Preek van de Week – Zondag 18 november ’18 door ds. Alberte van Ess

Lezingen:
Exodus 30: 11-16
Marcus 12:38 – 13:2

Het verhaal van de arme weduwe is spreekwoordelijk geworden: Het penningske der weduwe, waarbij het volgens het woordenboek en google gaat om een kleine gift van grote waarde. Een bekende uitdrukking voor wie het verband met het bijbelverhaal nog kan leggen, want die penning zijn we inmiddels kwijtgeraakt. De Nieuwe Bijbelvertaling heeft het nu, zoals jullie hoorden over een quadrans, letterlijk een kwart. Dat was een in die tijd veel gebruikte Romeinse munt van weinig waarde. In de Naardense vertaling is het verband nog steeds in het tekstgedeelte duidelijk. Daar offert de weduwe twee penningen ter waarde van een duit. Moet je dan wel weten wat dat betekent.
Echter het bijbelverhaal is ook anderszins van grote waarde gebleken. Voor iemand, wiens naam bij velen vast nog wel bekend is: Leo Tolstoj. Hij heeft zijn halve leven zich het hoofd gebroken over het verhaal van de weduwe. Naast schrijver en filosoof was hij namelijk ook een Russische edelman met een flink vermogen. Het verhaal vertelt dat hij op een dag samen met de timmerman Simeon in Moskou aan het wandelen was. Ze liepen over de Dragomilov-brug in Moskou, toen ze een bedelaar ontmoetten. Zijn metgezel Simeon haalde een munt van drie kopeken uit zijn zak. Hij gaf dat geldstuk aan de bedelaar en vroeg twee kopeken terug . De bedelaar had echter maar één kopeke terug. De timmerman wilde het muntje al aannemen, maar hij kwam tot andere gedachten. Hij sloeg een kruis, gaf het muntje terug, nam zijn muts af en liep door. Tolstoj, de graaf en groot grondbezitter, gaf 20 kopeken, waar uiteraard de bedelaar bijzonder blij mee was. Echter terwijl hij verder wandelde ging Tolstoj bij zichzelf te rade. “Simeon bezit als kapitaal zes of zeven roebel, dat weet ik; hij gaf drie kopeken, ongeveer een tweehonderdste deel. Ik heb 600.000 roebel in bezit. Dus ik had de bedelaar, om even vrijgevig te zijn, drieduizend roebel moeten geven. Maar ben ik dan wel even vrijgevig? Zelfs al geef ik 100.000 roebel, dan heb ik er nog 500.000 over”. Daarop stortte hij zich in ongeremde zelfbeschuldigingen. “Ik ben een mens zonder ruggengraat, een parasiet die nergens goed voor is. Ik ben de luis die de bladeren van de bomen afknaagt.” Op die dag besloot Tolstoj Jezus gebod te volgen en alles te verlaten en zijn geld aan de armen te geven. Hij wilde zelf bedelaar te worden om goed te kunnen zijn en doen. Het kostte hem wel jaren om zijn besluit waar te maken.
Zo kan een bijbelverhaal ineens heel dichtbij komen en concreet worden.
Dat lijkt wat lastiger met het bijbelgedeelte dat we uit Exodus lazen. Een moeilijk toegankelijk stuk. Waar gaat het eigenlijk over. Wat moet je ermee?
Het gedeelte, wat we lazen, is ook binnen de context een wat vreemde eend in de bijt. Midden tussen de voorschriften over de tabernakel en de offercultus komt ineens de heffing bij een registratie ter sprake. Het lijkt in eerste instantie te gaan om een soort verzoeningsgeld, om erger te voorkomen. Maar wie of wat er dan verzoend moet worden, wordt niet vermeld. Nu is wel uit andere bijbel-gedeeltes bekend dat zo’n volkstelling kon leiden tot excessen waar zelfs doden bij vielen. Hoe het ook zij, verderop in de tekst lijkt het wat concreter te worden, als de bestemming van het geld ter sprake komt. Het losgeld is ten bate van de dienst in de ontmoetingstent. Dan moeten we dus eerder denken aan iets als kerkbalans. Ter waarde van een halve sjekel, hoorden we, in de tijd van de bijbel het meest gebruikte gewicht. Maar het zal lastig worden op grond hiervan een indicatie te geven van de hoogte van deze soort van kerkelijke bijdrage. Want het omrekenen van bijbelse maten en gewichten is niet zo eenvoudig. Allereerst is van sommige maten en gewichten de exacte waarde niet bekend. Daarnaast veranderen door het omrekenen de precieze getallen, terwijl die soms expres een ronde waarde hebben en daarmee een symbolische betekenis. In onze ogen heeft wellicht deze kerkbalans ook een merkwaardige verdeelsleutel. Niks inkomens-afhankelijke bijdrage. Arm en rijk moeten evenveel betalen. Toch is de achter-liggende gedachte positief bedoeld. Een volkstelling diende vooral voor de belastinginning en voor de opbouw van een leger. De regel van de heffing voor JHWH moet verhinderen dat de wereldlijke heerser zich daarmee alleen verrijkt en gebruikt voor eigen gewin. Het bedrag moet relatief bescheiden zijn, zodat zowel de arme als de rijke het moet kunnen opbrengen. En het geld moet dus ten goede komen aan de religieuze bijeenkomsten. Met andere woorden geef God, wat God toekomt.
Dat is ook wat de weduwe doet. En haar gift wordt ons tot voorbeeld gesteld. Als kwetsbare in bijbelse tijd had de weduwe dubbel pech. Ze was arm, waarschijnlijk oud en daarom op de arbeidsmarkt van weinig waarde. En helaas geen pensioen en of AOW. Bovendien had ze als alleenstaande vrouw nauwelijks rechtsbescherming. Het rabbijnse jodendom kende enige bescherming, maar gezien de houding van de mensen die dat hadden moeten waarborgen, de schriftgeleerden, kon je daar blijkbaar weinig van verwachten. Deze krijgen er daarom ook flink van langs. Uit deze en andere teksten uit het evangelie moeten we wel concluderen dat er een breuk is ontstaan tussen Jezus en de schrift-geleerden. Alhoewel we ze natuurlijk ook niet over een kam moeten scheren. Net voor deze felle woorden van Jezus heeft Hij nog met een schriftgeleerde het “sjema Jisraeel” beleden. Een schriftgeleerde zonder eerzucht, hebzucht en huichelarij. Die zijn er ook, maar er zijn dus ook anderen. In het voorafgaande heeft Jezus de schriftgeleerden al aangevallen op hun leer. En nu wordt hun praktische leven onder de loep genomen. Want hun vroomheid is vaak een façade. Ze lopen te pronken op het marktplein. En in de synagoge waar de gewone man op de grond zit, nemen zij plaats op het gestoelte tegenover de Thora-schrijn. Ze eisen de ereplaatsen aan tafel op. Het gevolg is dat zij juist de wet overtreden die zij zo vroom verkondigen. Zij laten zich verzorgen door de weduwen in plaats van het omgekeerde. Ze laten zich zelfs betalen voor hun voorbeden.
Over de hoofden heen van deze ijdele schriftgeleerden richt Jezus zich ook tot alle andere vrome lieden van alle tijden en plaatsen. Want we weten het allemaal het kan met geloof alle kanten op. Het kan het beste in een mens oproepen, maar ook het slechtste. Er zijn zeker grootste dingen gedaan in naam van het geloof.
Maar ook het tegenovergestelde: Er zijn mensen op de brandstapel gegooid en vuile oorlogen gevoerd in naam van het geloof. Geloof kan verzoening brengen tussen mensen, maar het kan ze ook voorgoed van elkaar vervreemden.
Woorden vinden voor dit geloof is een hachelijke zaak. Maar het mag, het moet zelfs. Geloof moet gevierd en gevoed kunnen worden, gedeeld en overgedragen kunnen worden. We kunnen wat dat betreft niet zonder tempel, kerk en schrift-geleerdheid. Al is het alleen maar om ons aan te schuren, te slijpen en vervolgens zelf ons geloof dan wel ongeloof te vormen. Maar het gevaar blijft dat geloof uiterlijk vertoon wordt. Dat woorden hun diepere betekenis verliezen en tot middelen worden om mensen te imponeren of om gelijk te krijgen. En dat intussen de kwetsbaren onder ons worden vergeten.
Er is daarom de nooit aflatende opdracht er op toe te zien dat geloof niet verstart. Dat vormen tot sleur worden, zonder bezieling. Zoals jullie wellicht weten zijn we bezig om ons te bezinnen over de invulling van deze derde gezamenlijke dienst. De opdracht was, om zoals dat tegenwoordig heet, ‘out of the box’ te denken. Dat doen we in klein verband met vertegenwoordigers uit de drie betrokken wijkgemeentes. Het gebruik van de vertrouwde liturgische vormen van welke wijkgemeente dan ook staat daarbij niet van tevoren vast. Ze volgen en moeten passen bij de inhoud, een thema, concreet in onze werkelijkheid van nu in kerk en samenleving.
Het verhaal van de weduwe speelt zich af op datzelfde grensgebied. Het gebied rond het heiligdom. Jezus zet zich daar neer. Vanuit zijn positie kan hij en ieder dat wil zien, wat je in het offerblok deed. Zouden daarom de rijken veel geven? Een open collecteschaal in onze dagen schijnt ook meer op te leveren, omdat je natuurlijk niet onder wilt doen voor een ander. Maar de rijken met hun gaven trekken niet de aandacht van Jezus. Hij heeft er ook geen oordeel over. Het gaat Hem om de waarde van het offer van de weduwe. Zij geeft alles, haar hele leeftocht, alles wat ze heeft. Ze geeft zichzelf, helemaal.
Het verhaal van de weduwe heeft Marcus op een bijzondere plaats in zijn evangelie geplaatst. Vlak voordat hij vertelt over de ondergang van de tempel, gevolgd door de rede van de laatste dingen over de ondergang van de wereld. En daarmee koerst Jezus ook recht af op zijn lijden en zijn eigen aardse ondergang. Maar even daarvoor nog dat voorbeeld over een weduwe die met haar offer haar hele leeftocht geeft, voordat Jezus zijn offer en leven zal geven.
Wat betreft het kerkelijk jaar loopt het ook tegen het einde. Het is vandaag de een na laatste zondag van de Voleinding. Donkere wolken pakken zich samen. . Het is onherbergzaam. Het oordeel hangt in de lucht. Nu hebben wij het niet meer zo op een oordeel. God-zij-dank zijn de tijden van hel en verdoemenis voorbij. Maar het andere uiterste. Geen enkele kritische instantie meer buiten onszelf, die ons leven, af en toe op scherp zet? Geen kwetsbaren meer toelaten in onze leefkring, die knagen aan ons geweten dat wij het zo goed hebben? Laat met, met Tolstoj, dan maar jaren duren. Erger zou zijn, als wij die heilige onrust
niet meer zouden willen voelen, amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *