Preek van de Week – Zondag 21 juni ’20

Psalm 98, 7 – 9
Kolossenzen 1, 15 – 20

I
‘Je bent mijn álles!,’ zei ze tegen hem. De woorden overkwamen haar. Ze waren van alle sentimentaliteit ontbloot. Geen aanloop naar ‘eind goed, al goed’. Ze sprak niet tegen de prins op het witte paard. Het was de man met wie ze al zo lang het leven deelde – de gewone dingen van het leven, de zorgen van alledag, het geregel; al die dingen waarin de liefde gehuld gaat. Het gebeurde op het moment dat ze dacht hem zo maar kwijt te kunnen zijn. Het besef besprong haar. Het doodgewone klapte open naar alle kanten. En daar was het: ‘Je bent mijn álles!’

Deze openbaring, dit ‘álles’ zit ook in de Christus hymne aan het begin van de brief aan de Kolossenzen. Het klinkt tot tien keer toe: ‘in hem is alles geschapen, alles in de hemel en alles op de aarde, …., alles is door hem en voor hem geschapen.. Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in hem… in alles de eerste… alles verzoent hij… alles op aarde en alles in de hemel.’ Nee, het gaat hier niet over die vrouw en die man. Nou ja, natuurlijk ook over hen. Maar over zo veel meer dan alleen hen. Hier gaat het over Christus. Als de dichter schrijft: ‘Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in hem.’, overkomt hem dat ook, net als de vrouw van wie ik sprak. Er openbaart zich iets wat je zelf niet kunt verzinnen. Als we de bijbel, dat werk van mensen, openbaring noemen, dan bedoelen we dit. Vóór het een geloofsartikel werd, was het dit. Het doodgewone – wie hij was, hoe hij deed, de man uit Nazaret – klapt open naar alle kanten, tot en met de hemel aan toe: ‘alles in de hemel en alles op de aarde, in hem is alles geschapen.’

Het is een hymne. Geen dogma. Ik zeg dat vooral omdat ik weet hoezeer mensen kunnen struikelen over die laatste woorden: dat hij alles met zich wil verzoenen door vrede te brengen met zijn bloed aan het kruis. In één klap is dan de vreugde weg die uit de hymne spreekt. Verzoening, bloed en kruis, doen hen denken aan het geloofshuis waar ze wel uit weg moesten omdat ze er geen adem meer konden halen. De ramen zaten potdicht. Het geheim was tot inboedel gemaakt. Het is slechts weinigen gelukt om de woorden verzoening, bloed en kruis, nieuw te kunnen horen. Gelijk op met de vreugde van het geloof, die terug gevonden werd toen ze de deur van dat huis achter zich hadden dicht getrokken. Al die mensen, die elkaar opzochten in gesprekskringen en in leerhuizen.

Ik herinner me nog goed hoe dat bij mijn broer ging. Het was de tijd dat hij zijn vleugels begon uit te slaan en ging studeren. Hoe hij de ouderling in ons geboortedorp, die hem probeerde te redden voor de kerk en voor de eeuwigheid, van repliek diende. Toen er dreiging uitging van het woord dat Christus, ook voor zíjn zonden was gestorven, antwoordde mijn broer: ‘Heb ik hem iets gevraagd dan?’ En ook al is dit misschien nou juist wel het grootst geheim van alles, dat God ons niets gevraagd heeft, en is dit de bron van een vreugde die alle verstand te boven gaat, toentertijd speelde er iets anders. Of  liever gezegd: er speelde niets. Er was vooral angst dat er afbreuk gedaan werd aan de waarheid waar de kerk het patent op had. Eerst was er de waarheid en dan pas het lied. Terwijl het natuurlijk andersom is. Eerst is er de vreugde en de verwondering over God die zijn schepping omarmt. Pas daarna de opgave om die te doordenken en er woord aan te geven.  

II
Op het terrein van de Abdij van het Schotse eiland Iona staat een Keltisch Hoogkruis, gedecoreerd met Bijbelse taferelen, plant- en diermotieven, en Keltische vlechtpatronen. Alles heeft daar met alles te maken. Slles is met elkaar vervlochten. Je treft deze kruisen in Ierland en Schotland niet alleen aan in de nabijheid van kerken en kloosters, maar ook op het kruispunt van wegen, midden in het landschap. Midden in de schepping staat het kruis als teken van Gods goedheid. ‘Dieper geplant dan al wat verkeerd is,’ zo klinkt het elke dag in het morgengebed in de Abdij van Iona.

De Christus Hymne uit de brief aan de Kolossenzen is een bron van vreugde en inspiratie. Christus en de schepping zijn innig met elkaar verbonden. Christus betreedt niet pas het toneel om er de zonden van de mensheid op zich te nemen en de straf te dragen, opdat wie in hem geloven niet voor eeuwig verloren zullen gaan. Hij is niet de reparateur van God, die komt en die weer gaat als de klus geklaard is. De hemel komt in de hymne in beeld, ja zeker. Maar niet als resort voor geredde zielen. De hemel maakt onderdeel uit van alles, dat in Christus is geschapen, ‘alles in de hemel en alles op de aarde, het zichtbare en het onzichtbare, … alles is door hem en voor hem geschapen.’ Hemel en aarde, mens en dier, planten en landschap, wolken en wind, zon maan en sterren, alles is in hem met elkaar vervlochten. Daarvan getuigen de Keltische hoogkruisen in het landschap onder de open hemel.

De kerk heeft te lang te eng gedacht over haar roeping en over Gods grootheid. En vooral ook te mensgericht. Alsof de schepping slechts het decor is voor het drama dat zich tussen God en mensen afspeelt, dat van zonde en val, van oordeel en genade – in die volgorde. De Christus Hymne uit de brief aan de Kolossenzen zingt die gevangenis open. Christus kwam niet pas met Kerst om mens te worden zoals wij. Hij was er al vóór de schepping en vóór de zondeval. Gods genade volgt niet op de zonde. Ze is niet het ántwoord daarop, maar ze is het eerste woord van alles. Zoiets verzin je niet. Zoiets moet je worden geopenbaard. En dan maar zingen! Want dat is het eerste antwoord dat wij geven kunnen: zingen mét de vogels samen van Gods goedheid en genade.

Daarom hebben we het in deze tijd als gemeente ook zo moeilijk. We willen samen komen om te zingen van die goedheid en genade. Niet als bevestiging van alles wat we geloven. Maar vooral als bron van heel ons leven. Het kerklied is geen clublied. We willen bressen in de kerkmuren zingen, zodat de vogels ons kunnen horen. We willen ons uit het harnas zingen, dat ons zo lang gescheiden heeft van stad en ommeland, van wolken en luchten, van aarde en hemel. We willen omarmen en omarmd worden. En het is meer dan lastig dat dit niet kan. Juist nu we dit ons in deze dagen zo bewust worden.

III
De hymne daagt ons uit onze privileges op te geven. Niet als goede daad. Niet als tegemoetkoming aan mensen die geen kant op kunnen, aan dieren in kooien, aan en aarde die we overvragen. Maar uit het inzicht dat er in de schepping geen hiërarchie bestaat. Alles is met alles verweven. We hebben genetisch meer gemeen met fruitvliegjes dan we misschien zouden wensen en ook de heersers van deze aarde zijn net als jij en ik uit sterrenstof gemaakt. Wij komen niet van boven. Wij komen van beneden.

‘Vorsten en heersers, machten en krachten, alles is door hem en voor hem geschapen,’ zingt de hymne. Zonder een lekker puh. Kom maar uit je ivoren toren, lieve mens. Laat de controle maar varen. En wees niet bang dat je daarmee alles zult kwijt raken. Nee, er is een wereld te winnen. Een wereld waarin de een niet meer domineert over de ander. Kerkvaders, die het hoofd gebroken hebben over scheppingsordeningen, waarin het een boven het ander werd gesteld, leg de pen maar neer. Verdoe je tijd niet langer. Daar boven aan de ladder, die je hebt opgericht, is God niet te vinden. ‘Eén in Christus Jezus zijn er geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen,’ zegt de apostel Paulus. ‘In hem is alles geschapen, alles in de hemel en alles op de aarde.

Het hiërarchisch denken dat de een boven de ander stelt, heeft genoeg schade aangericht. Het is helemaal nog niet zo lang geleden dat in deze kerk de man boven de vrouw werd geplaatst ‘omdat God het zo bedacht had’. En de rassenscheiding in de VS mag dan al lang zijn afgeschaft, het diep gewortelde superioriteitsgevoel van witte mensen over zwarte mensen, daar wordt pas nu vasthoudend en stevig aan getrokken. Daar en hier.

De wereldwijde ecologische crisis, waar we mee worstelen, is het gevolg van een denken en doen dat mensen boven de natuur heeft geplaatst. Onze kennis en kunde heeft ons veel goeds gebracht. Laten we niet doen alsof de natuur een netjes aangelegd park is. Zonder een monster te zijn, kan ze blind en met geweld tekeer gaan. We hebben dammen daar tegenop geworpen. We hebben stromen weten te reguleren, tsunami’s leren te voorspellen. Alles met een bewonderenswaardig vernuft. Maar de gedachte dat we alles naar onze hand konden zetten, dat wij er bóven stonden in plaats van er onderdeel van te zijn, die gedachte blijkt in onze dagen krachten los te maken waar we collectief aan ten gronde dreigen te gaan.

IV
Er is een kracht die de natuur beteugelt en haar tot schepping heeft herschapen. Het is een kracht die er niet boven staat. Het is niet de bewaker van een resort met bloemetjes en bijtjes en elke avond een prachtige zonsondergang, waarin gelovigen kunnen roepen: ‘Wat heeft God dat toch allemaal mooi gemaakt.’ In het midden van alles, van hemel en aarde, van tijd en eeuwigheid, staat het kruis van Christus. Hij maakte de natuur tot schepping door er van te houden en zich er mee te verbinden. Geen God daarboven. Maar er midden in. Alles in de schepping getuigt van Hem, van zijn liefde, van zijn breekbaarheid, van de wonden die hij opliep aan zijn eigen schepselen. Niet ons beeld van God, boven aan de ladder, is het beeld van God, de onzichtbare. Maar die Ene in ons midden, waar we niets mee konden omdat we aan het klimmen waren, boven alles uit.

Hij wil ons met zich verzoenen. Kom maar van de ladder! Wees één met mij. Als ons als kerk één ding te doen staat, dan is het wel zijn naam bezingen. Om samen met heel zijn schepping te vieren dat we er nog mogen zijn. Het heeft geen zin om ach en wee te blijven roepen. Ook op die manier kan een mens zich groter maken dan hij is. Leef in verbondenheid met alle dingen. Leef met Hem in wie alles bestaat. Hij is ons álles.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.