Preek van de week – Zondag 2 februari 2020

“Niet degene die de ratrace niet meer aankunnen, maar de succesvolle in onze samenleving zijn misschien wel de gekken”.

Het is een uitspraak die niet zou misstaan in de Bergrede, de Bergrede in Mattheüs waar we vanochtend het eerste gedeelte van lazen. En toch kwam ik hem heel ergens anders tegen, namelijk in de Belgische krant De Morgen, in een interview met Paul Verhaege en Dirk de wachter, psycholoog en psychiater.

In dat interview stellen zij dat de norm in onze maatschappij veel te hoog ligt, een norm die er voor zorgt dat we onszelf voorbij lopen, en waardoor er voortdurend mensen dreigen achter te blijven of uit te vallen.

Want waar een paar honderd jaar terug, of eigenlijk nog wel meer recent, het ‘paradijs verdienen’ misschien nog als doel werd gezien van ons leven op aarde, is dat nu vervangen door geluk als een levensideaal waar we allemaal naar streven.

Ik denk dat het iets is wat we als mensen allemaal delen: dat verlangen om gelukkig te zijn, maar tegelijk ook de ervaring dat het ons nooit helemaal lukt. Er zijn allerlei dingen waarvan we hopen dat ze ons gelukkig zullen maken, maar eenmaal daar blijkt het vaak toch weer tegen te vallen. Geld is noodzakelijk en leuk, maar wanneer we getroffen worden door ziekte of zorgen in ons gezin, is het opeens heel wat minder waard. En een toffe baan of succes voelt goed, totdat de druk die erbij komt kijken zo hoog wordt dat we er aan onderdoor dreigen te gaan.

Daarmee wil ik absoluut niet zeggen dat het verlangen naar geluk verkeerd is, binnen de kerk heerst dat idee soms nog ten onrechte. En het is ook niet zonder reden dat dat buiten de kerk nog soms het idee leeft, dat geloven toch vooral betekent dat veel niet mag en dus alles behalve gelukkig maakt.

Maar dat is niet het beeld wat we tegen komen in de Bijbel, daar lezen we in Jeremia, hoe God zegt: ‘Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk’. En hier in de tekst van vanochtend lezen we keer op keer ‘Gelukkig ben je…’ Maar tegelijk roepen precies die uitspraken aan het begin van de Bergrede wel vragen op bij hoe we vandaag de dag tegen geluk aankijken.

Verhaege en de Wachter stellen dat geluk in onze samenleving steeds meer gezien als iets wat maakbaar is. Maar daarmee ook met het risico dat het egocentrisch wordt, en een samenleving creëert waarin pech, lijden en verdriet als je eigen schuld worden beschouwt. Als geluk maakbaar is, kan het namelijk altijd beter en zijn we nooit klaar.

Ik weet niet hoe het voor u is, maar ik herken het wel, bij mijzelf en om me heen. De schroom om te delen dat het niet zo goed met je gaat, of dat het in je gezin of relatie minder perfect is dan je zou willen. Het gevoel gefaald te hebben, wanneer je moet aangeven dat iets te veel voor je wordt of te snel gaat. Of die ervaring dat het antwoord ‘ja, druk hoor’, op de vraag ‘hoe gaat het met je?’, ergens ook wel het gevoel geeft dat je er toe doet of succesvol bent.

En in die context en ervaringen, klinken dan die uitspraken in de Bergrede opeens een nieuwe manier, zijn ze op misschien wel weer relevanter dan ooit tevoren. ‘Gelukkig zijn de armen van Geest…’ ‘Gelukkig de treurende… de zachtmoedigen… de nederigen….’ ‘Gelukkig zij de hongeren en dorsten naar gerechtigheid…’

Niet bepaald karakteriserend voor wat wij vaak als geluk zien. De eigenschappen die worden genoemd zijn misschien wel dingen die we in andere waarderen, maar vormen nou niet bepaald snel een reden om iemand gelukkig te prijzen. Degene die we over het algemeen feliciteren, zijn de mensen die succes hebben of die het voor de wind lijkt te gaan. Ongebruikelijke uitspraken dus, die ons idee van wat geluk is volledig op z’n kop zetten.

In de woorden van Jezus wordt een wereld geschetst waar andere normen blijken te gelden. Het is een koninkrijk waarin niet zij die alles perfect op orde hebben of vol zelfverzekerdheid zijn worden bewonderd, maar de nederigen, de armen van Geest, zij die zich verbonden weten met en afhankelijk van God en anderen. Het is koninkrijk waar niet wordt gezocht naar succes of macht, maar naar rechtvaardigheid en vrede. En dat wordt dan verbonden aan geluk, of eigenlijk ‘echt geluk’.

Want het Griekse woord Makaroi wordt niet volledig gedekt door ons woord gelukkig, en ook zalig roept niet helemaal de juiste associaties op. Andere vertalers kiezen er dan dus ook voor om het te vertalen met ‘Het echte geluk’.

Maar waarom ‘het echte geluk’, waar zit hem dat in? Tegen de achtergrond van het huidige geluksideaal, zou je kunnen zeggen dat het een geluk is van een andere orde. Het is een geluk wat we niet kunnen najagen of afdwingen, en wat niet alleen op de hoogtepunten van ons leven te vinden is. Juist in het besef dat geluk kwetsbaar is, en de realisatie dat ons ideaal en voortdurend streven naar geluk, ook negatieve gevolgen heeft, wijzen deze uitspraken van Jezus op een geluk wat niet afhankelijk is van onze omstandigheden. Op geluk wat te vinden is in het kleine en het alledaagse, ja zelfs in de moeilijke momenten, geluk wat we ten diepste ervaren in relatie met God en elkaar.

Om het iets tastbaarder te maken, zou je kunnen zeggen dat geluk daar is waar we zelfs te midden van moeilijkheden en tekortkomingen ons evenwicht kunnen bewaren. Dat we gelukkig zijn we wanneer we kunnen treuren en er zo ruimte ontstaat voor herstel. Dat geluk daar is waar het okay is om niet perfect te zijn, en we ons niet telkens zorgen hoeven te maken over hoe we overkomen. Dat we gelukkig zijn wanneer we ons niet gek laten maken door het continue verlangen naar meer of druk om het beter te doen, waardoor ruimte ontstaat voor de ander, in het besef dat we ook niet zonder elkaar kunnen.

Maar de tekst zegt nog meer… De verzekering van ‘het echte geluk’ ligt ook verbonden met de beloften die telkens daarna klinken. Wanneer we op deze manier in het leven staan, zullen we God en zijn koninkrijk zien verschijnen in de wereld. Het echte geluk is verbonden aan Gods koninkrijk.

In deze weken van Epifanie hebben we erbij stil gestaan hoe God verschijnt aan de wereld en zich laat kennen. Zo ook in de Bergrede. Daarin horen hoe God de wereld wil regeren, niet door machtsvertoon of geweld, maar door zachtmoedigen, treurenden, barmhartigen en vredestichters.

Gods koninkrijk en die belofte van geluk is dus ook niet alleen iets van de toekomst. Zo is de toevoeging, ‘want voor jou is het koninkrijk van de hemelen’ weleens ten onrechte geïnterpreteerd. Alsof de aarde slechts een wachtkamer is voor het volledige geluk wat in de hemel wacht. Nee, het is veel concreter dan dat. Het gaat er niet om of je naar de hemel gaat als je sterft, maar het betekent dat je één van hen zult zijn door wie Gods koninkrijk, verschijnt op aarde zoals in de hemel. Een koninkrijk vol van vrede en recht. En daarin ligt geluk.

God gebruikt ons om zijn koninkrijk vorm te geven. Mensen die het zout en het licht in de wereld durven zijn, die een kwetsbare, milde, maar krachtige en opofferende liefde laten zien. Naar het voorbeeld van Jezus zelf. Die ons laat zien wat het betekent om te hongeren en dorsten naar gerechtigheid, om te treuren, en nederig en zuiver van hart te zijn.

In deze eerste verzen uit de Bergrede, gaat het dus niet zozeer om het houden van een stel ethische geboden, niet om mensen die zich perfect weten te gedragen, maar om mensen die het voorbeeld van Jezus volgen, en die een nieuwe manier van leven laten zien. Ook als dat soms radicaal ingaat tegen de eigen tijdgeest.

Het gaat om vredestichters en barmhartigen, die in het groot of in het klein laten zien dat er ook andere menselijke relaties mogelijk zijn. Het gaat om mensen die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, en zo hun stem verheffen voor degene die onder aan de sociale ladder staan, of die niet mee kunnen in de ratrace van onze samenleving. Het gaat om nederigen van hart die ons erop wijzen dat succes niet alles is, en die het koninkrijk van de hemel zullen realiseren.

Het gaat om u en mij, wanneer we gaan beseffen dat geluk dieper gaat dan geld of succes, en verder rijkt dan ons eigen welzijn. Dat het ook iets is wat we ontvangen om van te delen, en wat lang niet altijd vanzelfsprekend is.

Want dat besef blijft, dat volmaakt gelukkig zijn hier nooit helemaal lukt, en dat perfect niet bestaat. Maar daar zit dan juist ook wel weer de kracht van het christelijke verhaal. Dat dit niet cynisch hoeft te maken en niet iets is waar we dan maar genoegen mee moeten nemen. Want waar het Evangelie realistisch is, is tegelijk ook hoopvol.

Juist wanneer we beseffen dat ons huidige geluksideaal niet alles is, omdat we misschien maar net ons hoofd boven water houden, omdat we ons alles behalve zelfverzekerd of succesvol voelen, of omdat er gewoonweg meer is om te huilen, dan om te lachen. Dan klinkt er de hoopvolle belofte dat we bij God mogen zijn zoals we zijn, dat we het bij hem niet voor elkaar hoeven te hebben, maar dat hij ons welkom heet en niet los laat.

Dwars door alles heen klinkt er in het Evangelie hoop. De hoop op Gods koninkrijk. Een koninkrijk van vrede, recht en barmhartigheid. Waar het licht sterker is dan het donker, liefde sterker dan het kwaad, en het leven sterker dan de dood.

Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.