Preek van de Week – Zondag 22 juli ’18

180722 Zomerdienst

Psalm 126
Marcus 4, 26 – 29

I
‘De zeven deugden als levenskunst’. Dat is het thema van de serie zomerdiensten in De Bron, de Fontein en de Nieuwe Kerk. Een aantal binnenstadskerken hebben voor hun gezamenlijke diensten het zelfde thema gekozen. Kunt u er niet genoeg van krijgen, dan is er voor u ook nog een wekelijks programma op dinsdagmorgen om te bezoeken rond het zelfde thema. Flyers liggen bij de uitgang.

‘De zeven deugden als levenskunst’. Ik noem ze even. Geloof, hoop en liefde zijn voor regelmatige kerkgangers de meest bekende. Daarnaast zijn daar: verstandigheid (bezonnenheid), moed (kracht), matigheid en rechtvaardigheid. De apostel Paulus zegt dat van die eerste drie de liefste de grootste is. Bij die andere vier is dat volgens de Griekse wijsgeer Aristoteles de rechtvaardigheid. De komende vijf zondagen staan steeds een of twee van deze deugden centraal. U hoeft trouwens niet bang te zijn dat we ons met dit thema uit de markt prijzen. Een onderzoek aan de RUG uit 2008 toonde aan dat het belang van deugden wordt ingezien. Openheid/respect, betrouwbaarheid, bescheidenheid en zorgzaamheid waren de meest genoemde. Weliswaar andere dan de zeven klassieke deugden. Maar ze komen in de buurt. En mensen vinden ze belangrijk genoeg om na te leven.

Vandaag dus de inleiding. ‘De zeven deugden als levenskunst’ klinkt een beetje als de titel van het zoveelste zelfhulpboek of van een glossy over zingeving. Llevenskunst! Dat klinkt sprankelend. Maar ik proefde tijdens de voorbereiding van deze dienst ook enig verzet. Waarom mag het leven niet gewoon leven zijn? Waarom moet het nou weer een kunst zijn? Waarom niet de zon op en onder laten gaan en in tussentijd je ding doen, zonder bij alles na te hoeven denken? Een mens moet al zo veel kunnen. Om jezelf niet uit de markt te prijzen; om mee te kunnen blijven praten; om in beeld te blijven; om een beetje bij de tijd te blijven of in ieder geval te kunnen doen alsof, daarvoor moet je tegenwoordig een soort Houdini zijn. Een die zich op eigen houtje overal uit weet te redden. Er wordt goed geld verdiend aan al die zelfhulpboeken en glossy zomernummers, die van jou een levenskunstenaar willen maken. Maar ondertussen doen ze alsof het normaal is dat een mens alles maar moet kunnen. Laat me met rust! En laat de kerk alsjeblieft niet overal aan mee willen doen.

Als het om oefening in de deugden gaat, is het so wie so de vraag of het wel zo’n goed idee is om de kerk er op los te laten. Onder haar opzicht zijn heel wat mensen in ademnood gekomen. De kerk maakte van mensen geen kunstenaars in de beoefening van de deugden. Nee, ze legde haar normen van bovenaf op. Ze wist hoe het hoorde. En dat had ze natuurlijk van God. Vrouwen weten daar alles van. De moraal is ze zelden goed gezind geweest. Hoezo levenskunst?

II
En toch gaan we het met elkaar doen. Kijken of levenskunst iets kan zijn waar je vrolijk van wordt omdat die jou laat excelleren zonder jou te overvragen. In het Latijnse woord voor deugd – Virtu – herken je het woord virtuositeit. Wat kan de virtuoos op haar instrument jouw ziel beroeren! Wat kan de virtuoos aan de bal je uit je dak laten gaan! Nee, jij hoeft niet dat ook nog eens te kunnen! Maar stel dat de oefening in de deugden jou completer maakt; dat jij er een mooier mens van wordt, zonder dat dat van iemand moet. Ook niet van God. Stel je voor dat het oefenen van de deugden jou dichter bij je eigen kern zou brengen.

Maar ja, waar haal je dat zelfvertrouwen vandaan, dat jij nog wel eens jij gaat worden? Echt jij. Waardoor het voor anderen ook een feestje wordt om met jou samen te leven. En hoe komen we van die God af van wie je altijd opnieuw iets moet? Het is namelijk nooit goed genoeg. Het kan altijd beter. Tegen iedereen roepen we dat God liefde is, maar ondertussen weet die God van jou stilletjes nog precies hoe het hoort. Hij is misschien niet boos meer, als je buiten de lijntjes kleurt of niet met je talenten woekert. Zoals vroeger. Maar Hij is nog wel verdrietig.

Het is belangrijk dat een mens uit de verf komt. De monnik Thomas Merton heeft daarvoor God nodig. ‘God alleen kent het geheim van mijn identiteit,’ zegt hij. ‘Hij alleen kan van mij maken wat ik ben.’ ‘Hij plant de zaden in de tuin van mijn vrijheid. En het zijn de zaden van mijn identiteit,’ aldus Merton. Je mag ze weigeren, voeg hij er aan toe. Ja, die kennen we al! Want als je die dan weigert, dan krijg je het linksom of rechtsom op je brood. Dan staat daar in het hoekje van je tuin een mokkende of verdrietige God. Maar nee!, dat is niet wat Merton zegt. Dat is dat stemmetje in ons dat ooit naar binnen is geslopen. Het stemmetje dat zegt dat je je best moet doen; dat je anders anderen tekort doet. Het stemmetje, dat nooit zijn kwaak houdt. Mocht je nou denken dat moderne mensen, die zonder een God door het leven gaan, geen last van dat stemmetje hebben, vergeet dat dan maar. Deze samenleving zit vol met dit soort stemmetjes. Daar is geen mokkende God meer voor nodig. En je moet wel heel sterk in je schoenen staan om deze stemmen te kunnen weerstaan. Jij moet perfect zijn! Jij moet jezelf kunnen redden! En als jij niet uit de verf komt, dan ligt de oorzaak bij jezelf. Waarschijnlijk kwam daar ook de lichte irritatie vandaan, die ik meende op te merken bij het woordje ‘levenskunst’ tijdens de voorbereiding van deze dienst.

Maar voor Thomas Merton is God er niet een die jou in zijn perfecte mal probeert te duwen. Hij plant zaden in de tuin van jouw vrijheid. Misschien met tranen in de ogen. Zoals de zaaier uit de psalm, die de buidel met zaad draagt. Geen tranen uit zelfmedelijden, omdat die verdraaide mensenkinderen niet naar hem willen luisteren. Maar tranen om dat mensenkind in de tuin van zijn eigen vrijheid. Tranen om dat waagstuk dat God zelf met zijn mensen is aangegaan. Tranen van ontroering. ‘Kijk haar nou, mijn mooi mensenkind!’ Tranen van een liefde die geen gehoorzaamheid eist. Het zaad dat God in jouw tuin plant is van jou. Sterker nog: jij bent het zelf. En het is aan jou om ze te verzorgen of om ze te weigeren. Je kunt je vrij maken van God. Sterker nog: jij bent vrij! Maar de vraag is hoe vrij de wereld jou laat. Die heeft het hoogste woord over vrijheid. Maar ondertussen moet jij van alles en dwingen al de stemmen die er klinken jou tot gehoorzaamheid. Dat zo veel jonge mensen vandaag burn-out raken komt niet omdat het watjes zijn. Achter het masker van de vrijheid gaan hoge eisen schuil. En ze komen van buiten en van binnen.

De deugden zien er anders uit als je gewend bent gehoor te geven aan die dwingende stemmen, dan wanneer je ze oefent terwijl je de zaadjes verzorgt die God in de tuin van je vrijheid heeft geplant. In het eerste geval put het oefenen van de deugden je nog meer uit. Want in de ratrace, waar je niet voor hebt gekozen en waarin de een de concurrent is van de ander, moet je dan ook nog eens de menselijkheid zien hoog te houden, waar het in de deugden om te doen is. Hoe anders gaat het toe in de tuin van je vrijheid waarin God zijn zaden plant: ‘de zaden van mijn eigen identiteit, mijn eigen werkelijkheid, mijn eigen geluk, mijn eigen heiligheid.’ Het verzorgen van die zaden holt jou niet uit, maar laat jou groeien en brengt jou dichter bij jezelf. Het oefenen van de deugden komt daar niet nog eens bovenop. Nee, het komt er in mee.

III
Het verzorgen van de tuin van je vrijheid is niet een vredige vrijetijdsbesteding. Jouw eigen identiteit is niet krasvrij. Jouw eigen werkelijkheid is niet die van een gelopen race. Jouw eigen geluk bloeit op tussen de distels. En jouw eigen heiligheid zit ‘m niet in jouw schoonheid, zelfs niet als die van binnen zit. Werken in de tuin van je vrijheid is echt werken. Er is geen God die het op orde houdt. In de gelijkenis van Gods nieuwe wereld kun je in de boer God zelf herkennen. Hij zaait wel en vertrouwt er op dat hij zal mogen oogsten. Maar wat zich daar afspeelt in de donkere aarde, blijft ook voor hem een geheim. Hij is er niet de baas over. God plant met tranen de zaden in de tuin van mijn vrijheid. Ieder moment opnieuw. Voor deze God is jouw vrijheid heilig. En terwijl jij daarin groeit, groeit God zelf ook mee. Weg bij het beeld dat wij van een God hebben. Tot Die alleen nog liefde is. Zo wordt levenskunst geboren.

In ieders tuin staan passiebloemen. Zoals die op de achterkant van de orde van dienst. Marga Baas en ik wilden deze passiebloem uit de tekst van Noordmans, elke zondag waarop wij ons verdiepen in de deugden, op de achterkant van de orde van dienst. Als wij weer eens achter adem raken omdat we het graag goed willen doen, dan zijn er deze woorden voor ons. Als de dingen ons uit handen vallen en er van alles aan scherven gaat, wordt er niet gezegd: ‘Wat zonde nou!’ Nee, Noordmans schrijft dat correctheid het attribuut van Satan is.’ God loopt niet weg voor de blutsen en de mislukkingen. Hij zoekt die op en daar sticht Hij gemeenschap. Wie zweert bij correctheid heeft in die gemeenschap niets te zoeken. En dat blijft staan, ook al zoekt de kerk steeds weer de correctheid. Lees de woorden van Noordmans. Neem ze tot je. Laat ze schuren. En breek uit in lachen rond de passiebloemen.

Of het dan nog wel zin heeft om de deugden te oefenen? Zeker! Maar ze zijn er niet om jouw ziel of de wereld er mee te redden. Die redding is gelegen in het vrolijk boeltje ongeregeld, waar Vader, Zoon en Geest samen hokken met de zonde, de ellende en de dood. Het oefenen van de deugden zal altijd onderdeel van dat vreemde feestje moeten zijn. Alleen zo mag het evangelie heten.

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *