Preek van de Week – zondag 22 januari 2017

Genesis 2, 4b – 7
Johannes 1, 14 – 18
Tomas Halik, ‘Geduld met God’

 

I
Iemand slaat voor het eerst in zijn leven de bijbel open. Hij leest de eerste bladzijde en nog een stukje van de tweede. Dan kijkt hij op. Op zijn gezicht verschijnt een grote glimlach. Hij kijkt je aan en vraagt: ‘Geloven jullie dit echt?’

Voor mijn broer was een vergelijkbare ontmoeting aan het begin van zijn studententijd het moment waarop het hele kaartenhuis van zijn geloof geruisloos uit elkaar viel. Ineen storten is een veel te groot woord. Wat de aanleiding was, weet ik niet. Maar de student in de kamer naast hem had gevraagd: ‘Goh, geloof jij? En ga jij dan ook naar de kerk?’ Met een open blik had hij mijn broer een paar vragen gesteld. Voor mijn broer markeerde dat gesprek het eind van zijn geloof. De open blik van de kamerbewoner naast hem, maakte hij tot de zijne. Zo snel kan het gaan.

Hoe reageren wij op de grote glimlach en de nieuwsgierige vraag: ‘Geloven jullie dit echt?’ Dikke kans dat een ernstige trek op ons gezicht met ons antwoord gepaard gaat. Wat dat antwoord ook moge zijn. Het geloof is een ernstige zaak. We zullen het verdedigen. Want we willen het niet kwijt. We hebben genoeg te stellen met onze eigen, vaak onuitgesproken vragen, om met een grote glimlach antwoord te kunnen geven op de vraag: ‘Geloven jullie dit echt?’

II
De een wapent zich door streng vol te houden dat God de aarde in zes dagen, of in ieder geval in zes perioden, heeft geschapen. Zulke mensen trekken hier de streep en bepalen voor de ander of die aan de kant van de ware gelovigen staat. Een grote glimlach past daar niet bij, of het moet de gemaakte glimlach zijn, bedoelt om de verloren ziel alsnog aan de goede kant te krijgen. ‘Redden’ heet dat in hun jargon. Als je hen vraagt hoe het kan dat in het eerste verhaal de mens het sluitstuk is van Gods schepping en in het tweede verhaal de schepping van de mens het begin is van alles, dan is die vraag juist het bewijs van jouw ongeloof.

Een ander haalt bij zijn antwoord op de lach en op de vraag, al zijn kennis uit de kast. Zo iemand begint met te bewijzen dat hij ook niet achterlijk is. Nee, natuurlijk neemt hij het verhaal niet letterlijk. Stel je voor, zeg! Het bijbelverhaal haalt hij door de wasstraat van alles wat een modern mens hoort te weten over de Big Bang en wat daarop volgde. Alleen dat wat bestand is tegen deze kennis mag mee. Geloof mag de gaten vullen van wat we nog niet weten. En tot opluchting van de moderne gelovige zijn er steeds meer wetenschappers die bij het vinden van een antwoord op twee nieuwe vragen stuiten. Maar ook hier wint het ernstig nadenken het van de grote glimlach.

Weer een ander wijst naar haar binnenste, waar de goddelijke vonk huist. Daar waar het goddelijke zich verbindt met het menselijke. De uitstraling daarvan komt de wereld ten goede. Ze duidt de verhalen met haar hart. Ze heeft geen antwoorden nodig. Haar gezicht staat ontspannen. Maar ze heeft ook iets onbereikbaars voor wie onbevangen de eerste bladzijden van de bijbel leest en weten wil: ‘Geloven jullie dit echt?’

III
De Tjechische denker en priester Tomáš Halík pleit voor geduld met God: ‘Het belangrijkste verschil tussen geloof en atheïsme zie ik in het geduld. Atheïsme, religieus fundamentalisme en het enthousiasme van een al te gemakkelijk geloof hebben als opvallende gelijkenis dat ze snel klaar willen zijn met het mysterie dat we God noemen – en juist daarom zijn voor mij deze standpunten alle drie in gelijke mate onaanvaardbaar.’ 

Als deze pastor indertijd mijn broer had ontmoet, na dat gesprek met zijn huisgenoot, had hij misschien gezegd: ‘Ruim de kaarten, die nu ongeordend op je tafel liggen, nog maar even niet op. Niet omdat je vanavond een poging moet wagen om het kaartenhuis weer in elkaar te zetten. Het zal nooit meer een huis worden. Maar gooi ze niet weg. Het blijven kaarten waar je mee kunt spelen. Heb geduld met een afwezige God.’

Misschien is geduld met God wel het beste antwoord op de grote glimlach en op de vraag: ‘Geloven jullie dit echt?’ Het is namelijk een antwoord waarbij er geen kaartenhuis staat tussen jou en de ander, tussen zijn grote glimlach en jouw kwetsbaarheid. Je hebt dan geen ander antwoord dan jouw weerloos niet weten en jouw diep verlangen om gekend te zijn. De mysticus Meester Eckhart schrijft in de 13e eeuw: ‘Je hoeft God niet hier noch daar te zoeken, hij is niet verder dan voor de deur van het hart. Daar staat hij en wacht en wacht, tot hij iemand bereid vindt hem open te doen en binnen te laten. Je hoeft hem niet van verre te roepen; hij kan er niet op wachten tot je hem opendoet. Hij voelt zich duizend keer meer tot jou aangetrokken dan jij tot hem. Opendoen en binnengaan, dat is niets dan één en hetzelfde ogenblik.’

