Preek van de Week – Zondag 24 maart ’19

Exodus 6, 2 – 6
Lucas 13, 1 – 9

I
Gedoopt worden. Het is toch om het er Spaans benauwd van te krijgen. Door de diepte gaan. Ademnood ervaren. Wat dat betreft is de liturgische kleur voor de 40dagentijd wel toepasselijk. Paars loop je aan als dopeling. Wat doen we onze kinderen eigenlijk aan? Alle hormonen roepen: ‘Zorg goed voor ze. Koester ze.’ En dwars daar tegenin laten we ze los in het doopwater. Dit is de wereld waarin je geboren bent. Dit is de aarde waaruit je gemaakt bent. Dit zijn de tranen, die ik niet voor jou kan drogen. O ja, ik zal voor jou door het vuur gaan. Ik zal van je houden. Ik zal voor je vechten. Maar de schijn van veiligheid zal ik voor jou niet hoog houden. Ik kijk er naar uit om je sprookjes te kunnen vertellen, maar niet het sprookje dat jou niks kan overkomen. Of het sprookje dat jij een engeltje bent. Jij bent een mensenkind en ik je moeder, ik je vader. Er is van alles loos met ons. Daar is geen kruid tegen gewassen. Alleen de liefde weet er raad mee.

Zo laten we je los in het water, in de diepte. En we roepen heel hard: ‘God! In godsnaam…!’ Om niets anders over te houden dan zijn liefde die alle verstand te boven gaat. Liefde waarin je ademen mag. De doop ligt niet in het verlengde van de krentewegge en de rammelaar en het zelf gebreide mutsje. Met liefde gemaakt, met zorg uitgekozen. Om te vieren dat jij voortaan bij ons hoort. Want hoe welkom ben je! We zouden willen dat de doop Gods cadeautje voor jou zou zijn. En dat, als wij het uitpakken, wij zeker weten dat jou voortaan niks kan gebeuren. Omdat God bij ons hoort.

II
Maar wij weten wel dat het zo niet werkt. Wie is er nooit eens opgeschrikt door ziekte of ongeluk in zijn binnenste kring? En hoe dicht onder de oppervlakte ligt dan de vraag: ‘Wat heb ik misdaan, dat dit mij overkomt?’ Zeker als onheil je kind treft. Paniek! Alles heb je over voor je kind. Met de firewall van liefde bescherm je het. En dan toch. Met je hoofd had je besloten nooit meer zo’n vraag te stellen: ‘Wat heb ik misdaan, dat dit mij overkomt?’ Want je had al lang besloten dat God liefde was. Maar je hoofd kan nog zo veel besluiten, je lijf kan ook schreeuwen. En als dat gebeurt is er geen houden aan.

Zo komen er ontdaan een paar bij Jezus. Ze hebben gehoord wat de hoogste gezagsdrager Pilatus in Jeruzalem gedaan heeft met een aantal Galileeërs. Mensen net als zijzelf. Hoe hij hen heeft af laten slachten op verdenking van terrorisme, terwijl zij in de tempel waren om te offeren. Tenminste dat zeiden ze. Pilatus heeft hun bloed vermengd met dat van de offerdieren die ze net hadden gekocht voor het feest. Het zal je broer maar wezen! Of je kind. En je hoort ze denken: ‘Als ik daar nou net was geweest, had het mij dan ook kunnen overkomen? Of is het geen toeval dat het hen is overkomen en niet mij? Zit er een bedoeling achter?’

Ze stellen de vraag niet. Tenminste niet hardop. Daarvoor is de huiver te groot. Met God en het lot valt niet te spotten. Ze vertellen alleen wat ze hebben gehoord. Maar Jezus hoort de vraag achter de huiver. En hij gaat er niet bepaald omzichtig mee om. ‘Denken jullie dat die Galileeërs grotere zondaars waren dan alle andere Galileeërs, omdat ze dat ondergaan hebben? Zeker niet, zeg ik jullie, maar als jullie niet tot inkeer komen, zul je allemaal op dezelfde wijze omkomen.’ (Lucas 13, 2 e.v.) En alsof deze gebeurtenis alleen al niet erg genoeg is, brengt Jezus nog een ander recent drama in herinnering en herhaalt hij nog eens zijn antwoord: ‘Of die achttien die stierven doordat de Siloamtoren op hen viel – denken jullie dat zij schuldiger waren dan alle andere mensen die in Jeruzalem wonen? Zeker niet, zeg ik jullie, maar als jullie niet tot inkeer komen, zul je allemaal net zo sterven als zij.’

III
Jezus brengt de beide drama’s niet met God in verband. Daarom doet hij er ook niet geheimzinnig over. O ja, hij snapt de huiver over het onheil. En dat het angstig dichtbij komt als je het uit de eerste hand hebt: familieleden, dorpsgenoten, een vriend van een vriend en daar weer een zoon van. Maar God brengt hij er niet mee in verband. God is blijkbaar niet de beschermer, die net op tijd de juiste verdedigingslinie tegen het kwaad heeft gekozen, namelijk die van jou. En God is het ook niet die in zijn onnaspeurbare wijsheid heeft toegelaten dat er zoiets verschrikkelijks kan gebeuren. Laat staan dat het uit zijn koker kwam.

Maar wat bedoelt Jezus dan wel als hij tot twee keer toe zegt: ‘Als jullie niet tot inkeer komen, zul je allemaal net zo sterven als zij.’? Eerst zeggen: ‘Zij zijn geen grotere zondaars dan jij. Zeker niet.’ En daarna zeggen dat zonder inkeer en omkeer iedereen er aan gaat. Tot wie moeten wij ons keren van Jezus? Tot God toch? En als we dat niet doen en er allemaal aan gaan, dan heeft God daar dan toch ook de hand in? Het is altijd hetzelfde met religie. Net als bij een verzekeringspolis moet je niet vergeten de kleine lettertjes te lezen. Want achter de mooie woorden over liefde en genade gaan dingen schuil, die je zomaar onverhoeds in de rug kunnen aanvallen. Komt daar de huiver niet vandaan, waar gelovige mensen nog wel eens last van hebben? Je denkt dat je er mee afgerekend hebt, maar hij steekt zomaar ineens weer de kop op.

IV
Wat Jezus bedoelt met inkeer en omkeer, vertelt hij in de gelijkenis van de vijgenboom. Het verhaal maakt gebruik van wat er over de vijgenboom staat in de boeken van Mozes. De vijgenboom hoort bij het beloofde land, waar ze naar onderweg zijn. Het ligt nog vóór ze. Ze hebben nog nooit een vijg gegeten uit de eigen boomgaard. De vanzelfsprekendheid dat de grond van hen is, kennen ze niet. Uit ervaring weten ze wat er gebeurt als mensen de aarde en haar vruchten opeisen als hun eigendom. Hoe het anderen ontzegd wordt om er in te delen. Want zij waren zelf die anderen in Egypte. Zij kennen de religie, die om het eigendom is heen gebouwd. Zij weten hoe de zucht naar gewin en de angst voor verlies in de religie kan kruipen. Hoe dat in de ziel van de goden is gaan zitten, die gehoorzaamheid eisen. Gehoorzaamheid aan hun macht. Gehoorzaamheid aan hun grillen, geboren uit hun angst om uit hun hemel te vallen.

Daar tegenover plaatst Mozes het geduld: het geduld met de aarde, het geduld met het plukken van de vruchten, het geduld met jezelf om te groeien in medemenselijkheid. Om gehoor te geven aan de stem van die Ene, die niet bang is om uit zijn hemel te vallen. Omdat hij die al achter zich gelaten heeft om met zijn mensen te trekken door water en woestijn naar het beloofde land. In het boek Leviticus lezen we: ‘Wanneer jullie eenmaal in het land zijn dat ik je zal geven en je daar vruchtbomen plant, moet je de eerste vruchten laten hangen. De eerste drie jaar moet je de vruchten laten hangen en mag je er niet van eten. In het vierde jaar moeten jullie alle vruchten tijdens een dankfeest aan de HEER afstaan (Lees: aan de landloze tempeldienaren en aan de weduwen en wezen). In het vijfde jaar mag je de vruchten eten. De opbrengst zal des te groter zijn. Ik ben de HEER, jullie God.’ (Leviticus 19 vers 23 e.v.) Heb geduld! Laat de tijd lang mogen duren.

De eigenaar van de wijngaard in het verhaal van Jezus, met die jonge vijgenboom erin, is God, de Ene. Al drie jaar komt hij kijken. Maar tevergeefs. Geen vijg te vinden. Het is tijd voor het dankfeest. Zodat de landloze tempeldienaren met de wezen en weduwen kunnen delen in wat de aarde voortbrengt. Maar de boom is leeg. We hadden geen geduld, God. We waren je voor. We grepen terug op wat we gewend waren te zien in Egypte: Pakken wat je pakken kunt. Geen geduld om te groeien in de droom, die het beloofde land in zich draagt. Voor je het weet is het óns land geworden  en hebben we God, de Ene, terug verwezen naar de hemel om daar onze belangen te behartigen. Net als in Egypte.

‘Hak die boom maar om, want hij dient tot niets en put alleen de grond uit,’ zegt de eigenaar tegen de tuinman. Maar de tuinman durft de eigenaar tegen te spreken. We zijn hier tenslotte niet in Egypte. ‘Heer, laat hem ook dit jaar nog met rust, tot ik de grond eromheen heb omgespit en hem mest heb gegeven, misschien zal hij dan het komende jaar vrucht dragen..’  Alsof Jezus zegt tegen zijn Vader: ‘Laat mij je liefde leven. Gun haar de tijd om hun harten te veroveren. Zodat ze inzien dat de vruchten niet bestemd zijn om omgetoverd te worden tot eigendom, maar om gedeeld te worden.’

Dat is de inkeer en de omkeer, die Jezus voor ogen heeft. Als deze liefde het niet wint, dan zijn we aan de goden overgeleverd. Met hun permanente angst dat er aan de poten van hun tronen wordt gezaagd. De angst van Pilatus, die op een gruwelijke manier slachtoffers maakt. Met hun onwil om verantwoordelijkheid te nemen voor hun ondeugdelijke bouwsels en het op het conto van de goden schuiven als de boel instort en dodelijke slachtoffers maakt.

V
Als wij onze kinderen ten doop houden, zeggen wij: Wij gunnen jullie een andere wereld dan die waarin we zelf verstrikt zijn geraakt. Ook wij zijn bang geworden om te verliezen wat hier allemaal is opgebouwd en waar we recht op menen te hebben – onze welvaart, onze vrijheid, onze veiligheid. En ook wij kijken de andere kant op, als het ons beter uitkomt, om de illusie hoog te houden dat we de meest fatsoenlijke mensen zijn die er op aarde te vinden zijn.

Kinderen, wij geven jullie prijs aan de diepte in het vertrouwen dat daar Iemand op ons wacht die alle macht en glorie heeft afgelegd en louter liefde is geworden. Wij laten jullie los zonder de garantie dat het allemaal wel goed komt. Maar met het vertrouwen dat nergens anders op gestoeld is dan op de verhalen die hier worden verteld: dat er een oever is aan de andere kant van de diepte, waar liefde het gewonnen heeft van de angst. In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.