Preek van de Week – Zondag 15 januari ’18

Genesis 4, 1 – 16
Matteüs 18, 21 – 22

I
Tussen Pasen en Pinksteren lezen we met regelmaat uit de oerverhalen, te vinden in de eerste hoofdstukken van het eerste bijbelboek Genesis. Mythische verhalen, waarin een antwoord gezocht wordt op grote vragen als: ‘Hoe is het allemaal begonnen?’ én ‘Waar komt het kwaad vandaan?’ Universele vragen waarop iedere cultuur een eigen antwoord zoekt in talloze verhalen. Het verhaal van de broedermoord hoort bij de oerverhalen van Israël.

Het verhaal gaat over Kaïn en Abel. Kaïn is de landbouwer die zich de grond eigen maakt. Abel is de veedrijver die een nomadisch bestaan leidt. In het verhaal klinkt de spanning mee tussen de Kanaänieten, dat volk met de oudste papieren die het vruchtbare land bebouwden, en Israël, dat volk van trekkers en veedrijvers dat uit de woestijn was komen opduiken. Het verhaal gaat over de vraag van wie de aarde is en hoe we ons tot elkaar hebben te verhouden. En over hoe het mis kan gaan.

II
Tussen Kaïn en Abel gaat het onherstelbaar mis. Er is eigenlijk geen ‘tussen’. Dat komt pijnlijk tot uitdrukking in de lege regel in vers 8. Wat Kaïn in het veld tegen zijn broer Abel zegt, krijgen we niet te horen. Voor de verteller doet het er niet meer toe. Woorden zouden alleen maar verhullen dat er geen communicatie meer is. ‘Als niemand luistert naar niemand, vallen er doden in plaats van woorden,’ schreef de dichter Jana Beranová ooit voor Amnesty International.

Hoe kon het zo mis gaan? In de kleuterbijbel van Anne de Vries (eerste druk 1948 en nog steeds verkrijgbaar) wordt de gelovige Abel tegenover de ondankbare Kaïn gezet. ‘Waarom moet ik God eigenlijk bedanken? Ik heb dat koren toch zelf gezaaid? Ik heb er toch hard voor gewerkt?’ Goede vragen, trouwens van Kaïn. Maar voor de verteller de bron van alle kwaad. Daar begint de ellende, vindt hij. Alleen is in het bijbelverhaal zelf niets te vinden over dat verschil in geloof bij de twee broers. Beide brengen de Ene een offer. Kaïn van de vrucht van de aardbodem. Abel van de eerstelingen van zijn wolvee. In de zelfde volgorde waarin ze zijn geboren. Kaïn geeft het goede voorbeeld. Abel volgt.

Hoe kon het zo mis gaan? Eerlijk is eerlijk, voor een god pakt de Ene het niet handig aan. ‘Je moet geen stiefkinderen maken,’ heb ik van mijn moeder geleerd. En dat lijkt God wel te doen: ‘de Ene slaat acht op Abel en zijn offer. Op Kaïn en zijn offer heeft hij geen acht geslagen.’ (vers 4b-5a) Als een moeder heilig gelooft in haar motto: ‘Ik houd van al mijn kinderen evenveel!’, dan moet een God daar toch zeker toe in staat zijn. Alziend en alomtegenwoordig, et cetera et cetera. Het heeft iets knulligs. Of anders: iets onrechtvaardigs. Wat heeft Kaïn God misdaan?

III
Er is een antwoord dat dichter bij de bijbel blijft dan Anne de Vries in zijn kleuterbijbel aandurfde. Mijn hele werkzame leven als theoloog heb ik dat antwoord omarmd. De eerste preek als predikant in opleiding ging over dit verhaal. Met een gloedvol betoog over God, die de kant kiest van wie in de wereld buiten spel worden gezet. Niet langer moet het in de kerk draaien om ons persoonlijk geloof, maar om de bereidheid God te volgen in zijn radicale keuze voor de armen. En weet u? Het klopt. Die rode lijn door Mozes en de Profeten heen, tot in de brieven van Paulus en het Evangelie van Jezus Christus, is aanwijsbaar. En toch is het niet het hele verhaal.

Maar laten we beginnen bij wat het eerst gezegd moet worden, dat de namen van Kaïn en Abel veelzeggend zijn. De naam Kaïn is afgeleid van het werkwoord ‘verwerven’. Eva roept bij zijn geboorte: ‘Verworven heb ik een man, bij de Ene!’ (vers 1) Een klaroenstoot, die bij de geboorte van Abel achterwege blijft. Een toevoegsel is hij, zegt het verhaal. Zonder zijn broer is hij niks. ‘IJlheid’ is zijn naam. Pluisje. Je blaast een keer en hij is weg.

Israël heeft zich in Abel herkend. Het weet van op het randje leven, van verschoppeling zijn onder de volken. Van trekken door de zee en door woestijnen, op zoek naar, God mag weten waar, een plek om mens te kunnen zijn. Misschien heeft Israël zich later ook in Kaïn herkend, die korte periode in de geschiedenis dat het heer en meester was in Kanaän – ‘Verworven heb ik een land, bij de Ene!’. Maar vooral in Abel heeft het zich herkend. Bijna uitgewist van het aanschijn van de aarde. Het draagt de wonden in het lijf van alle mensen, die weg gewenst worden en voortdurend te vrezen hebben dat de daad bij de wens wordt gevoegd. Het is erop aanspreekbaar. Het komt er nooit meer vanaf, ook niet als het zich gedraagt als Kaïn. De opgestane Christus, met de wonden in zijn handen en zijn zij, die de kerk als haar Heer belijdt, hij is een van hen.

Feilloos vertelt het verhaal wat er gebeurt als je je gezicht laat vallen. ‘Zijn blik werd donker,’ zegt de NBV. Boosheid? Nee, het is veel meer dan dat. Het mag best eens knetteren. Boosheid kan de lucht opklaren. Dit niet. Wie het gezicht laat vallen, gunt zijn boosheid niet eens meer aan een ander. De ander wordt ontmenselijkt. Je haalt de relatie eruit. Datgene wat die ander en jou tot een mens maakt. Anderen worden ‘die daar’. Beledigen wordt de norm. Je voelt je ver boven ‘die daar’ verheven. Maar dat je op die heilloze weg zelf ook bezig bent je gezicht te verliezen, dat ontgaat je. Je hoeft geen monster te zijn om misdaden te begaan tegen de menselijkheid, weten we van Hanna Arendt, die in 1961 het proces tegen Adolf Eichmann volgde – hij was een van de hoofdverantwoordelijken voor de massamoord op de Joden. Je gezicht laten vallen volstaat en is voldoende om zonder nadenken bevelen uit te voeren. ‘De banaliteit van het kwaad’ is de titel van het boek dat Hanna Arendt hierover schreef.

IV
God volgen in zijn keuze voor de Abels in de geschiedenis, is de opdracht voor de kerk. Dat gaan we niet nuanceren om tegemoet te komen aan het geloof van Anne de Vries en consorten – hoe pakkend en vertrouwd hij ook kon schrijven voor een tere kinderziel. En toch zei ik even geleden dat die voorliefde van God voor de Abels niet het hele verhaal vertelt.

Er zit een valkuil in onze compassie met Abel. Zeker, hij heeft die nodig en hij heeft recht op onze solidariteit. Het probleem ligt ook niet bij Abel maar bij ons. De valkuil is dat wij het verhaal niet uitlezen en dat wij blijven hangen in onze verontwaardiging over het bloed van Abel dat schreeuwt vanaf de aardbodem. Alsof dat bloed ook niet ons aanklaagt. De valkuil is dat we achter een God aan lopen die zonder smet op zijn blazoen de goede keuzen maakt. De valkuil is dat wij, net als Anne de Vries, de mensen opdelen. Niet in gelovigen en ongelovigen, maar in wie wel deugen en wie niet. We hebben al afscheid genomen van Kaïn, vóór het verhaal uit is. Terwijl God en Kaïn nog met elkaar verwikkeld zijn in een pijnlijk gesprek, hebben wij Kaïn al de uitgang gewezen.

God heeft een smet op zijn blazoen. Dat willen we niet horen. Want onze God moet onberispelijk zijn. Almachtig, alwetend en alomtegenwoordig. Alleen, als God dat was geweest, had die zijn aandacht moeiteloos kunnen spreiden tussen Kaïn en Abel. Dan was de broedermoord voorkomen. Maar als de compassie voorop gaat – en is dat niet het geval bij de Ene? – dan wint de nabijheid het van de alomtegenwoordigheid. Dan daal je af uit hemelse sferen. En dan verliest de alwetendheid het van het bijbelse ‘kennen’, van het zoeken naar- en vinden van gemeenschap. Dan is er geen kosmische balans meer. Dan is er alleen nog maar liefde, die jou uitkiest en niet anders kan dan vuile handen maken: ‘de Ene slaat acht op Abel en zijn offer. Op Kaïn en zijn offer heeft hij geen acht geslagen.’

En dan wij. Hoe hardnekkig is het misverstand, dat wij bij de mensen moeten horen die deugen, om voor God te kunnen staan. Navolging begint niet bij ons beste beentje voor. Ze begint bij de troostende erkenning van onze eigen schuld. De hele janboel onder ogen zien en erkennen dat het jouw janboel is. En dat kunnen omdat er iemand tegenover jou staat, die het gezicht niet laat vallen. Iemand, die jou vasthoudt wanneer jij zegt: ‘Te groot is mijn misdaad om te dragen.’ (vers 13)

V
Ik wil de overweging besluiten met een grappig verhaal van de Ierse theoloog Peter Rollins, dat direct raakt aan wat wij hier samen overwegen:

Vroeg in de morgen kwam er een man in tranen aan de deur van de pastorie van zijn kerk. Hij zegt tegen de predikant: ‘Alsjeblieft, kun je helpen? Een mooi gezin in de omgeving is in grote problemen. De man verloor onlangs zijn baan en de vrouw kan vanwege gezondheidsproblemen niet werken. Ze hebben drie jonge kinderen om voor te zorgen en de moeder van de man woont bij hen omdat ze breekbaar is en permanente zorg nodig heeft. Ze hebben op dit moment geen geld. En als ze morgenochtend de huur niet betalen, schopt de huisbaas ze allemaal de straat op, ook al is het midden in de winter.’ De dominee antwoordde: ‘Dat is vreselijk. Natuurlijk zullen we helpen. Ik ga de diaconie benaderen om hun huur te betalen. Maar vertel eens, waar ken je dit gezin van?’ Waarop de man antwoordt: ‘Nou, ik ben de huisbaas!’

Is dat niet de realiteit achter onze compassie met de Abels van de geschiedenis? En is het niet beter dit soort pijnlijke grapjes te maken, dan in heilige verontwaardiging anderen als Kaïn aan te wijzen? Om ondertussen door te gaan op de heilloze weg van dreigen en vuren en denken dat wij daarmee ons blazoen kunnen oppoetsen. Terwijl er steeds meer bloed schreeuwt vanuit de puinhopen.

Laat uw gezicht niet vallen, God! Vergeef ons tot zeventig maal zeven toe! Opdat de wereld leven mag. Opdat er toekomst is voor Joël, voor Myrte en voor Hanne. En voor hun zusjes en broertjes in de nu nog kapot geschoten steden van Syrië.

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *