Preek van de Week – Zondag 16 juni ’19

Openbaring 4, 1 – 11
Johannes 3, 1 – 16

I
Elk jaar komt Nicodemus een keer voorbij. Op de eerste zondag na Pinksteren. Op zondag Trinitatis. Het feest van Vader, Zoon en heilige Geest. De heilige Drie-eenheid. Voeg een onbegrijpelijke theologische gedachte bij een ondoorzichtig nachtelijk gesprek en je hebt een prima mix om de lust tot luisteren op voorhand weg te nemen. Dit komt niet in de buurt bij wat je zoekt. Je hoopt hier iets van de levende God te ervaren. Een troostende nabijheid. Een moment waarop alle dingen, waar je je hoofd over breekt en waar je je ziel aan open haalt, op hun plek vallen. Even. Daar hoeft niet nog eens een kunstmatige hersenkraker uit de 4e eeuw aan worden toegevoegd. Of een gesprek uit het jaar 0, waar je geen voelsprieten voor hebt, zodat je niet eens de kans krijgt om er aan deel te nemen. Waar hebben Nicodemus en Jezus het over? Wat ons vandaag wordt voorgeschoteld, is ongeveer het tegenovergestelde van Pinksteren, toen mensen, overal vandaan, de vreugdeboodschap hoorden in hun eigen taal.

En alsof het allemaal nog niet onbegrijpelijk genoeg is, komt daar nog een lezing uit het boek Openbaring overheen. Dat boek vol woeste beelden waarin horen en zien je vergaan. Ontregelende kunst in plaats van verhelderende taal. Maar als we nu eens de heilige Drie-eenheid ook in dat licht bezien. Als ontregelende kunst. Dan wordt het misschien toch nog spannend. Dat had ik mijn vader zo gegund. Hij ontwierp het logo van de kerkelijke gemeente in mijn geboorteplaats: een gelijkzijdige driehoek met drie gelijke hoeken. Symboliserend Vader, Zoon en heilige Geest. Geen beweging in te krijgen. Maar wel om je vervelend aan te kunnen stoten. Nee, dan zijn streekgenoot Herman Finkers! Die gaat pas vrolijk los als iets niet logisch is. Met drie is een begint geloven voor hem pas.

De kerk doet trouwens zelf ook meer dan bomen over deze hersenkraker. De heilige Drie-eenheid zet haar in beweging. Wilt u dat met eigen ogen zien, ja zelfs aan lijf en leden ervaren, kom dan vanmiddag om vijf uur naar de feestelijke Evensong in deze kerk. Elke keer als de lofverheffing klinkt op Vader, Zoon en heilige Geest, komt de kerk in beweging en staan de bezoekers op. Zoals dat voor de monniken in de kloosters dagelijkse kost is in elke getijdedienst. Hier is de heilige Drie-eenheid geen hersengymnastiek maar interactief theater dat een mens wakker houdt en lenig. Ik word er elke keer weer door geraakt als ik zie hoe diep de oude monniken buigen kunnen. Aan hen moet ik denken als we vandaag lezen over de vierentwintig oudsten die van hun tronen af komen en zich neerwerpen voor die Ene in het midden, die leeft tot in de eeuwen der eeuwen.

Wat zondag Trinitatis met lenigheid en met beweeglijkheid van doen heeft, hopen we nog te ontdekken.

II
Het gesprek tussen Jezus en Nikodemus vindt plaats in de nacht. Hij is een man van naam in Jeruzalem. En niet zo een die zichzelf zoekt. Hij draagt verantwoordelijkheid. De samenleving gaat hem aan het hart. De mensen hebben voor hem een gezicht. Hij draagt ze met zich mee. Van een grote verantwoordelijkheid kun je soms wakker liggen. Er zijn voors en er zijn tegens. En beide raken mensen in hun bestaan. ‘Gedenken zal ik ’s nachts uw Naam, o ENE,’ zingt de psalmdichter, ‘Uw wet zal ik bewaken’ (Psalm 119:55). Zo een is Nikodemus. Een Farizeeër van de beste soort. Vergeet alstublieft de karikaturen. Hij leeft met de boeken van Mozes. Hij leeft uit de boeken van Mozes. Zijn hart voor mensen en zijn ervaring als bestuurder zijn hem niet genoeg.

In zo’n nacht van biddend wikken, wegen en studeren, staat hij op en gaat naar Jezus toe. Hij vraagt zich niet af of die misschien slaapt. Het zijn zielsverwanten. Nikodemus herkent in Jezus de leermeester, die hij zelf ook is. Die zelfde liefde voor de Thora. Maar bij Jezus is het net alsof de richting gevende woorden vlees en bloed geworden zijn. ‘Rabbi, we weten dat u als leermeester van God gekomen bent; want niemand is bij machte deze tekenen te doen die ú doet als God niet mét hem is!’ (Joh. 3, 2) Niet omdat hij mensenkennis heeft, weet Nikodemus dit. En ook niet uit ervaringswijsheid. Hij leest Jezus, zoals hij de Thora leest. Daarom weet hij het.

En toch is er iets dat Nikodemus ontgaat. Dat weet hij zelf ook. Het is net als met het bestuderen van de Thora, je moet er steeds weer naar terug. Er zitten zo veel kanten aan. Ze heeft zo veel geheimen. Het is net als met een geliefde: hoe beter je haar kent, hoe meer je weet dat je een leven lang niet op haar uitgekeken raakt. Daarom wil Nikodemus naar Jezus toe. Niet om bevestigd te krijgen wat hij al lang weet. Maar om in de afgrond van een liefde te kijken, die te groot is om te vatten. Ik denk dat Nikodemus eerder wordt getrokken dan dat hij gaat.

‘Alleen wie opnieuw wordt geboren, kan het koninkrijk van God zien,’ (Johannes 3, 3) zegt Jezus. ‘Weer iets onmogelijks, dat ik moet kunnen,’ hoor je Nikodemus denken. ‘Je kunt toch niet terug in je moeders buik?’ Je zou het soms bijna willen. Bescherming zoeken. Je onbevangenheid terug winnen. Als je al je beslissingen de revue laat passeren. En de verantwoordelijkheid zwaar voelt wegen. Ja, als je het allemaal nog eens over zou kunnen doen. Ja dan…

Maar heb je dat twee keer ‘amen’ gehoord dat over jou wordt uitgesproken? Over al dat wikken en wegen van jou? Over al dat wakker liggen in de nacht? Over dat hartstochtelijk zoeken naar God en het goede? ‘Amen, amen,’ Nicodemus. Over al die losse eindjes, al die onontwarbare knopen: ‘Amen, amen’ In de NBV vertaald met ‘waarachtig’. Boven alle waarheid uit, gaat de waarachtigheid van Gods liefde. En je hoeft er niet naar te reiken, want ze komt naar je toe. Uit de hoogte word je geboren, Nikodemus. Je weet wel, Nicodemus: ‘opnieuw’ en ‘uit de hoogte’ is een en het zelfde woord. Maar wat jij nog moet leren is dat je het niet zelf hoeft te doen. God is aan zet. Jouw heilig moeten, jouw ‘had ik maar’, heeft God niet nodig om jou opnieuw geboren te laten worden. Amen, amen over jou vanuit de gloria!

III
Daarom komen de vierentwintig oudsten in de hemel van hun tronen om zich voor de Ene neer te werpen en te scanderen: ‘U komt alle lof, eer en macht toe.’ U, die als Eerste van uw troon af kwam om af te dalen uit de hoge en om in uw Zoon bij de mensen te zijn. Niet met liefde als een heilig moeten of als een hoog verheven ideaal. Dat zouden we nog kunnen vatten. En misschien zelfs nog aan de man weten te brengen. Nee, als liefde die ruimte is en die ruimte maakt voor mensen die verlopen lopen, zo is God gekomen. Liefde waarin ruimte is voor jou naast de Vader en de Zoon. Minstens zo bizar is die gedachte als alle beelden uit Openbaring bij elkaar. Kunst van de hoogste orde is het. Verstand hoef je er niet van te hebben, want het is de Geest die jou de ruimte van de liefde binnen loodst. In die ruimte past heel de wereld. Dat is de verbeeldingskracht van de heilige Drie-eenheid. ‘Want God had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.’ (Joh. 3, 16)

Geloven in Hem is het niet het onderschrijven van waarheden en dogma’s. Geloven in Hem is je niet losrukken en niet op de vlucht slaan als je meegenomen wordt in de dans van de Vader, de Zoon en de Geest. Die dans is midden in de wereld. De pasjes leer je gaandeweg omdat je in de dans wordt meegenomen. Verloren lopen gaat niet meer sinds je door God gevonden bent.

Vraag niet waar ik het vandaan haal. De Geest is als de wind. Ze waait waarheen ze wil.

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.