Preek van de Week – Zondag 15 december ’19

Micha 6, 1 – 8
Matteüs 11, 2 – 10

I
De doop van een kind ontroert. Het brengt ons even dichter bij elkaar. Een beschermende kring om de ouders en het kind heen. Mooi toch, zo’n klein kindje? En dan de ouders, ze doen het toch maar. Er zijn er nog die hun kind ten doop houden. Dat geeft hoop voor de toekomst. Ook voor de kerk toch? God doet er nog toe.

Nou en of!, zeggen ze in Jeruzalem. We snappen zo goed wat jullie bedoelen. Die beschermende kring, wie heeft die niet nodig in een wereld die dreigt en die niets van God moet hebben. Tenminste niet van de onze bij wie we ons veilig mogen weten. De muren van Jeruzalem zijn als zijn beschermende armen om onze gemeenschap heen. En in de tempel klopt zijn hart. Als iedereen zou leven als Gods kinderen, dan zou de vrede zijn gegarandeerd. Maar we zijn een eiland in een woelige wereld. Wij schudden ons hoofd over de grof gebekte buitenwereld. En we kijken elkaar verdrietig aan als er elders weer eens een spoor van verderf is getrokken. Niet hier. Hier is het warm en goed. Hier kan God nog uit de voeten.

II
En dan is daar Micha, de profeet. Hij komt van buiten. Hij heeft wat minder stijl dan we in Jeruzalem gewend zijn. Maar dat is niet het ergste. Erger is dat hij doet alsof God in de kring van zijn gelovigen niet meer uit de voeten kan. Alsof zijn gemeente een vreemde voor hem is geworden. En dat terwijl wij hier schouder aan schouder staan, verenigd in het geloof dat God in ons midden woont. Dat Micha spreekt namens God en ons de waarheid meent te kunnen zeggen, terwijl hij niet uit Jeruzalem komt, dat is onverteerbaar. Als het niet godslasterlijk is. Wat denkt die man wel niet?

En toch wordt er geluisterd. Met kromme tenen, dat wel. Waarom we hem niet laten praten? Misschien is dat toch wel het geheim van het geloof van Israël, dat je ergens wel weet dat God zich niet laat insluiten in de kring van zijn gelovigen. En dat je als gelovige dus altijd bedacht moet zijn op kritische vragen van buiten; op dat tikje op de schouder waardoor je om moet kijken. Want wie weet? Als jij je wankele toren hebt gebouwd uit antwoorden die nog van geloofskunde getuigen, zijn er altijd weer profeten die een losse steen uit het bouwwerk trekken en vragen: Deugt het wel? Waar ging het ook al weer om? Heb je door wat er aan schort? En je voelt aan je water: dit gaat het niet houden.

Wat er dreigt, is niet zo maar wat. Het is alom crisis in de regio. Het noordelijke Rijk is al onder de voet gelopen. Van de hoofdstad Samaria is niets meer over. Er is alle reden om je vast te klampen aan het geloof dat God zijn eigen huis toch niet onder de voet zal laten lopen. Want als we daar niet meer op kunnen bouwen, waar blijven we dan? Micha is niet de moderne gelovige, die de vrijheid voelt om alles ter discussie te stellen; iemand, die zich geen buil valt aan het ondergraven van andermans heilige huisjes, omdat alles er toch wel om door draait. Nee, hier staat alles op het spel. Micha’s eigen leven incluis. Het is ‘to be or not to be’. En als we gaan, dan gaan we met z’n allen.

III
Misschien is dat het wel als wij schouder aan schouder rond de doopvont staan. We denken dat het onze dankbaarheid is om de jonge ouders die hun geloof hoog willen houden en de ontroering om het kind. Maar misschien is het nog wel meer de diepte die ons verbindt. De diepte, waar Veerle doorheen moest. Alles achter je laten. Niet omdat je daar op zat te wachten. Eerder omdat er geen ontkomen aan was.

Het lukt niet meer om te blijven geloven in je eigen mooie verhaal, waarin alles nog een beetje klopt en God de boel bij elkaar houdt. Het valt steeds meer in brokstukjes uit elkaar. Dit moet nodig. Dat kan niet wachten. Zij verdient meer aandacht. Hij is op mij aangewezen. En ondertussen tikt de klok als het gaat om het milieu en om al die mensen die op elkaars stoep staan en niet weten wat ze in de wereld met elkaar aan moeten. En jij bent er één van.  Ooit woonde je in je eigen verhaal en had alles en iedereen daarin een eigen plekje. Nu draag je de brokstukjes ervan mee in je rugzak. Soms probeer je ze weer te lijmen. Want je hebt toch een verhaal nodig dat structuur en vastigheid biedt. Maar het houdt het altijd maar even. En het geloof in God? Het is een van die brokstukjes geworden.

Is dat erg? Het is maar hoe je het bekijkt. Als jij vindt dat alles hoort te kloppen en God de sluitsteen is van jouw grote verhaal, ja, dan is het verschrikkelijk. Zoals alleen de gedachte al dat God zijn eigen huis onder de voet zou kunnen laten lopen, voor de mensen in Jeruzalem onverteerbaar was.  

IV
De doop van Veerle bepaalt ons bij de diepte, waarin de dopelingen kopje onder gaan. Je kijkt wel uit om er in te stappen, als jouw verhaal nog helemaal klopt en God daarvan de sluitsteen is. Want je wilt dat niet kwijt en je staat op vaste grond. Maar als jouw verhaal het niet gehouden heeft en je al te lang die rugzak met brokstukken meezeult, ja dan is het anders. Dan is de diepte je al niet meer zo vreemd. Beangstigend, dat wel, maar niet vreemd. En als je dan dat gerucht hoort dat er een weg is door de diepte, omdat er Een is die jou is voorgegaan; dat jouw ademnood gedeeld is; dat God geen sluitsteen is ver boven jou, maar ademnood naast jou en om jou. Ja, dan leg je je rugzak af en dan ga je. En je schreeuwt het uit: ‘Is hier iemand die van me houdt?’

De doop van Veerle brengt ons terug bij Micha. Het waagstuk van de doop heeft alles te maken met het verhaal van Israël: Uittocht – Doortocht – Intocht. Het gaat door diepten heen. De Schelfzee. De Jordaan. Ze komen niet voor niets voorbij in het doopgebed. Ze figureren niet. Ze zijn getuigen. Zoals de bergen en de heuvels opgeroepen worden als getuigen, wanneer God een geding aangaat met zijn gemeente Israël. God gaat een geding aan met zijn gemeente. Want hij weigert de sluitsteen te zijn van een mooi verhaal waarin Jeruzalem stad van vrede speelt zonder het te zijn en waarin de gelovigen zichzelf geruststellen met hun godsdienstig spel in de tempel.

God is hen vooruit. Hij is aan hen ontsnapt. Micha, zijn profeet, komt niet voor niets van buiten. Want alleen iemand van buiten kan de gemeente herinneren aan het verhaal van Uittocht – Doortocht – Intocht. Een verhaal van een gemeente die geen verhaal had. Of het zou het verhaal moeten zijn van mensen zonder gezicht, zonder rechten, gebruikt en leeg achter gelaten. Het volk dat tot gemeente werd omdat er een God was, die het zat was om hemelhoog sluitsteen te zijn van een opgepoetst verhaal waarin de zwakken werden weg gepoetst. Een God – ik weet niet eens of we hem zo moeten noemen – die meetrok door diepten en woestijnen, om met zijn gemeente in ademnood te zijn en vol van verlangen naar het beloofde land. Uittocht – Doortocht – Intocht. Van dat verhaal getuigt Micha als hij Mozes, Aäron en Mirjam noemt. Balak en Bileam. Sjitiem en Gilgal.

Weet je nog hoe we ademnood deelden? Hoe we vol van verlangen waren? Weet je nog hoe mijn liefde jullie los kocht uit de slavernij? Hoe Bileam tijdens onze tocht naar het beloofde land niet anders kon dan jullie zegenen vanwege die liefde, terwijl hij kwam om ons weg te vloeken?

V
Laten we in de spiegel kijken van Gods gemeente Israël. Hoor hoe ze reageren. Zie hoe vast ze zitten aan hun godsdienstige gewoontes. Ze snappen dat er wat gebeuren moet. Ze weten zich in de beklaagdenbank. Maar ze kunnen alleen maar antwoorden op z’n kerks: ‘Wat kan ik de HEER aanbieden, waarmee hulde brengen aan de verheven God? Met offers? Als het moet, mijn kind misschien als genoegdoening voor mijn zondig leven?’ Ach stakkerds.. En we zeggen dat hier ook tegen onszelf. Nog nauwelijks bekomen van een theologie waarin God de Vader zijn Zoon offert om onze zonden. Ach stakkerds..

‘Er is jou, mens, gezegd wat goed is, je weet wat de HEER van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God.’ Is dat niet de weg die we net met Veerle opnieuw zijn begonnen? Is dat ook niet waarom dit gebouw er nog steeds staat? Om dit ene verhaal te blijven vertellen dat alle godsdienstige verhalen met goden als sluitstenen overbodig maakt. Om mensen te ontvangen die gebukt gaan onder de rugzak vol brokstukken. Om wat op een tegeltjeswijsheid lijkt, te oefenen met elkaar. ‘Er is jou, mens, gezegd wat goed is, je weet wat de HEER van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God.’

En als we dan het woord ‘nederig’ gebruiken, dan kijken we niet naar de punten van onze schoenen uit ontzag voor een God hoog boven ons. Maar dan kijken we elkaar aan, zoals hij ons heeft aangezien toen wij door de diepte gingen. Voor niemands verhaal hoeven we bang te zijn. Want wij weten van ademnood en van de schreeuw: ‘Is hier iemand die van me houdt?’

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.