‘Dit is mijn geliefd kind, luister naar hem!’ Deze, die niet wegloopt voor het menselijk falen. Deze, die geen rotsen kan breken, maar wel wachten kan tot hij alles doorvoeld heeft wat een mens mee kan maken aan rottigheid en domme pech. Deze, die alles omarmt wat jij het liefst wilde ontvluchten. Hij is voortaan de plek waar de hemel van zich doet horen en alles in een ander licht zet. Niet alleen hem. Ook jou.

Ik wil tot slot nog een keer pleiten voor deze Nieuwe Kerk als de berg van de verheerlijking. Niet omdat het licht zo mooi door deze ramen kan vallen tijdens de Evensong en mensen hier even op adem kunnen komen. Dat mag ook. Niets menselijks is ons vreemd. Maar meer nog omdat dit een plek is waar een gemeenschap samen komt om brood en wijn uit de hand van Christus te ontvangen. Met het gezicht naar elkaar en naar de wereld toe, deelt hij zichzelf aan ons uit. En zijn gebroken lichaam begint te glanzen op een wijze, die God en de engelen niet kunnen evenaren. Vluchten hoeft niet meer. ‘En wij allen,’ zegt de apostel Paulus, ‘die met onbedekt gezicht de luister van de Heer aanschouwen, zullen meer en meer door de Geest van de Heer naar de luister van dat beeld worden veranderd.’ (2 Korintiërs 3 vers 18)

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *