Skip to main content

Preek van de Week – Zondag 19 november ’17

‘Gaan’ van Remco Campert
Deuteronomium 30, 11 – 20
Matteüs 7, 13 – 14

I
‘Ik zal gaan / O met genoegen zal ik gaan / met diepe vreugde en trompetgeschal / ik zal gaan’ (Remco Campert) Over de levensweg gaat het vandaag. Over pelgrimeren, ook zonder rugzak en uitgekozen reisdoel. Over kruispunten op je weg, waar je een keuze moet maken. Ga ik links of ga ik rechts? En kies ik het smalle pad of neem ik de brede weg? Misschien herkent u in die vragen de lezingen van vandaag: ‘Kies voor het leven!’ (Deut. 30, 19). ‘Smal is de weg ernaartoe.’ (Mat. 7, 14).

De reis als een beeld voor ons leven is universeel. In veel religies tref je het centrale beeld van de weg aan, het pad of de reis. Ook in de Bijbelse traditie zijn mensen onderweg. Er wordt wat afgereisd. Vraag het maar aan Mozes. Als er voor iemand geldt dat de reis de bestemming is, dan is het wel voor Mozes. Hij is het beloofde land niet binnen gegaan. Zijn naam blijft verbonden aan die tocht van veertig jaar door de woestijn. Maar is hij daarmee een tragische figuur? O nee! Er is iets dat ver uitstijgt boven aankomen in het beloofde land. En dat is die stem, die jou roept en jou op je voeten zet: ‘Als jij roept zal ik gaan / mijn werk mijn eten en mijn handen / zal ik laten staan / als jij roept zal ik gaan.’ Die roeping en jouw gaan bepalen wie jij bent.

‘Ik zal gaan / O met genoegen zal ik gaan / met diepe vreugde en trompetgeschal / ik zal gaan’ De eerste strofe van het gedicht van Remco Campert doet denken aan Psalm 119. Die psalm, die bijna niet van ophouden weet. Over gaan in het spoor van de Thora. En de diepe vreugde die dat geeft: ‘Het is uw wet, waarin ik mij verblijd, / het is uw heil, waarnaar ik blijf verlangen.’ (Ps. 119:65 ber.) Die associatie komt geheel voor mijn rekening. Remco Campert heeft vast niet aan de psalm gedacht bij het schrijven van dit gedicht. Een vrouw ligt in zijn geval meer voor de hand. Maar dan nog is die associatie met de psalm en de vreugde om de Thora niet zo gek. De Thora wordt in het jodendom voorgesteld als bruid. En de geluksvogel die aan het eind van het jaar de laatste verzen van het vijfde boek mag lezen, wordt bruidegom van de Thora genoemd. De Thora is omgeven met vreugde. Op het slotfeest van het jaar, Simchat Thora (de vreugde om de Thora) wordt uitzinnig met de boekrol gedanst, zoals een mens met zijn geliefde danst. ‘Ik zal gaan / O met genoegen zal ik gaan / met diepe vreugde en trompetgeschal / ik zal gaan’

II
Bij de voorbereiding van de uitvaart van haar man (Rikus), zei een gemeentelid (Aaf) tegen me: ‘Met onze huwelijkstekst hoeven we geen rekening te houden.’ De dominee van het dorp (Lutjegast) gebruikte drie teksten die hij afwisselend gebruikte. Hun trouwtekst was ‘Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat ik u wijzen zal.’ (Gen. 12, 1)’ Vervolgens bleven we gewoon wonen in het dorp,’ vertelde ze. Van het plan om te gaan pionieren in de Noordoostpolder, daar kwam niets van in. Ze hoorden in het dorp, vond de familie.

Mooi hè, die paradox? God, de Eeuwige went nooit. God, die je roept en raakt en jou doet duizelen van liefde en die jou schaakt en weghaalt uit het al te vanzelfsprekende. Die God went nooit. En voordat engelen jouw wagen vleugels aanbinden, wordt God ingespannen voor de kar. Om hem te leren hoe het hoort en wat de wetten van het dorp zijn. Hij wordt getemd. Jij wordt getemd. Er komt te veel op losse schroeven te staan als je deze God zijn ongekende gang laat gaan met jou. Er is trouwens geen enkele reden om neer te kijken op dit dorp. Het kent nog de huiver voor de verandering. En de onmogelijke passie van deze God. Het gemak waarmee het oude wordt losgelaten en wij ons moderne mensen noemen, zegt nog niet dat wij er meer van begrepen hebben. Deze God valt niet te begrijpen.

Kent u de afbeelding van de brede en de smalle weg? Hij is heerlijk gedateerd. En het is gezond om er bij te glimlachen. Er zijn twee wegen op te zien. Ze hebben beide hun eigen toegangspoort. De ene is ruim en gesierd met een niet te missen welkom. De andere is onooglijk. Als je groot bent, moet je bukken om er doorheen te kunnen. ‘Enge poort’ staat er op het bordje. De afbeelding is een verlevendigde uitleg bij het evangelie van deze zondag: ‘Ga door de nauwe poort naar binnen. Want de brede weg, die velen volgen, en de ruime poort, waar velen door naar binnen gaan, leiden naar de ondergang. Nauw is de poort naar het leven, en smal de weg ernaartoe, en slechts weinigen weten die te vinden.’ (Mat. 7, 13 – 14)

De brede weg leidt langs alle vermaak die de wereld in aanbieding heeft. Het is er druk. De smalle weg leidt je langs de kerk en langs de opvang voor mensen die het niet breed hebben. Zonder gevaren is die weg niet. In de verte wacht een leeuw op zijn prooi. Het is er beduidend minder druk. Alleen, die brede weg eindigt in een afgrond met een vuur dat niet te blussen is. Terwijl de smalle weg omhoog kruipt en uitkomt in het hemelse Jeruzalem. Tussen hemel en hel, bovenaan de afbeelding, is prominent het alziend oog van God zichtbaar. Heel de afbeelding is bezaaid met aanduidingen van Bijbelteksten. Niets wordt aan je fantasie overgelaten. Je krijgt twee kansen om te switchen tussen de brede en de smalle weg. Twee bruggetjes liggen er over de kloof tussen beide wegen. Maar ben je er voorbij, dan ligt je bestemming vast: hetzij de hel, hetzij de hemel.

III
Op geen van beide wegen is de reis je bestemming. Daarvoor is de afbeelding te zeer ingevuld en dichtgetimmerd. Welke poort je ook kiest en welke weg je ook gaat, God zal jou er niet verrassen. Hij staat ver boven jou en iedereen. De architect van hemel en hel. Kies je de brede weg, dan wordt de vreugde en het vermaak verpest door de angst voor de hel. Kies je de smalle weg, dan wordt de schoonheid van de liturgie en de zorg om de naast verknald door jouw reisdoel. Want om de hemel is het jou te doen. Niet om die ander.

Zo zal je nooit de vreugde proeven van het doen van de Thora. Hier en nu op jouw weg, die ook de weg van de ander is. Geen blik die jou uit evenwicht brengt. Geen appel dat jou uit koers trekt. Jouw bestemming ligt voorbij die ander. Jouw handelen is bepaald door angst voor de verdoemenis of door de wil om de hemel te winnen. Nooit zal je snappen wat de dichter drijft, de liefde die hem roept – kome wat er van komt: ‘Als jij roept zal ik gaan / mijn werk mijn eten en mijn handen / zal ik laten staan / als jij roept zal ik gaan.’

Uit dat hout is God gesneden. Maar dat mocht toch niet, God vastleggen in een beeld? Nee, en precies daarom deugt dat alziend oog ook niet en daarmee heel die afbeelding van de brede en de smalle weg. Als uit een gedicht is God gesneden. Een woord dat je steeds weer anders raakt. Een liefde, die je overkomt, welke weg je ook gaat. ‘Als jij roept zal ik gaan.’ Die ‘jij’ hoeft niet per definitie God te zijn. God kan ook die ‘ik’ zijn, waardoor jij ‘jij’ wordt. Begint de bevrijding niet met God die de schreeuw van zijn volk hoort en die besluit om af te dalen en de hemel de hemel te laten? ‘Als jij roept zal ik gaan.’ Toont God zich niet aan Mozes, zijn vriend, als die er om vraagt hem te mogen zien. En gaat God dan niet, al houdt hij zijn hand beschermend voor Mozes als hij hem rakelings nabij komt? In dat spel van jij en ik en ik en jij, is wie er roept uitwisselbaar. Het gebeurt onderweg. Daarom ook is de reis je bestemming. En niet de finishplaats die je kunt uittekenen, je hemel of je hel. Liefde heeft de finishplaats niet nodig. Ze roept. En soms ben jij haar stem, soms ben jij degene die antwoordt door te gaan – kome wat er van komt.

IV
God wordt er minder duidelijk door. Dat is het mooie van de afbeelding van de brede en de smalle weg, met midden bovenaan het alziend oog. In een oogopslag zie je hoe het zit. Alles heeft een verklaring. Met alles heeft God een bedoeling. Pijn en moeite, verdriet en zorgen, ze zijn relatief. Je kunt je blik verleggen naar het hemelse Jeruzalem dat jou wacht. Maar als het waar is dat God de hemel heeft verlaten omdat hij de schreeuw gehoord heeft, dan is dit gemankeerde leven voortaan zijn bestemming. Rakelings nabij jou, waar jij het niet meer trekt om wat jij er van gemaakt hebt en om wat zij jou gedaan hebben. Het is een plek waar zelfs een God al zijn schoonheid verliest. Zijn alziend oog is een kloppend hart geworden. Zijn hemelse glorie is louter liefde geworden. Precies daarom zegt de Thora dat het gebod om de naaste lief te hebben gelijk is aan het gebod om God lief te hebben boven alles. Het alziend oog kun je zijn vaste plek geven in het midden bovenaan. Maar deze God laat zich niet vastleggen. Soms is hij ‘ik’ in ‘Als jij roept zal ik gaan.’ Soms is hij ‘jij’. Maar nooit staat hij los van wat er vonkt tussen jou en de ander. En altijd is hij onderweg naar ons toe.

Remco Campert denkt in zijn gedicht, getiteld ‘gaan’, niet aan God of aan Jezus. Wel aan jou trouwens en dat telt ook. Maar wat let ons om dit gedicht naast Thora en Evangelie te lezen, en onze Heer en heiland te zien opstaan in de laatste strofe van dit gedicht: ‘Ik zal gaan / al breken ze mijn benen / al moet ik kreupel gaan / engelen binden dan mijn wagen / vleugels aan / Ik zal gaan’

VI
‘Ik roep vandaag hemel en aarde als getuigen op: u staat voor de keuze tussen leven en dood, tussen zegen en vloek,’ zegt Mozes. Vloek, dat is God vastpinnen als alwetend en alziend. Zegen is je laten verrassen door een liefde die jou op je weg uit je zelf gekozen koers trekt. En de brede weg die velen volgen, de weg waarop je met gemak de ander kunt passeren en links kunt laten liggen, die weg leidt naar de ondergang, zegt Jezus. De smalle weg, waarop je botst op de ander en je je geen raad weet, en je wat moet met wat je ziet (en zij met jou), dat is de weg waar Gods liefde wel raad met ons weet. Om van die God te getuigen, bidden de monniken de getijden en zijn wij kerk: ‘Als jij roept in de morgen / in de middag in de avond / in mijn dromen in mijn waken / als jij roept zal ik gaan.’

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *