Preek van de Week – Zondag 14 oktober ’18 door Tirtsa Liefting

Deuteronomium 15, 1 – 11
Marcus 10, 17 – 31

Steeds vaker zie ik de laatste tijd de combinatie van de woorden jong, ambitieus en succesvol voorbijkomen.
Je hoeft maar om je heen te kijken of je ziet voorbeelden van jonge mensen in belangrijke posities, met succesvolle bedrijven, indrukwekkende CV’s of met een enorme invloed via social media.
En misschien herken je het ook wel in je eigen omgeving deze ambitie om vooruit te komen, succesvol te zijn en wat van het leven te maken.
Want succes in onze studie, een goede baan, een groot netwerk, en de mogelijkheid om te genieten van het goede leven, worden verbonden aan goed en rijk leven.
En ik denk dat we dat inderdaad als rijkdom kunnen benoemen.

Ook in het verhaal vandaag ontmoeten we een man die gezegend is met rijkdom, hier in de letterlijke zin van het woord.
Veel is er niet bekend over hem. Behalve dat hij rijk is, lezen we bij de andere evangelisten dat hij jong is en een hoge positie bekleedde.
Jong, succesvol en ambitieus is blijkbaar niet alleen iets van deze tijd.
Het lijkt een man te zijn die zijn zaken op orde heeft, hij bezit veel en ook op religieus gebied volgt hij de voorschriften nauwgezet.
Voor de mensen uit zijn tijd waarschijnlijk een voorbeeld van hoe het moet, een man met aanzien. Sterker nog een man gezegend door God.
Door de Bijbel heen zie we namelijk hoe rijkdom en voorspoed door de mensen werden gezien als een teken van Gods zegen over je leven.

Het antwoord van Jezus op de oprechte vraag van deze man, komt dan ook als een verassing.
“Eén ding ontbreekt u, zegt Jezus: ga naar huis, verkoop alles wat u hebt en geef het geld aan de armen, dan zult u een schat in de hemel bezitten; kom dan terug en volg mij”.
Dat was niet het antwoord wat de man had verwacht, en ook de discipelen schrikken van de woorden van Jezus. Helemaal wanneer hij hier later aan toevoegt: ‘wat is het moeilijk voor rijken om het koninkrijk van God binnen te gaan’.
Als het voor deze man al moeilijk is, déze man die als gezegend en waarschijnlijk als een voorbeeld voor zijn omgeving werd gezien, wie kan dan binnengaan?

Jezus gooit hier hun beeld van rijkdom en zegen op de kop.
In plaats van dat rijkdom of voorspoed als een zegen worden gepresenteerd, lijkt het hier eerder een vloek.
Een vloek die ons er zelfs van kan weerhouden om het koninkrijk van God binnen te gaan.

Maar hoe zit dat dan?
Is rijkdom dan per definitie slecht, is succes iets wat we moeten schuwen?
En kunnen we dan maar beter onze ambities los laten?
Ik denk dat dat te snelle conclusies zijn.
Op andere plekken in de Bijbel worden we namelijk aangemoedigd om te werken met onze talenten, worden we opgeroepen om goede rentmeesters te zijn, en wordt voorspoed wel degelijk gezien als een zegen.
En het is een zegen! Wanneer we niet eerder dubbeltje hoeven om te draaien en ons geen zorgen hoeven te maken over het eten voor morgen.

Maar misschien is dat wel precies waar het hier om gaat.
Zien we deze dingen nog steeds al een zegen?
Ervaren we het als nog een zegen, wanneer we niet hoeven op te letten wanneer we boodschappen doen.
En voelen we ons nog gezegend, om het feit dat we een baan hebben waarvan we genieten?
Of omdat het studeren ons goed af gaat.
Of zijn deze dingen een vanzelfsprekendheid geworden?
Iets wat we onbewust misschien ook nog wel menen te verdienen.

Misschien is dat precies is waar rijkdom en succes, in een vloek kunnen veranderen.
Want als we voorspoed steeds minder als zegen ervaren,
en we ons succes loskoppelen van de zegeningen die we zelf hebben ontvangen,
dan krijgen deze dingen een waarde in zichzelf.
Dan wordt succes iets maakbaars,
en rijkdom en voorspoed iets wat we zelf in handen hebben.
Dan gaan we zelf de voorwaarden creëren voor wat goed en succesvol leven is.
En dan kan het als falen gaan voelen wanneer dat het niet lukt om dat voor elkaar te krijgen.

In ons streven naar het goede leven, verliezen we zo de Bron van het goede leven uit het oog.
Waardoor we van God en elkaar vervreemden.
In plaats daarvan bouwen aan zekerheden die dat goede leven garanderen,
en waar we steeds minder goed zonder kunnen.

Ook voor de man uit ons verhaal blijkt zijn bezit een bepaalde zekerheid te geven.
En precies dat vraagt Jezus dat op te geven.
Dat is nogal een radicale opdracht!
Jezus laat hier zien dat de weg achter hem aan niet perse makkelijk is.
Het is een weg is van loslaten en delen, en van afhankelijkheid en nederigheid.

En dat is niet niks, wanneer we eindelijk zekerheden lijken te hebben gevonden, wanneer we de dingen goed op orde hebben en het leven goed is.
Niet voor niets zegt Jezus dan ook dat het nog moeilijker is voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan,
dan voor een kameel om door het oog van een naald te gaan.

Het doet mij denk aan een boekje met interpretaties van de gelijkenissen voor kinderen.
Hier wordt het oog van de naald, vergeleken met een klein poortje in Jeruzalem.
Op een dag komt een man met zijn kameel aan, bepakt en bezakt met spullen.
Zodra ze door het poortje willen, komen ze klem te zitten.
Eén voor één begint de man spullen van de kameel af te laden, om telkens opnieuw te proberen of het lukt.
Maar pas als alle spullen van de kameel af zijn, lukt het ze om zich door het poortje gaan.

Ik denk dat dat goed illustreert waar Jezus hier op wijst.
Leven in het koninkrijk, leven met God,
is niet een plekje voor God vrijmaken ten midden van onze eigen zekerheden en op onze eigen voorwaarden.
Als een extraatje dat ons leven verrijkt.
Nee, leven met God heeft te maken met ons hele leven.
Een overgave, zonder allerlei dingen die ons in de weg blijven staan.
En zodat er echt ruimte ontstaat voor zijn veranderende aanwezigheid.

Dat is waarom Jezus ook tegen deze man zegt, verkoop alles wat u hebt, geeft het geld aan de armen, en u zult een schat in de hemel bezitten.
Jezus volgen betekend dus ook een loslaten van wat tastbaar, en beheersbaar is, van wat in onze maatschappij zekerheid en veiligheid schept.
Dat is geen gemakkelijke weg.
Dat is ook wat de man beseft, misschien nog wel meer dan de discipelen.

Tegelijk opent die soms moeilijke weg onze ogen voor de gaven van God in ons leven.
In de overgave en het loslaten van onze eigen zekerheden, ontstaat ruimte voor dankbaarheid over de zegeningen die we hebben ontvangen.
En die dankbaarheid verandert ons leven, het maakt ons tot aangename mensen,
die bereid zijn hun gaven en leven te delen

Deze dankbaarheid, klinkt ook door in het verhaal Andrew, die ik afgelopen zomer in Maleisië ontmoette.
Met hart en ziel zet hij zich via zijn organisatie in voor vluchtelingen en migranten in Maleisië.
Volgens hem is het vinden van financiële ondersteuning vaak niet het grootste probleem. Veel moeilijker is het om mensen te vinden die echt bereid zijn hun tijd en leven te delen met deze vluchtelingen.
Op een vraag naar de kosten en risico’s van zijn werk, bleek dat zijn werk inderdaad niet zonder risico is, en dat het regelmatig offers vraagt.
Maar zo gaf hij aan ‘als ik mijn leven echt zie als een geschenk van God, dan ben ik ook bereid het te geven en te delen’.

En toch zo natuurlijk als dat bij Andrew klonk, voelt hij bij mijzelf vaak niet.
Ook de jonge man uit ons verhaal, schrikt van de woorden van Jezus.
Somber en terneergeslagen reageert hij,
en zo kunnen we onszelf misschien ook voelen, wanneer we deze oproep tot loslaten en overgave horen.

Dan troost het mij om een paar verzen terug te gaan, en te lezen hoe Jezus deze man benadert.
Liefdevol kijkt hij de man aan, zo staat er.
Jezus beseft dat wat hij van deze man vraagt, niet zomaar iets is.
Hoewel het hem er niet van weerhoudt om deze man, en ook ons, uit te dagen,
gaat zijn liefde daaraan vooraf.
God liefde is groter dan ons kunnen.

Daarom staat dit verhaal ook niet op zichzelf,
maar in het bredere verhaal van het leven van Jezus.
Jezus die zelf deed wat deze man niet kon,
en die ervoor koos om de weg van nederigheid en barmhartigheid, van overgave en vertrouwen, te gaan.
Hij koos ervoor om zijn leven te delen en te geven.

Dat is ook waar we vandaag weer aan herinnert worden,
wanneer we samen het avondmaal vieren,
en zien hoe het brood gebroken wordt, en de wijn geschonken.
In het brood en de wijn ontvangen wij Christus en zijn liefde,
en door hem worden onze relaties met God en met elkaar vernieuwd.

Dat blijkt alleen al in de lege handen waarmee we het brood en de wijn ontvangen.
Aan de maaltijd zijn we gelijk, en doet onze rijkdom, onze status of ons succes er niet toe.
Want alleen met lege handen, kunnen we Gods liefde en zegen ontvangen.

Door de genade en gemeenschap die we aan de maaltijd ervaren,
proeven we al iets van Gods koninkrijk, en oefenen we het goede leven.
De zegen die we hier ontvangen, stelt ons in staat om zelf tot zegen te zijn.

Amen.

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *