Preek van de Week – Zondag 15 april ’18 door ds. Tiemo Meijlink

Lezing: Johannes 20 vers 19 – 31

Gemeente van Jezus Christus,

De berichten in de bijbel over de opgestane Christus worden op een heel bijzondere manier verteld. Niet als een mirakel, waar de mensen zich aan kunnen vergapen op de marktplaats, en waar je een hele show van kan maken, maar veeleer als een geheim, dat niet zomaar wordt prijs gegeven. Jezus gaat als opgestane door gesloten deuren en zoekt het contact met de kleine, besloten groep van leerlingen, en met de twaalf in het bijzonder.

In het evangelie van vandaag wordt een stukje van dat geheim openbaar gemaakt. Als Jezus aan zijn leerlingen verschijnt dan toont hij hen zijn handen en zijn zijde. Hij toont hen de wonden van de kruisiging. En vervolgens blaast hij op hen, hij ademde over hen, en vertelt hen wat er met hen zal gebeuren. Hij spreekt over een zending: Zoals de Vader mij gezonden heeft, zo zend ik jullie. Hij heeft het over het ontvangen van de Geest en hij geeft hen kracht om zonden te vergeven en om zonden toe te rekenen. Dat is nogal wat, alles bij elkaar. Zo is zijn opstandingsverschijning een moment met een geweldige lading, waarin verleden en toekomst in perspectief worden gezet. Wat geweest is, zijn kruisiging, en wat komen gaat, een geestesbeweging die de toekomst heeft, komen samen in dit ene verschijningsmoment.

Dat hij op hen blaast, op hen ademt, is een directe verwijzing naar de schepping waarin immers ook de adem van God de mens tot leven wekt. Opstanding is kennelijk een nieuwe schepping die aan het licht komt. En dat hij hen kracht geeft om zonden te vergeven en toe te rekenen, heeft alles te maken met de vraag naar gerechtigheid op aarde. Daar zal het over moeten gaan in de gemeente van volgelingen van Christus, over gerechtigheid, over de kritische vraag waar dat gestalte krijgt en waar dat niet gestalte krijgt, waar zonden vergeven moeten worden, ongedaan moeten worden gemaakt en waar zonden moeten worden toegerekend. Dat is de roeping van de gemeente, om de gerechtigheid van Christus te bewaren en in de wereld aan de orde te stellen.

De leerlingen reageren verheugd op de verschijning van de opgestane Heer en vertellen: Wij hebben de Heer gezien! En vervolgens wordt in één beweging verder verteld over Thomas, die er niet bij was en die het niet wenst te geloven als hij zijn wonden aan handen en zij niet heeft gevoeld, niet heeft betast. De ongelovige Thomas, want zo is hij in de christelijke traditie bekend geworden. Maar, ongelovig of niet, pas door Thomas krijgt het opstandingsverhaal diepte en betekenis. Pas door zijn kritische benadering krijgt het evangelie van de verschijning zeggingskracht.

Thomas, dus een van de twaalf leerlingen van Jezus, die ook Didymus genoemd wordt. Dat betekent: tweeling of twijfelaar – zo staat het althans in de meeste vertalingen. Steeds wordt hij zó in het evangelie van Johannes opgevoerd, met zijn bijnaam Didymus. En dat kan geen toeval zijn. In de oudheid werd met zo’n bijnaam vaak gedoeld op iemands bestemming, namelijk Didymus te zijn, man van twee kanten, man die altijd ook de andere kant wil laten zien. Die altijd het andere perspectief aan de orde wil stellen, en dat ook moet doen: dat is als het ware zijn bestemming, zijn rol. Zijn medeleerlingen zijn verheugd, zeker, ze zijn enthousiast, ze zeggen: “Wij hebben de Heer gezien”. Maar Thomas stelt de vraag: Over wie ben je eigenlijk zo enthousiast? Wie is die Heer, die jou verschenen is? Als ik zijn handen niet zie, met de tekens van de spijkers daarin; als ik met mijn vinger niet aanraak de wond van zijn hand; als ik mijn hand niet leg in zijn zij, dan zal ik niet geloven.

Van Thomas zeggen wij meestal: eerst zien en dan geloven, dat is kenmerkend voor deze man. Maar eigenlijk gaat het niet zo maar om “zien”. Nee, Thomas wil de gekruisigde zien, de man die gekruisigd is, die wil hij als opgestane Heer aanschouwen. En dan zal hij ook geloven. Dat is veelzeggend: de wonden van het kruis, die wil hij zien en betasten. En dan zal hij in opstanding geloven.

Thomas verzet zich als het ware tegen het risico om de opstanding als een mooi, rooskleurig, optimistisch, lenteachtig gebeuren te beschouwen. Geen vlucht in een droomwereld, waarin alles weer voor elkaar is, dat staat hem tegen. Thomas wil dat opstanding een plaats heeft middenin de rauwheid van ons leven, dat daar, in het duister van de geschiedenis opstanding plaats heeft gevonden. Dat dus niet zomaar een mirakel is gebeurd, maar dat de man, de mens die uit God is gekomen, dat die mens die de verschrikkingen van deze wereld heeft gezocht en gevoeld en gedragen, die het geweld van de geschiedenis heeft ondergaan, dat die man is opgestaan. Dat wil hij zien, en dan zal hij in opstanding geloven. En daarmee komt Thomas heel dicht bij de waarheid over Jezus, en vraagt hij heel precies naar de manier waarop ook Jezus zèlf zich toont aan zijn leerlingen.

Het is ontroerend om te zien, dat als Jezus dan verschijnt aan Thomas zelf en hij hem uitnodigt om de wonden die hij heeft aan te raken, dat Thomas dan zijn belijdenis uitspreekt: “Mijn Heer en mijn God!” Ook dan is hij opnieuw de man van het andere perspectief, en reageert hij anders dan zijn medeleerlingen. Zij waren verheugd en enthousiast, maar hij reageert met een diepzinnige belijdenis: “Mijn Heer en mijn God!” Met andere woorden: deze mens, Jezus, verdient het werkelijk om vereerd te worden, om nagevolgd te worden. Hier, bij deze mens wordt een opening gecreëerd, een nieuwe schepping in aanzijn geroepen, hier is redding en bevrijding werkelijkheid geworden! Mijn Heer en mijn God, het is een hoogtepunt van menselijke reactie op de verschijning van de opgestane Jezus.

Zo verdiept Thomas met zijn reactie de eerste enthousiasme van zijn medeleerlingen. Hij verdiept door zijn optreden en zijn kritische vragen wat zijn medeleerlingen als eerste hebben opgevangen: Het gaat om de gekruisigde die is opgestaan, om de mens die de diepte van het menselijk lijden heeft ondergaan, die de gerechtigheid heeft voldragen, die de weg van de liefde tot het bittere einde heeft afgelopen, dìe mens is opgestaan om een nieuwe schepping te openen, en een beweging in gang te zetten waardoor onze wereld toekomst heeft gekregen.

Nogmaals: Thomas verdiept dus het enthousiasme en het geloof van zijn medeleerlingen. Hij heeft een uitermate positieve en belangrijke rol in het evangelie, als de man die de andere kant van de opstanding laat zien, namelijk de kruisdood.

Nu zou je kunnen denken dat die positieve rol die Thomas heeft in het evangelie, eigenlijk toch weer teniet gedaan op het laatst als Jezus tegen hem zegt: “Omdat je me gezien hebt, geloof je. Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven”.

Wordt Thomas hier dan toch alsnog gediskwalificeerd, omdat hij wil zien? En betekent dit woord van Jezus dat je pas echt gelukkig bent, als je niet ziet en toch gelooft? Alsof het bij geloven gaat om een blind vertrouwen……?

Dat zou je kunnen denken, maar dan moet je toch de hele context van het evangelie hierbij betrekken. Thomas en zijn medeleerlingen en ook de vrouwen rondom Jezus zijn geroepen om te zien. Zij zijn de directe getuigen van het gebeuren van de opstanding. Het was hun taak nu juist om te zien, en ook goed en scherp te zien, zoals Thomas dat ook deed. En zò hebben zij ook hun vertrouwen, hun fiducie, hun geloof gezet op deze Heer, op deze gekruisigde die de Levende is.

Maar voor allen die daarna komen, voor allen die niet tot de kring van de leerlingen en de vrouwen behoorden, gaat het inderdaad om geloven zonder gezien te hebben, om vertrouwen op grond van het getuigenis van hen die erbij waren en wel hebben gezien. Dat is tot in het heden, tot op de dag van vandaag onze roeping, dat wij ons vertrouwen, ons houvast zetten op deze Heer, de gekruisigde die de Levende is.

En daarom ook hebben wij naast het evangelie van vandaag dat interview gelezen met Stephan Sanders, gedateerd februari 2016. Sinds die tijd schrijft deze Stephan Sanders iedere maand in Trouw een essay over hoe het gaat met dat proefgeloven van hem. Want dat is wat hij doet: een beetje proefgeloven, ervaren en proberen wat dat eigenlijk is: Geloven! Wat gebeurt er dan met je? Welke ervaringen komen dan naar boven? Wat is dan de aandacht-richting die je krijgt in je leven? Er wordt veel gezegd in dit interview – u moet het thuis nog maar eens rustig doorlezen – maar op twee dingen wil ik bijzondere nadruk leggen. Als aan Sanders wordt gevraagd wat religie dan voor hem is, antwoordt hij eerst: Dat ik niet mijn eigen standaard ben, dat er iets is dat mij in staat stelt boven mijzelf uit te stijgen. Om dan vervolgens concreter te worden en een ervaring te noemen die hij heeft met muziek. Hij zegt dan, dat hij de beroemde aria ‘Erbarme dich’ uit de Matteus-passion van Bach, niet kan beluisteren zonder op zijn minst een idee te krijgen van een God. Het is treffend als je zo kunt proefgeloven: dat je dan uitkomt bij een God van erbarmen, een God van ontferming.

En even verderop citeert Stephan Sanders dan een uitspraak van Gerard Reve, een van onze grote schrijvers, als hij zegt: “Dat U in diepste wanhoop mij zoekt, net zozeer als ik U, dat is de God die mij voor ogen staat”. Ook hier hoor je (bij Sanders) de gevoeligheid voor een God die ons inderdaad in het evangelie nabij komt: een God die weet heeft van de wanhoop van onze wereld, van het lijden en het verdriet dat ons overkomt, een God die zelf in wanhoop ons zoekt net zozeer als wij hem. Wat een wederkerigheid is dat!!!

Het is goed om juist in de Paastijd – de dagen van Opstanding – dit met elkaar te delen: dat er deze God is, een God-mens, een Messias, die zich het lot van de mensen in hun angsten, in hun verdriet en wanhoop, heeft aangetrokken. Deze God-mens is de Levende. Gelukkig zijn zij die in hem geloven, op Hem hun houvast zetten. Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *