Preek van de Week – Zondag 16 december ’18 door ds. Marga Baas

Openbaring 12
Lucas 3, 7-18

1.
De beelden uit Openbaring roepen bij ons verwarring en verbazing op.
Misschien omdat we moeite hebben Bijbel en verbeeldingskracht met elkaar te verbinden.
Maar als Joanne Rowling ons in haar Harry Potter – boeken de wereld van Zweinstein tekent, laten we ons bijna moeiteloos meevoeren en raken we meer en meer betrokken bij de langdurige en inspannende strijd die daar geleverd wordt tussen het goede en het kwade.
En wanneer we – tijdens een bezoek aan Madrid of, minder schokkend, via een reproductie – geconfronteerd worden met “Guernica”, het grootse werk van Picasso dat hij schilderde na het bombardement van deze Baskische stad in 1937, dan valt het ons niet zwaar in de gigantische gestalten van angstige mensen en dieren de chaos van oorlog en terreur te herkennen.

2.
In hoofdstuk 12 laat de ziener op Patmos ons opnieuw meekijken naar datgene wat hij in zijn dromen en visioenen heeft gezien.
Het zijn geen toekomstvoorspellingen die hij ons voorschotelt.
Het is de indringende verbeelding en interpretatie van de gebeurtenissen die als een storm over hem en zijn tijdgenoten heentrekken.

3.
“Er werd een groot teken gezien aan de hemel”, zo begint het.
De hemel is niet alleen de plaats waar God zijn troon heeft, niet enkel het boventoneel dat de permanente achtergrond vormt van wat zich op aarde afspeelt.
Het is ook het gewelf dat als een immens groot scherm fungeert waarop de visioenen van Johannes worden geprojecteerd.
Wat is het beeld dat hier als eerste verschijnt?
Vandaag laten we onze blikrichting mee bepalen door de ogen van Jantine Landman, die het kunstwerk voor deze zondag maakte.
Tegen de donkerblauwe hemel zien we de gestalte van een vrouw.
Ze staat daar – naakt, zwanger, onbeschermd en in die zin kwetsbaar.
Maar de indruk die ze wekt is niet die van kleinheid en kwetsbaarheid.
Ze staat er krachtig en fier, op sterke benen.
“Als je zwanger bent, moet je sterke benen hebben. Zoveel miljard vrouwen, die deze ervaring kennen, zoveel sterke benen op de wereld om iemand anders, met een andere bestemming dan jijzelf, een poosje te dragen voordat het zelf groot kan worden,” aldus Jantine in haar toelichting.
Het lichaam van de vrouw glanst als de zon.
Twaalf sterren omstralen haar hoofd als een kroon.
Haar voeten staan geplant op het oppervlak van de maan.
Ze is door Jantine vastgelegd op het moment dat zij als teken aan de hemel verschijnt.
Maar waar Johannes in één adem verder vertelt, laat Jantine ons een poosje langer naar haar kijken.
Nog heel even, en de vrouw wordt overvallen door barensweeën.
Nog heel even, dan schreeuwt zij het uit – een schreeuw van pijn en hoop.
3.
Wie is deze vrouw? Wat is haar naam?
Is het Maria? Of Sara?
Is het de schepping zelf, die we hier zien?
Is het Eva, de moeder van alle levenden?
In de beeldtaal van de Bijbel staat een vrouw vaak voor het volk van God, voor Israël, voor al die mensen die zich door God aangesproken voelen en met vallen en opstaan aan zijn appel gehoor geven.
Jesaja bijvoorbeeld vergelijkt zijn volksgenoten in Jeruzalem met een jonge vrouw,
Die niet schreeuwt, maar schreit om haar eenzaamheid en kinderloosheid.
De profeet spoort haar aan om vrolijk te worden en een kreet van vreugde te laten horen, want God heeft goed nieuws voor haar in petto.
En uit het evangelie treedt ons een meisje tegemoet, een ongehuwde moeder, die draagster blijkt te zijn van een verrassend nieuwe toekomst.
Jonkvrouw Sion, Maria, moeder in Israel.
Ook de vrouw uit het visioen van Johannes verwacht, met inzet van al wat zij is, de komst van een mens.
Misschien zou je kunnen zeggen dat zij de mensheid zelf is, de schepping die in barensnood verkeert, zoals Paulus het ooit beeldend verwoordde.
Misschien is het niet nodig dat wij de vrouw een naam geven.
Zij is de verwachting zelf van een toekomst die ieder moment kan doorbreken.

4.
Nog maar nauwelijks is het teken van de vrouw aan de hemel te zien, of die andere figuur verschijnt: de vuurrode draak, de personificatie van alles wat de schepping en haar toekomst ten dode toe bedreigt.
Dat teken wordt door de ziener zelf uitgelegd, direct nadat de draak uit de hemel wordt gesmakt en op aarde terechtkomt.
Hij schrijft:
“Dit is de oude slang, die ook Diabolos of duivel wordt genoemd, dat is de dooréénwerper of chaosmaker.
Hij wordt ook aangeduid als Satan: tegenstander, aanklager.”
Draak, duivel, satan – die namen staan niet voor een zelfstandige tegenmacht tegenover God.
De Bijbel kent geen God van de duisternis naast of tegenover de God van het licht.
Maar al deze verschillende namen zijn evenzovele pogingen om die aspecten van het bestaan aan te duiden waarmee we eigenlijk geen raad weten: het kwaad, de vervlechting van schuld en meer dan eigen falen, het samengaan van onmacht en onwil, de tegenstem in onszelf die alles vergiftigt: ik kan niets, ik ben niets waard, het zal nooit anders worden.

5.
De zwangere vrouw staat op het punt om te baren.
En het angstaanjagende is: terwijl het kind nog geboren moet worden, staat de draak al klaar om het te verslinden.
De nieuwe mens komt ter wereld in een situatie, waarin het van meet af aan ten dode toe wordt bedreigd.
En het kind is er nog maar amper, dan wordt het al weggerukt.
Door het veelkoppige monster?
Nee; het wordt weggevoerd naar God en naar Gods troon, aldus Johannes.
6.
Het is niet zo vreemd, dat de jonge christengemeente bij het kind van de vrouw aan Jezus heeft gedacht.
De schrijver voedt die gedachte door naar psalm 2 te verwijzen, het lied waarin de Messiaanse koning wordt bezongen als een herder die de volken met een ijzeren staf zal hoeden.
Het is in de traditie van de kerk de psalm van de kerstnacht geworden.
In dit visioen van Johannes wordt het leven van Jezus samengetrokken tot geboorte en hemelvaart, de opstanding uit de dood vandaan.
Je kunt het vergelijken met het Credo.
Daarin gaat het ook in een adem door van: “Geboren uit de maagd Maria” naar “Die geleden heeft onder Pontius Pilatus”.
Voor ons, mensen uit de 21ste eeuw, is dat een merkwaardige versmalling.
In de evangeliën gaan we daarom op zoek naar het leven van Jezus, naar zijn woorden, zijn ontmoetingen en omgang met God, om op die manier niet alleen meer te weten te komen over Jezus, maar ook om de contouren te ontdekken van het ware mens-zijn.
In de wereld om ons heen zien we hoe die menselijkheid dag in dag uit met voeten wordt getreden door machthebbers die de trekken dragen van Farao, Herodes, de keizer van Rome.
Maar soms heeft onrecht ook gewoon het gezicht van een fatsoenlijke staatssecretaris die kinderen het land uitzet overeenkomstig de afgesproken regelgeving.

7.
Jezus werd tijdens zijn korte leven voortdurend omringd door mensen die werden weggedrukt naar de rafelranden van de samenleving.
Hij werd gemarteld en gedood, juist omdat hij zich verbond met degenen die geen naam mochten hebben.
Juist voor hen werd hij een teken van hoop, de vleesgeworden belofte van een andere, nieuwe wereld.
In hem herkenden zij het wezenlijkste van zichzelf, de kern van hun identiteit.
Zij geloofden: “ons leven is met de Messias verborgen bij God” – d.w.z. bij God weggeborgen in veiligheid.
“En ooit, als aan het licht komt wie de verborgen messiaanse mens is, zullen ook wij verschijnen zoals wij zijn.”

8.
Het visioen van Johannes laat zien hoe de humaniteit van alle kanten wordt belaagd – zoals het kind wordt bedreigd; zoals ook de vrouw die het kind heeft gebaard wordt vervolgd door de draak en zijn engelen.
Zij vlucht weg naar de woestijn.
Zoals Jozef en Maria met het kind op de vlucht gingen naar Egypte.
Zoals Hagar met Ismael wegvluchtte naar de woestijn.
In de woestijn, in de onlanden buiten de stad en de welvarende samenleving, vindt zij een plaats door God bereid.
Twaalfhonderdenzestig dagen lang: drieeneenhalf jaar.
Niet de volle tijd, maar een beperkte tijd zal de vrouw daar verblijven.
Het tekent de situatie van de jonge gemeente en van Johannes zelf.
In een tweede, geïntensiveerde ronde zien we de vrouw en haar overige nazaten opnieuw in de woestijn, vervolgd door de draak, maar de aarde komt haar te hulp.

9.
De ziener onderkent hoe de tirannie van onrecht en geweld zich breed maakt en erop uit is het messiaanse kind te doden, de kern en het meest wezenlijke van het menszijn.
Maar Johannes ziet ook, dat de draak is gevallen.
Hij heeft geen plaats meer in de hemel, hij hoort niet thuis in Gods
bedoelingen met deze wereld.
Na een heftige oorlog is de draak met zijn trawanten neergeworpen uit de hemel –
op aarde.
Hij is er dus nog wel.
En hij laat zijn macht op een verschrikkelijke manier gelden, zolang het mogelijk is.
Maar er komt een einde aan.
De genadeslag is hem toegebracht.
Het is een wonderlijk beeld dat Johannes ons laat zien.
Het is de verbeelding van een specifieke visie op de werkelijkheid.
De tijdgenoten van Johannes, zijn broeders en zusters in de verdrukking, ze worden dag in dag uit geconfronteerd met het kwaad; ze ervaren net als hij zelf het onrecht aan den lijve.
Van alle kanten worden zij aangevochten.
In veel opzichten is hun situatie niet met die van ons te vergelijken.
Wij verkeren in een comfortabele positie.
Maar we kennen wel de aanvechting van binnenuit, de vragen naar het waarom van het kwaad, het gevoel van machteloosheid dat ons overvalt als we de kranten openslaan of de televisiebeelden tot ons laten doordringen.
De boodschap van de man op Patmos luidt, dat we te midden van dit alles ons eraan moeten vasthouden, dat het kwaad niet tot God en tot Gods koninkrijk behoort.
Daarom stijgt in de hemel na de val van de draak al een uitbundige lofzang op, maar klinkt over de aarde een gepijnigde roep van bezorgdheid en droefheid.
Het is een poging om twee dingen tegelijk te zeggen.
Het kwaad is er, maar we hoeven er niet door verlamd te raken.
Het heeft niet het laatste woord.
En wat er ook gebeurt: ons leven is in veiligheid gesteld bij God.
Daarom is het mogelijk om hier en nu de wacht te blijven betrekken bij de humaniteit.

10.
Uit het evangelie van vandaag zou ik alleen het volgende naar voren willen halen.
De Doper draagt dezelfde naam als de ziener: God is genadig.
Al zijn wij bepaald niet gewend aan dooppreken waarin wij als toehoorders voor adderengebroed worden uitgemaakt, zijn boodschap is uiteindelijk goed nieuws.
We hoeven niet verstrikt te blijven in het kwaad.
Het is mogelijk om je om te keren en je hoopvol op Gods toekomst te richten.
“Johannes, wat moeten we doen?” vragen de omstanders.
Die vraag is het begin van een andere manier van leven.
Het zijn geen onmogelijke dingen die van ons worden gevraagd.
Het gaat erom dat wij dienen en delen en zo, in trouw aan God en de Messias, instaan voor de schepping en de menselijkheid op aarde.
Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.