Preek van de Week – Zondag 23 februari ’20

Exodus 2, 11 – 25

I
Janne weet aan wie ze haar naam te danken heeft: aan opa Jan, de vader van Mathilde en aan oudoom Jan, de oom van Coos die jong is overleden. Mensen met een verhaal en een gezicht. Welkom in de kring van familie, Janne! En dat geldt evenzeer voor Anne-Jet. Door Anne-Wim, de broer van Berteke, werd ze hier binnen gedragen. Ook Anne-Jet hoeft het niet alleen te doen. Ze heeft er nog twee namen bij gekregen. Janny, naar Jitske’s zus en Gerdine naar Berteke’s oudste zus. Twee vrouwen, aan elke kant van haar één. Hoe zou je om moeten vallen?

Hoe anders is dat voor Gersom, de zoon van Sippora en Mozes. In zijn naam zit het woord vreemdeling of asielzoeker. Want, heeft Mozes gezegd, ‘een geer, een zwerver-te-gast ben ik geworden in een land dat mij vreemd is’ (vers 22). Daar ben je als kind mooi klaar mee. Geen naam die jou stevig neerzet in de lijn van de geslachten. Geen plek waar jij thuis hoort. Een naam, waarin de pijn en het gemis van je vader vervat is. En die moet jíj dragen. Laat je ouders maar vast een afspraak voor je maken bij de psycholoog.

Ja, die vader van jou is me er één – Mozes! Met die naam is ook al wat loos. Die naam is ons in de kerk zo vertrouwd, dat we dat niet meer horen. Maar Mozes is eigenlijk maar een halve naam. Het is een Jansen zonder Jan. ‘Zoon van…’ betekent die naam. Of: ‘Geboren uit…’ Wil je wat voor stellen, dan heet je bijvoorbeeld Ramses –  d.i. Zoon van Ra, de Zonnegod. Of Toetmoses – d.i. geboren uit Toth, de Maangod. Zoon van wie ben jij, Mozes? Je biologische ouders konden niet voor je zorgen. Ze wilden wel, ze konden niet. Jij mocht er niet zijn. Van anderen niet. Van de autoriteiten niet, die bepaald hadden dat elk jongetje van jouw soort verdronken moest worden in de heilige rivier de Nijl.

Je moeder heeft je afgestaan. Net als de man die ik ken, die als klein kindje door zijn moeder aan het verzet werd meegegeven, omdat zijn huilen vroeg of laat het onderduikadres zou verraden. Van dezelfde soort als Mozes. En met een zelfde scheur in zijn bestaan. Zo een die nooit meer heelt. Mozes, ‘Zoon van…’. Ja, van wie? Ja, je hebt het gered. En meer dan dat. Je bent zelfs opgegroeid aan het hof van de hoogste macht in Egypte. Omdat de dochter van Farao je uit het water van de Nijl gevist heeft, uit het arkje waarin jouw biologische moeder jou in de rietkraag had gezet. En omdat je grote zus de moed en de slimheid bezat om jouw moeder en de Egyptische prinses aan elkaar te koppelen. Mozes, ‘Zoon van…’. Nou, in ieder geval alvast van deze drie vrouwen. Ja, je hebt het gered. Dankzij hen. Maar wat een opgave om met dit in je rugzak gezond volwassen te worden.

II
Mozes, van wie ben jij er één? Het antwoord op die vraag staat nog uit. Hij is groot geworden aan het hof. Geadopteerd door de dochter van Farao. Aan haar heeft hij zijn leven te danken. En dus is hij een Egyptenaar. Maar hij voelt zich aangetrokken tot de Hebreeuwse slaven. Alsof het zijn zussen en broers zijn. En dat zijn ze ook. Hij wéét het, ook als niemand het hem verteld heeft. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. ‘Hij trekt uit naar zijn broeders en ziet waarmee zij worden belast.’ (vers 11) Hij komt niet gewoon eens kijken. Hij trekt uit. Mozes maakt zijn eigen exodus. Hij scheurt zich los uit wat hem zo vertrouwd geworden is: zijn Egyptische opvoeding, zijn bevoorrechte positie. Hij ziet waarmee zijn Hebreeuwse zussen en broers worden belast. Ik zeg het er maar even bij. Want ook aan het hof heeft hij zussen en broers. Maar dan anders.

Ja, Mozes, van wie ben jij er één? Dan neemt hij een besluit. Dít zijn mijn zussen en broers. Hier hoor ik bij. Bij dit slavenvolk. Maar ja, zo werkt het natuurlijk niet. Een mens kan wel besluiten bij een volk te horen. Maar daarmee is de scheur niet weg, die dwars door je heen loopt, als je van het één en van het ander bent. Waardoor je vaker dan eens het gevoel hebt nergens bij te horen. Mozes forceert een breuk. En hij kan niet meer terug.

Aanvankelijk denkt hij nog van wel. Hij ziet een Egyptische man een Hebreeuwse man slaan. Een van zijn broeders, zegt het verhaal. Het woord ‘slaan’ behelst meer dan een pak slaag. Het is het leven er uit slaan. Letterlijk. De ander is een ding waarmee je doen kunt wat je wilt. Een ‘untermensch’. Mozes grijpt in. Hij kijkt om zich heen: Geen man, die recht kan zetten. Geen man, die kan getuigen dat dit systeem niet deugt. ‘Man’ is een sleutelwoord in de lezing van vanmorgen. Samen met het woord ‘zien’. Als er geen man is, die recht kan zetten; als er geen man is, die ziet wat er loos is, dan zal Mozes die man zijn. Hij slaat de Egyptische man dood en verbergt hem in het zand. Alleen wie de luxe heeft om de toeschouwer te spelen, zal vanuit de kerkbank Mozes hierom veroordelen.

De volgende dag maakt Mozes opnieuw zijn Exodus. Het is de dag waarop hij niet terug zal kunnen keren. Twee Hebreeërs zijn aan het matten. Een ander woord dan ‘slaan’. Mozes ziet het en trekt partij voor degene die onrecht wordt aangedaan. ‘Wie heeft jou aangesteld tot man, vorst en rechter over ons?,’ vraagt de minst onmachtige van de twee. ‘Om mij te vermoorden zeg jij dat zeker, zoals je de Egyptenaar hebt vermoord!’  De man houdt hem de spiegel voor. Je gedraagt je als iemand die boven ons staat. Je bent één van hen, man! Niet van ons.

Dat is het moment dat Mozes vreemdeling wordt. Balanceren op het koord van enerzijds anderzijds gaat niet meer. En niemand die hem op zal vangen. Niet aan de ene kant. Niet aan de andere kant. Er valt niets meer te kiezen. Die uittocht uit het Egyptische hof naar de leefwereld van de Hebreeuwse slaven had nog iets heroïsch. Nu wacht de woestijn. Vóór Mozes de Egyptische man dood sloeg, had hij om zich heen gekeken. Er was geen man. Geen getuige. En hij had goed gekeken. Maar hij had gekeken met zijn Egyptische ogen; met de ogen van iemand die het voor het zeggen heeft. Dat het gezien was door de Hebreeuwse slaven, dat had hij niet gezien. Met hen werd niet gerekend. Ook wanneer jij denkt dat jij radicaal kiest voor mensen, die geen kant op kunnen, kan het zo maar zijn dat je niet met hen rekent; dat jij voor hen denkt; dat zij de speeltjes worden van jouw uitmuntende solidariteit. Ingewikkeld is dat hè? Maar misschien ook wel herkenbaar.

III
Mozes, van wie ben jij er één? Voorlopig ben ik er een van de woestijn. De woestijn is een plek van leven bij de dag en leven op het randje. Ze biedt geen garantie dat er ook morgen brood zal zijn en een plek om te kunnen schuilen. De woestijn is de plek waar de tijd lang mag duren. Veertig dagen en veertig nachten. Veertig jaren. Een tijd van wachten op antwoorden die tot je moeten komen. Je hebt ze niet meer voorhanden. In de woestijn ben je aangewezen op elkaar. Ze is het eind van alle maakbaarheid.

Wat niet wil zeggen dat er niets gebeurt. Ook waar niemand zeggen kan: ‘Dit is míjn land. Hier hoor ik thuis’, worden er kinderen geboren. Mozes wordt in de woestijn van man tot vader. Wat niet het zelfde is, getuige de naam die hij zijn eerstgeborene geeft: Gersom – ‘een geer, een zwerver-te-gast ben ik geworden in een land dat mij vreemd is.’  De man, die boven anderen gesteld is, is niet meer.

Die naam blijft haken. Wat is jóuw identiteit? Weet je dat nog? Als mensen roepen: ‘Ik voel me een vreemde in mijn eigen land!’, verwoorden ze de pijn van verlies van wat vertrouwd en duidelijk was. Al dat vreemde volk dat hier rond loopt! En je hebt met al die veranderingen zo veel te stellen, dat je geen energie over hebt om te ontdekken dat het voor die ander die zo anders is ook geldt. En misschien nog wel sterker: ‘een zwerver-te-gast ben ik geworden in een land dat mij vreemd is.’ En ook al krijgen Janne en Anne-Jet een stevige basis mee, dit is waar ook zij mee zullen moeten leren dealen.

De mannetjes gaan het niet redden. Ze doen wel alsof op hun apenrots. Het is de hoop dat we er niet in trappen. Ook niet in onze eigen mooie verhalen en de beste bedoelingen. Woensdag begint de Veertigdagentijd. We trekken in het spoor van Jezus de woestijn in. Allemaal symboliek. Natuurlijk. Maar is het niet mooi meegenomen dat die samenvalt met een fase in onze geschiedenis, die je met een woestijntijd kunt vergelijken. De oplossingen van gisteren werken niet meer. We zullen nieuwe antwoorden moeten vinden, die niet klaar liggen. We zullen elkaar nodig hebben om die te ontdekken. En dan heb ik het niet over het elkaar van de kerk, maar over het elkaar van op drift geraakte mensen, die stuk voor stuk aan het zwerven zijn geslagen tegen wil en dank. We zullen de rijkdom aan wereldwijde wijsheid en verhalen bij elkaar moeten leggen, om aan een nieuw verhaal te weven voor deze wereld waarvan Janne en Anne-Jet de drempel net zijn gepasseerd.

En God? God verandert mee. De woestijn laat ook hem niet onberoerd. Gaandeweg verliest God het aureool van een Alfa Aap op zijn hemelse rots. Een aureool, door mensen aangebracht omdat het veiligheid bood en duidelijkheid. ‘God hoort hun kermen,’ zegt het verhaal. God controleert niet, maar hoort. God draait zich er niet uit, maar zíet. Van een Alwetende verandert hij in een God die er weet van heeft – van hun zuchten, van hun kermen. Zo trekt hij met ons mensen mee. Ook zonder antwoorden vooraf.

De lezing begon met zien – het zien van Mozes. De lezing eindigt met zien – het zien van God. Het zien van Mozes leidde tot actie. Net iets te snel. Hij kon het niet aanzien. Het was ook niet om aan te zien. Het zien van God leidt tot een kennen van de pijn, die God tot in zijn diepste wezen verandert. Dag goden! Dag hemel! Voortaan woon ik bij de mensen en is mijn hart hun thuis.

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.