Preek van de Week – Zondag 2 september ’18 door ds. Tiemo Meijlink

Habakuk 1, 12 – 2, 4
Marcus 9, 14 – 29

Gemeente van Jezus Christus,

Op het eerste gezicht vertelt ons Marcus vandaag een genezingsverhaal. De genezing van een jongen die kennelijk de symptomen heeft van epilepsie. Een ziektegeschiedenis die dan een wonderlijke wending krijgt door toedoen van wonderdokter Jezus. Zo kun je ertegenaan kijken. En dat is ook de moderne visie op dit verhaal met alle consequenties vandien over de geloofwaardigheid ervan. Maar het is ook een beperkte kijk. Ziekte was in de tijd van het evangelie nooit iets individueels, wat het bij ons wel is geworden. Het werd in die tijd gezien als iets demonisch, als iets dat symptomatisch was voor een groter geheel, een symptoom was van een veel groter verband. Ja, een symptoom van een hele generatie, van een status quo, een stand van zaken in bredere zin.

Het is dan ook opmerkelijk dat de menigte die Jezus tegemoet komt, verrast is, “verbaasd”, wordt het ook wel vertaald. Je kunt ook – sterker nog – vertalen met een woord als “ontsteld”, “verbijsterd”. Waarom die heftige emotie bij de menigte, die daar aan het redetwisten is en temidden van dat redetwisten Jezus ziet aankomen. Het kan op twee dingen wijzen, die verbijstering. Het kan te maken hebben met wat zij daar zien, te midden van hen, die jongen die zichzelf niet kan zijn, die knaap die verminkt wordt door een stomme geest. De menigte ziet in die jongen de onbegrijpelijkheid, de onmacht, het tekort van deze wereld, van dit bestaan. Het tekort dat ook op hen zelf betrekking heeft: hun eigen onmacht, hun eigen overgeleverd zijn aan het lot van de wereld. Het tekort dat ook ons zo vaak de vraag doet stellen: waarom moet dit gebeuren, waarom hoort dit erbij, waarom dit gruwelijke onvermogen van een wereld die verminkt is, die gevangen zit in onmacht en verdriet, en waarom dan treft het mij in mijn situatie of wie dan ook? Waarom die willekeur? Waarbij de een harder getroffen wordt door het leven dan de ander. Het confronteert ons met de onmacht, met het verdriet in onze wereld. En dat zou weleens de reden kunnen zijn dat de menigte verbijsterd is, verward is, verward door het drukkende tekort van deze wereld?!

En tegelijk kan die verbijstering ook te maken hebben met het feit dat de menigte Jezus ziet aankomen. We moeten ons realiseren dat juist voordat dit gebeuren plaatsvindt, Jezus op de berg is geweest, temidden van Elia en Mozes. Juist voordat deze genezing plaatsvindt, is daar de gedaanteverandering op de berg, de verheerlijking op de berg wordt het ook wel genoemd. Jezus staat daar temidden van de grote mensen van de geloofstraditie. Mozes, als de leraar van de thora en Elia als de grootste onder de profeten. Tussen die twee grote gestalten komt Jezus naar voren bij de gedaanteverandering op de berg. Zo wordt hij getoond, daar, voor even, als de Messias, als de Heiland, als de Verlosser op wie Israël wacht. Even een flits van openbaring, even een flits van de wereld van God. En Jezus is dan de mens die uit God voortkomt, uit de hoogte neerdaalt in onze wereld. En dat kunnen ze kennelijk ook aan hem zien, die mensen daar, hier is iemand uit de wereld van God, dat is ook wat hun verbijstering teweeg brengt. En misschien is het wel zo dat juist het contrast tussen die twee werelden, dat dat hun verbijstering in het bijzonder verklaart, het contrast tussen de wereld der mensen, die wereld van onverlostheid en tekort, en de wereld van God die zij aanschouwen in het gelaat van Jezus, afdalende van de berg der verheerlijking. De heiland, de messias, komende in de wereld van het lijden en het tekort.

Die onmacht en vertwijfeling hoor je ook terug in de woorden van de profeet Habakuk: zijn klacht tegen God, tegen zijn God, die het laat gebeuren dat de rechtvaardige verslonden wordt door de machthebber. Verbijsterd is ook Habakuk door wat hij ervaart in zijn tijd aan onrecht en tekort onder de mensen en vooral ook dat hij dat niet kan rijmen met zijn God, die toch goed is en zuiver. Hoe kan het dan zijn dat de rechtvaardige verslonden wordt door de machthebber!?

De onmacht van deze wereld wordt in het evangelie verwoord door één uit de menigte. Als Jezus vraagt waarom zij met elkaar redetwisten, treedt er een uit de menigte naar voren. Het is de vader van de bezeten jongen. Hij spreekt eigenlijk ook namens de menigte. Hij brengt onder woorden wat er aan onmacht is bij hem zelf, bij de jongen en ook bij de leerlingen van Jezus zelf. “Zij hebben hem niet kunnen uitdrijven, die geest”. Ze waren niet bij machte! Hoewel zij eerder in het evangelie die volmacht gekregen hadden van Jezus, hebben ze het niet gekund.

En de reactie van Jezus is heftig. Als een zwaar oordeel valt het over de menigte, als Jezus zegt:

“Oh ongelovig geslacht
Hoe lang nog zal ik bij u zijn, hoe lang
Zal ik u nog verdragen?
Breng hem bij mij.”