Het lijkt het tegenovergestelde. Het lijkt hier te gaan over Gods geduld met ons. Maar wie weet ligt dat wel heel dicht aan tegen ons oefenen van geduld met God. Wie weet komt het samen in ons kwetsbaar niet weten, met kriskras om ons heen de kaarten van het voormalig geloofshuis, en het diep verlangen om gekend te zijn. Jij met jouw wereld. En jouw wereld met jou.

Een van de mensen met wie ik deze dienst heb voorbereid, besloot om de spelkaarten niet weg te gooien en God niet gedag te zeggen. Bij zijn beslissing om belijdenis te doen, liet hij zich inspireren door de cabaretier Herman Finkers. In een van zijn vroege voorstellingen, vertelt hij hoe hij met zijn aanstaande voor de ambtenaar van de burgerlijke stand staat. Het ‘Ja, ik wil’ wil maar niet over zijn lippen komen. Verder dan ‘Ja, laten wij het maar proberen’, weet hij niet te komen tot grote ergernis van de ambtenaar. ‘Ja, laten wij het maar proberen’; dat steeds opnieuw zeggen tegen God en te midden van andere mensen in de kerk, heeft iets teers en ongemakkelijks: ‘Ja, laten wij het maar proberen.’

IV
Die paar verzen uit Genesis 2 vertellen een ongemakkelijk en teer verhaal. Er is eigenlijk niets waar je je achter kunt verbergen. Geen struikgewas, geen wetenschap, geen anonimiteit waarin je kunt verdwijnen. Alleen God de Ene is daar. En stof van de aardbodem. Heel veel stof. Het heeft geen vorm. Het belooft niks. Geef een kunstenaar een klomp Engelse klei en je weet dat er wat moois uit tevoorschijn zal komen. Maar dit stof is geen klei. En deze God is geen kunstenaar, al heeft hij er meer van weg dan van de CEO (chief executive officer) van een multinationale onderneming (hoop ik dan maar).

Het stof is jakkie. Het kleeft aan je lijf en je wilt er van af. Er is niemand die er een cent voor geeft. Dat is de betekenis van het Hebreeuwse woord. Daar zijn we van gemaakt, zegt het verhaal. Een beetje ongemakkelijk, nietwaar? En dan die God. Dat is toch geen God met wie je het wilt proberen? We hebben als gelovigen toch wel wat beters voor ogen. Ja, hoe verschillend wij ook zijn – fundamentalist, vrijdenker of spiritueel mens –, daarin komen we overeen dat God machtiger of ingenieuzer of veelomvattender is dan de grondwerker uit dit verhaal, die zich besmeurt om uit het stof de mens te scheppen.

En vóór wij ons over kunnen geven aan die onhandig bukkende God die het vormsel van zijn handen wakker kust, zijn wij hem al lang gesmeerd. Wij vertellen liever onze eigen diepzinnige verhalen over hem, dan dat wij het moeten doen met deze primitieve en plastische vertelling. God moet meer zijn dan deze hier. En wij zijn waarachtig toch wel wat meer dan dit stof van de aarde, vinden wij. Wij zijn denkers, die terug kunnen kijken tot op de Big Bang en die vooruit kunnen kijken tot ver voorbij ons graf. Daar komt het geloof in het hiernamaals ook vandaan. Je kunt je toch niet voorstellen dat jij er straks niet meer bent! Een ander misschien niet, maar jij toch wel?

Wat nou als wij het verhaal van de schepping van de mens niet ontvluchten? Wat nou als we ophouden te roepen ‘bij wijze van spreken!’ of ‘echt gebeurd!’?  Wat als wij de verbaasde open glimlach van de ander beantwoorden met ons eigen weerloos gezicht? Wat als wij de vraag: ‘Geloven jullie dit nou echt?’ beantwoorden met ‘Ja, laten wij het maar proberen.’? Omdat je er genoeg van hebt om voor je breekbaarheid weg te lopen. Omdat je anderen nodig hebt om die breekbaarheid en alle vertwijfeling die daar bij hoort, mee te delen en te dragen en te vieren. Omdat je het niet langer aankunt om dat wat wereldwijd mensen wordt aangedaan, te rationaliseren of te relativeren of te beantwoorden met jouw machteloze doenerigheid. Ja, dit verhaal, daar wil ik mij aan toe vertrouwen. Tegen deze God wil ik zeggen: ‘Ja, laten wij het maar proberen.’ Alle goden wil ik achter mij laten. Al mijn gedachtenspinsels. Alle geloofsconstructies. Alle kaarten liggen kriskras door elkaar. Alleen zo wil ik tot u, God, zeggen: ‘Ja, laten wij het samen maar proberen.’

V
Als antwoordpsalm zongen wij Psalm 113: ‘Van de opgang der zon tot haar dalen zij geprezen de naam van de Heer.’ De dichter speelt hier met de kaarten van zijn voormalig geloofshuis. ‘God is hoog verheven,’ zingt hij zoals de vaderen zongen. Maar de dichter weet waarom hij het zingt: omdat deze God de arme opricht uit het stof, uit het slijk wil heffen de schamele. En daarmee zijn we terug bij het tere verhaal over een God als een grondwerker die het stof wakker kuste. Hij mag verheven heten boven alle goden omdat onze breekbaarheid, onze twijfels en ons tekort voor hem heilig zijn. De Verhevene verheft ons om elkaar tot steun en zegen te zijn. Laten wij het maar proberen met deze God

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.