Preek van de Week – Zondag 2 april ’17 door ds. Ynte de Groot

Joh. 8: 30-36 en 46-59

Nog twee weken dan is het zo ver. Dan vieren wij Pasen, het centrale en tegelijk zo overmoedige feest van de Kerk. Het feest van licht dat sterker is dan alle donker dat we kennen, van trouw die verraad en verloochening teniet doet, van liefde die de dood te sterk is.

Een overmoedig feest, dat ingaat tegen onze ervaring. Want overal zien of ervaren we de taaiheid van duister en onrecht, de macht van geweld en wreedheid, de onverbiddelijkheid van de dood. Schrijnende honger in de Hoorn van Afrika, honderden doden door natuurgeweld in Colombia, voortdurend menselijk geweld in Jemen, Irak, Syrië. Stromen mensen die op drift zijn geraakt – uit vrees voor al dit geweld of hopend op een beter bestaan. Als je het niet langs je heen laat gaan, wordt je er moedeloos van, of intens verdrietig.

Dichtbij is het soms niet veel anders: je baan wordt onzeker, je gezondheid geeft reden tot zorg, je ligt wakker omdat het niet goed gaat met een kind, een kleinkind, iemand die belangrijk voor je is…

Wie Pasen wil vieren – en ik bedoel echt vieren, niet eerbiedig herdenken als iets van lang geleden, maar vieren als een werkelijkheid die nu van betekenis is, als een kracht van Godswege die mensen met Christus doet opstaan tot een nieuw bestaan – wie zo Pasen wil vieren moet behoorlijk zijn best doen. Zich concentreren. Oefenen in vertrouwen. Volhouden om te blijven speuren naar tekens van Licht en Liefde, om niet berustend of bitter te worden, om vreugde te vinden en vreugde te geven.

Ik heb het gevoel dat het verhaal van Miriam en Micha daarover ging: om oefenen in vertrouwen. En ik denk dat dit precies is wat Johannes ook beoogt met zijn evangelie: zijn lezers helpen om te blijven vertrouwen. Niet op afkomst of positie, niet op eigen

kunnen of weten, niet op traditie of confessie, maar op Christus alleen. Op wat Hij zegt, doet en is, op dat wat Hij belichaamt – en om alleen daaruit te leven en te handelen.

Nu moet ik zeggen, dat ik het evangeliegedeelte van vandaag niet eenvoudig vind. Het is zo’n typische redevoering van Jezus zoals je die alleen maar bij Johannes tegen kunt komen.

De Jezus zoals Johannes hem tekent wijkt namelijk nogal af van de Jezus van de andere evangeliën. In de eerste drie evangeliën is Jezus de verkondiger van Gods Koninkrijk, bij Johannes is Hij de belichaming ervan. Volgens Johannes verkondigt Jezus niet de komst van Licht in het duister, maar is Hij zelf het Licht der Wereld.

Johannes bena­drukt in zijn evangelie herhaaldelijk, dat de toekomst van God al begonnen is. Het Koninkrijk van God ligt niet in de toekomst, maar is werkelijkheid geworden. In Jezus is God tot ons gekomen. Hij regeert hier op aarde het bestaan van allen die met Hem leven. Dat eigene van Johannes klinkt ook sterk door in het gedeelte van vandaag.

Johannes giet de boodschap die hij wil verkondigen in de vorm van een discussie van Jezus met ‘de Joden’. Meer precies: met Joden ‘die in Hem geloofden’. Er zijn onder de eerste lezers van dit evangelie dus volgelingen van Jezus van Joodse komaf en onder hen leeft de vraag: wie is Jezus?  Niet als historische figuur, maar in zijn betekenis voor het leven en geloven van deze Joodse volgelingen. Hoe verhoudt zich zijn komst en zijn optreden tot de geloofs­traditie van Israël?

Het antwoord op deze vragen is kennelijk zo schokkend, dat deze eerst gelovige gesprekspartners zich gaande het gesprek ontwikkelen tot tegenstanders. Aan het eind van het gedeelte proberen zij Jezus zelfs te stenigen, want zo heftig gaat het eraan toe als liefde omslaat in haat. Jezus heeft dus niet te maken met geheide tegenstanders als Farizeeën of schriftgeleerden, maar met mensen die wezenlijk door Hem geráákt zijn.

Waarin zit nu het breekpunt voor de gesprekspartners in de lezing van vandaag? De eerste scheur wordt zichtbaar in de passage over vrijheid. De toehoorders van Jezus zien zichzelf als mondige, autonome, vrije mensen. Zij zijn immers kinderen van Abraham? Zij zijn de dragers van een rijke traditie van geroepen mensen. Leden van het uitverkoren volk van God.

Jezus houdt hen voor dat vrijheid niet de mogelijkheid is om te doen wat je maar wilt, maar vrijheid is de mogelijkheid om het goede te doen. Alleen als je leeft naar het woord van Jezus ben je echt vrij. Vrijheid is niet iets dat je van nature hebt, of door geboorte krijgt, maar vrijheid moet worden verworven door je daden.

Dat sluit overigens mooi aan bij de lezing uit Exodus. Aan de oever van de Schelfzee staat Mozes vurig te preken over de vrijheid die God straks zal geven – als de Heer hem korzelig onderbreekt en zegt: Wat roep je zo luid tot Mij? Zeg de Israëlieten dat zij opbreken!  Spreek niet vroom over de vrijheid die Ik zal geven, maar ga op weg!

Of je met God leeft moet blijken uit je daden. Of je een kind van Abraham bent moet blijken uit het feit dat je op weg gaat en ook lééft zoals Abraham deed. En concreet betekent dat volgens het evangelie: leven naar het woord zoals Jezus dat spreekt en belichaamt. Want Abraham was al gemodelleerd naar de Messias. In Jezus komt aan het licht wat al te zien was in Abraham: namelijk hoe een waarachtig kind van God eruit ziet.

De gedachtegang van de Jezus die Johannes ons voorhoudt gaat zelfs nog een beslissende stap verder: Eer Abraham was ben IK. Jezus wordt de Godsnaam in de mond gelegd ‘Ik ben’.

Door de komst van Jezus wordt álle geloof herijkt. Naar twee kanten: naar de mens toe, maar óók naar God toe. In Jezus komt het waarachtige kindschap aan het licht, omdat God Zélf in Hem transparant wordt. Maar in Christus leren we niet alleen hoe gelovig leven eruit ziet, maar ook wie God werkelijk is. Wie Christus heeft leren kennen zal ánders over God gaan spreken dan voorheen.

Volgens de lezing roept deze gedachte grote weerstand op, agressie zelfs. Geen wonder: wie God en mens zó in één adem noemt scheert rakelings langs de ketterij.  De mensen maken Jezus uit voor bezetene en voor Samaritaan (wat uit hun mond zoveel als ketter betekent) en zij willen Hem stenigen. En ik denk dat als wij deze woorden werkelijk tot in de volle consequenties doordenken – ook wij erdoor van ons stuk raken. Want volgens Johannes moeten wij álles wat we over God en mens denken te weten: heel ons belijden, onze bijbelkennis, onze kerkelijke traditie, ons hopen en ons bidden, álles telkens opnieuw ijken en toetsen aan Christus.

Pasen vieren – niet plechtig herdenken, maar vieren – doen we dus niet door over Jezus te praten, maar door met Hem als de Opgestane te leven. Daarin komt ons mens-zijn nieuw aan het licht, daarin komt ook de manier waarop God God is nieuw aan het licht. God is niet gesetteld, bestaat niet in een abstracte, objectieve werkelijkheid: niet in de kinderen van Abraham, niet in de Kerk. Hij woont ook niet in een heilig boek, Hij is niet verbonden aan kerkelijke of andere menselijke instituties (laat staan eraan gebonden). Maar Hij is nabij in Christus: als een naaste, als een medemens. Die ons gediend heeft en die wij op onze beurt kun­nen dienen in de mensen om ons heen. God is te vinden in de ontmoe­ting met die ene Mensenzoon, het kind van God bij uitstek, die onze Heer én onze naaste tegelijk is geworden.

God is te ervaren in de gemeen­schap met en de dienst aan alwie in naam van die Ene elkaar in de ogen zien, proberen bij te staan en moed te geven.

Zo geeft Johannes in zijn evangelie zijn beeld van Jezus. Geen objectief verslag van historische gebeurtenissen, maar een geloofsvoorstelling. Voor hem staat vast dat er op het gebied van het geloof maar één oriëntatiepunt is: de Opgestane Heer. Alle denken over godsdienstige tradities moet aan Hem worden getoetst. Alle geloofszekerheden en heilige huisjes moeten aan Hem worden geijkt.

God geve, dat wij déze boodschap meer en meer leren verstaan om er ook uit te kunnen leven. Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.