Niet alleen de leerlingen wordt verweten dat zij het niet hebben gekund. Niet alleen de vader en zijn zoon. Niet alleen de menigte die daar verzameld is. Maar die hele generatie wordt door Jezus onder dit oordeel geplaatst. “Oh ongelovig geslacht”! Het roept kennelijk bij hem een weerzin op, een heilige weerzin tegen het onvermogen van deze wereld, een verzuchting ook waarin de vraag naar voren komt: hoe lang moet dit nog duren? Het is een hard oordeel, dat hier geveld wordt. Zo moet je het benoemen, en er niet omheen draaien, een hard woord over de onmacht van de mensen. Waarom kunnen jullie dat niet zelf? Welk onvermogen is er bij jullie dat het niet wil lukken, dat het niet wil doorbreken?
Een hard woord dus, maar vergis je niet in dat harde woord. Oordeel staat bij God nooit op zichzelf. Oordeel heeft ook altijd een keerzijde. In het oordeel horen wij ook een begin, een teken van genade. Zoals dat hier het geval is in zijn woord: Breng hem bij mij! En, als dat eenmaal klinkt “Breng hem bij mij”, dan komt de verlossing, de genezing ook op gang. En ze brachten de jongen bij hem.

Er wordt in deze evangeliepassage veel nadruk gelegd op het geloof, op de kracht van het geloof, op de deugd van het geloof kun je ook zeggen. En dan gaat het om een geloof dat gewonnen wordt op de wanhoop en dat tegelijkertijd niet gewonnen kan worden op de wanhoop. Geloof dus dat in tegenspraak is met zichzelf. Indrukwekkend klinkt dat woord van de vader van de zieke jongen:

“Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp!”

Niks geen krachtpatserij, niks geen geloofsheldendom, dat hier klinkt. Want het is niet vanzelfsprekend om te geloven, het is geen recept waardoor het leven alsnog kan slagen, alsnog goed wordt. Je komt dat weleens tegen in evangelische kringen, of in kringen van de strenge orthodoxie. Maar laat je niet van de wijs brengen. Hier in het evangelie wordt geloven in een korte en krachtige zinsnede veel dieper onder woorden gebracht: Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp! Je zou kunnen zeggen: de verbijstering, de wanhoop van de man, van de vader van die zieke en bezeten jongen, wordt hier omgewrongen, omgetaald, omgetolkt tot een roep om hulp, een schreeuw om ontferming:

“Als gij het kunt,
erbarm u dan over ons, ontferm u over ons
en help ons!
Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp!”

Dat is het geloof dat hier wordt uitgebeeld. Geloven, waarin de onmacht niet wordt weggedrukt, maar juist onder woorden wordt gebracht, en wordt overgegeven aan de Vader, aan de God van het Leven: Kom mij te hulp in mijn ongeloof!……….

Jezus zelf zegt in deze tekst: Alles is mogelijk voor wie gelooft. Alles, dat wil zeggen alles dat te maken heeft met de verminking van onze wereld, het zal worden omgevormd, het zal worden genezen. En in het geloof kun je daarvan al iets ervaren. In het gebed kun je daarvan iets ervaren, kan het tot werkelijkheid worden. Dat lijkt Jezus hier te zeggen…….
Hij verwoordt hier het contrast tussen de wereld van God en de wereld van de mensen. Het alles van God staat hier tegenover het niets van de mensen. De macht van God staat hier tegenover de onmacht van de mensen. Je kunt het ook omgekeerd zeggen: Als je kijkt naar de verminking van die jongen, naar de demonie waarin hij leeft en waarin hij zijn hele omgeving meetrekt, hoe zal daaruit ooit een opstanding, een verlossing kunnen plaatsvinden? Hoe zal er uit die wanhoop een genezing kunnen ontstaan?
Elders in het evangelie zegt Jezus daarover: Wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God. En hier zegt hij: Alles is mogelijk voor wie gelooft!

Daar, in dat geloof, dat als het ware de brug vormt vanuit onze wanhoop, vanuit onze onmacht naar de wereld van God, daar zit de kern, het geheim van het evangelie van deze morgen. Dat er in de onmacht alsnog vertrouwen kan ontstaan die die onmacht overstijgt. En wat is dat dan, geloven?

Het is dan niet een houding van gelovigheid, een toestand waarin je je onderscheidt van ongelovigen. Je bent gelovig of je bent ongelovig (denk aan de burgerlijke stand). Geloven is iets anders. Geloven, het wordt hier in het evangelie verbeeld, onder woorden gebracht als een roep om ontferming, een roep om hulp vanuit de onmacht van deze wereld. Kom mij te hulp in mijn ongeloof, ontferm u over ons en over onze kinderen, in die roep wordt een daad van geloof gesteld, een daad van diep vertrouwen. Vandaar dat het gebed van de kerk, het kyrie eleison (Heer ontferm U), misschien wel de diepste kern is van wat de kerk kan doen als geloofsgemeenschap: bidden, roepen om ontferming, daarin stelt de kerk haar daad van geloof, iedere zondag weer als dat “Heer, ontferm U” klinkt.

Geloven op die manier maakt de wereld van de onmacht, de wereld van het tekort transparant, doorzichtig tot op de wereld van de levende God, tot op het alles van God. Zoals de brief van Hebreeën dat zegt: het zichtbare is ten diepste verbonden met het onzichtbare, met God dus.

En zo, als die roep om hulp en ontferming klinkt, kan onze wereld dus ook gezien worden in het teken van genezing, van verlossing, van opstanding uit de dood. Dat is riskante taal, maar het gaat in die taal dan ook om het risico van de hoop, van het verlangen naar de goedheid, de genade van God.

Roepen om ontferming, roepen: Ik geloof. Kom mijn ongeloof te hulp! Dat mag vertrouwen heten, dat mag geloof heten. Dat je over de zichtbare dingen heen ziet, dat je durft te bidden om ontferming, dat je het waagt te klagen en te vragen en zo de grens van het schijnbaar onmogelijke te overschrijden. Vertrouwen dat er een god die ons hoort. Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *