Preek van de Week – Zondag 16 juli ’17

Lucas 5, 1 – 11

I
Een paar weken geleden speelden we met de kinderen dat de Nieuwe Kerk de Ark van Noach was: Gods eigen schoenendoos van waaibomenhout waarin hij zijn schatten bewaarde. Dobberend op het water dat overal was. Vandaag is de Nieuwe Kerk een bootje. Het vissersbootje van Petrus. Het bootje waarin Jezus stapte om de toegestroomde mensenmassa aan de oever een hart onder de riem te steken.

Het schip van de kerk. Een bekend beeld. De kerk heeft wat met water. Ga je een oude kerk binnen, dan is de kans groot dat je het eerst de doopvont ziet. Wie bij de gemeente van Christus wil horen moet door het water heen. Kerkgangers weten van ondergaan en van gered worden. Alleen daarom al bestaat er zielsverwantschap tussen de kerk en de mensen die in vol gepropte bootjes de oversteek wagen naar Europa. Zielsverwantschap tegen wil en dank. Ook als het mensensmokkelaars zijn die hen in gammele bootjes de zee op sturen. Van die zielsverwantschap komt de kerk nooit meer af.

Op de voorkant van de orde van dienst staat een tekening van Len Munnik afgedrukt. Het was het logo van de buurtkerk in het Oude Westen van Rotterdam in de jaren ’80. Ontegenzeggelijk het scheepje van de kerk. Met het kruis als mast. ‘Loof God, Hij stuurt het schip der kerk, / dat naar de morgen vaart. / Hij is de hartslag van ons werk, / Hij houdt het welbewaard,’ zingen wij straks. Het tweede couplet van lied 273 uit het Liedboek. De tekst is van Jan Willem Schulte Nordholt.

Je moet wel wat verbeeldingskracht hebben om de gemeente van de Nieuwe Kerk te herkennen in de tekening van Len Munnik. Zo dicht op elkaar hoeven we hier niet te zitten. En zo divers als de mensen in het bootje zijn we ook niet. Misschien daarom wel die associatie met bootvluchtelingen. Wat we met hen gemeen hebben is de vraag of er nog een God is die stuurt. En wat het betekent: ‘Hij houdt het welbewaard.’ Voor vluchtelingen een vraag op leven en dood. Voor ons als gemeente in de stad een zeurende vraag in een tijd van krimp.

II
Het bootje van de kerk is een beeld. Je moet wel veel fantasie hebben om in de Nieuwe Kerk een bootje te zien. Ze staat hier al eeuwen lang rotsvast mooi te wezen. Maar we zijn hier wel gewend om in beelden te denken. Het evangelie letterlijk nemen, doen we al lang niet meer. De verbinding met het gewone leven valt steeds lastiger te maken. De wereld redt zich al lang zelf. Dus creëren we hier onze eigen wereld. We doen alsof we een bootje zijn dat naar de morgen vaart. Niet met echte mensen, maar met zielen. En morgen? Morgen wacht de hemel, bidden en zingen wij. Dat de kerk een woord voor de wereld heeft, zelfs dat is voor ons bij wijze van spreken geworden.

Dan is het goed om hier te horen dat de Bijbelse beeldtaal dicht op het gewone leven zit. In de bijbel gaat het niet om zielen, maar om echte mensen. Dat Jezus in het bootje van Petrus stapt en hem vraagt een eindje van het land af te varen, dat komt omdat de mensen hem de zee in dreigen te duwen. Het zijn geen mensen die op hun beurt wachten. Die luxe hebben ze niet. Het zijn de scharen, die hun leven niet op orde hebben. Ze verzuipen in hun zorgen. En als het zo uitkomt, trekken ze anderen daar in mee.

Vanuit het bootje spreekt Jezus zijn woord voor de wereld. Een woord voor de wereld spreken lukt alleen als je die wereld serieus neemt. Als je niet je oordeel al klaar hebt. Als je niet komt met oplossingen, die alleen maar werken in een wereld waarin jouw kostje gekocht is. En jij vervolgens teleurgesteld raakt in mensen die niks met jouw oplossingen doen. Terwijl jij het nog wel zo goed met hen voor had.

III
Maar die wereld serieus nemen, dat is niet zo maar wat. Ik snap heel goed de verleiding om als kerk te doen alsof. Deuren dicht en je eigen ding doen. Gewoon zoals je het altijd hebt gedaan. En dat trouw noemen aan de kerk van Christus. De verleiding is zo groot. Want die wereld is toch ook niet om aan te zien. Waar zou je in godsnaam moeten beginnen? Alles wat we kunnen doen is een druppel op een gloeiende plaat. Zelfs met alle hens aan dek. Als je de deuren van de kerk dicht doet, dan is de kans groter om er samen nog wat van te maken. Boodschap hebben aan elkaar is dan nog een beetje te doen. Er zijn al genoeg sociale verbanden, die het loodje hebben gelegd. En wij helpen de wereld er niet mee, als we de gemeente van de Nieuwe Kerk ook nog eens laten verdampen. Toch?

Maar in welk bootje zitten we? Is dit niet dat bootje uit het evangelie? Als dat zo is, dan telt niet wat wij zelf nog kunnen. Dan telt onze goede naam niet. Noch onze goede bedoelingen. Dan telt er maar één ding: dat hij aan boord is. Jezus, die wij als Heer belijden. Hij maakt het bootje tot bootje van de kerk. Niet wij. En hij doet dat niet door superman te zijn. Niet wij, maar dan nog beter, socialer, humaner; nog meer geïnspireerd. Maar hij, die aansluiting zoekt bij wat wij niet kunnen. Bij wat wij moeten van onszelf, maar daar niet in slagen. Bij wat deze tijd van ons eist en wij niet in huis hebben – zelfredzaamheid, flexibiliteit, kredietwaardigheid. Bij ons ongeloof dat het ooit nog wat kan worden met deze wereld. Hij maakt het tot het zijne. Voortaan is het van hem. Voortaan ben jij van hem.

In het bootje van de kerk is hij aan boord. Niet onaantastbaar. Als dat zo zou zijn, zouden wij er niet bij in passen. Hij is aan boord als de lijdende Christus. Hij is aan boord als de opgestane Heer. Hij is beide. Geen supermens, die elk varkentje weet te wassen. Geen God die van boven gehoorzaamheid eist. Maar de lijdende Christus en de opgestane Heer, bij wie de hele wereld in zijn bootje past. Zonder dat het zinkt. Zingen doet het! Zinken niet.

Kijk naar de scharen. Zie hun gezichten. Kijk ze tevoorschijn. Kijk in de spiegel. Dat ze hem onder de voet dreigen te lopen; dat ze hem in zee dreigen te duwen, dat komt omdat ze zich door hem gezien weten. Zonder voorwaarden vooraf. Dat gezien weten is niet alleen prettig. Je kent het niet. Je zocht het misschien. Maar je wist niet dat het kon. Maar nu het je gebeurt, o God, ga weg. Als je de wereld zijn gang laat gaan in zijn verlangen en zijn driften, wordt vroeg of laat elke vorm van goedheid onder de voet gelopen. Het bootje van Petrus voorkomt het nog net.

IV
De situering van het verhaal doet denken aan het verhaal van de schepping: Woestheid en warboel en water. En geestesadem van God, wervelend over de chaos. Daar komt die rijke beeldtaal van de Bijbel weer om de hoek kijken. Niet bij wijze van spreken. Maar als hart voor de wereld. Hier in het evangelie is die geestesadem van God, waar de Bijbel mee opent, geland op die ene in het bootje. Zij wervelt niet meer over de chaos. Zij gaat het schip in. In de chaos wil ze zijn. Nog dichterbij. Nooit meer onaantastbaar. Geestesadem van God, neergedaald in het bootje van de kerk.

‘Dat dacht de kerk vroeger ook,’ hoor ik u denken. God, wat wist ze het allemaal goed! En u hebt gelijk. Maar weet u wat? Ze weet het nog steeds goed! Godzijdank weet ze het nog steeds goed. Daar waar ze kerk is in de wereld in plaats van dat ze kerkje speelt. Daar waar de geestesadem van God onvermoeibaar de deuren van de kerk blijft openen naar de wereld. Ondanks onze neiging om ze dicht te houden. Daar waar liefde de drijfveer is, hoe vaak ze ook schipbreuk lijdt. Naïef? Ja. In termen van de wereld, ronduit: Ja! Maar niet in de taal van de kerk, die haar geschonken wordt door de Geest zelf. Het water in de doopvont spreekt van ondergaan en opstaan in een nieuw leven. En het kan er van spreken omdat we de gekruisigde Christus aan boord hebben, die ook onze opgestane Heer is. Ik weet dat het geloofstaal is. Maar het is geen taal die boven de chaos blijft zweven. Het is taal die de werkelijkheid aangrijpt en ingaat en reddend tot de wereld spreekt. Incluis onszelf. Zelfs als ze er in ondergaat, blijft ze spreken in een liefde die sterk is als de dood.

V
‘Op uw woord zal ik de netten uitzetten,’ zegt Petrus als Jezus is opgehouden met spreken en hem vraagt om naar het diepe te varen en de netten neer te laten. Op dat woord waar de scharen op af kwamen omdat ze zich door hem gekend weten in hun falen. Niet veroordeeld, maar gekend. ‘Op uw woord zal ik de netten uitzetten,’ zegt Petrus. Dat woord slaat nergens op. Zo werkt het niet in het echt. De hele nacht heeft hij met zijn maten gezwoegd. Niets hebben ze mee kunnen nemen. Kans verkeken. Vandaag geen inkomen. Vissen overdag slaat nergens op. Zeker niet daar in het diepe. En toch: ‘Op uw woord zal ik de netten uitzetten.’  Dat is de kerk. De kerk die weet hoe het in de wereld toegaat en weet dat dit ook haar wereld is. Maar die dat woord niet kan weerstaan. Dat woord van haar Heer, dat een mens vastpakt waar hij eigenlijk niet gezien wil worden – Ja, ook weer wel. Maar liever niet, daar waar het fout ging, waar het vast liep, waar er niets over was om trots op te kunnen zijn. Dat woord, dat een mens bevrijdt van al zijn angsten. Dat woord, dat louter liefde is.

En dan: God, wat een vangst! Nee, die slaat werkelijk nergens op. Die vangst, die is niet meer dan je verwachtte. Die gaat alles te buiten en te boven. ‘God kan alles,’ zeggen sommige gelovigen. Alsof het vanzelf spreekt. Een teken dat ze er niks van hebben begrepen. Wat daar gebeurt, dobberend boven de afgrond, daar kun je alleen maar op reageren zoals Simon Petrus reageert. Hij valt op de knieën voor Jezus neer. Hij zegt: ‘Ga weg van mij, want ik ben een zondig mens, Heer!’  Er breekt een werkelijkheid in, die niet de onze is. Een werkelijkheid, die niets te maken heeft met alleskunners. Het is een liefde, sterk als de dood. Een uitbundigheid, die niet te verteren is. Omdat niemand die verdiend heeft.

Meestal praat de kerk daar over met de deuren dicht. Want ze kan het zelf niet echt geloven. Daarom creëert ze haar eigen wereldje op zondag. Om op maandag gewoon weer te voldoen aan de wetten van de wereld. Want wat wij geloven, is toch maar bij wijze van spreken. Toch? Hooguit iets dat later werkelijkheid wordt, als we in de hemel komen.

Maar daarmee ontzegt de kerk zich de bevrijdende werkelijkheid van het geloof, die midden in de wereld gestalte krijgt. Het probleem is niet dat de wereld niet meer naar de kerk gaat. Het probleem is dat de kerk niet meer in de wereld wil zijn. Daar waar Gods liefde ons al lang vooruit is gegaan en waar zij nog steeds op ons wacht. ‘Vaar naar diep water en gooi jullie netten uit om vis te vangen,’ zegt de Heer van de kerk.

‘Loof God, Hij stuurt het schip der kerk, / dat naar de morgen vaart. / Hij is de hartslag van ons werk, / Hij houdt het welbewaard.’
In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *