Preek van de Week – Zondag 13 oktober ’19

2 Samuël 1

‘De koning is dood. Leve de koning!’ We zagen het al die tijd aankomen. Het zat ons niet lekker. We hadden het met Saul te doen. Als koning door zijn God verworpen. Ooit gezalfd en geroepen tot zijn taak. Nu struikelend richting het einde. Hij was al doorgestreept. Maar hij moest nog verder. Met David als gezalfde naast hem en tegenover hem. Zoiets is niet te verdragen: Gezalfd én afgeschreven zijn. Met die ander op het toneel, die net als jij gezalfd is, maar toekomst in zich draagt en Gods nabijheid mag ervaren. Niet te doen! En dus zijn we bijna opgelucht dat het voor Saul voorbij is; dat er nu nog maar één gezalfde is: David.

Ware het niet dat het zo’n verschrikkelijk einde is. Of je nu het slot leest van het eerste boek Samuël, of het begin van het tweede boek Samuël. Het zijn twee verschillende versies van een en het zelfde drama. Allebei even erg. In de eerste versie weigert de schildknaap Saul uit zijn lijden te verlossen en volgt hij zijn koning in de dood, als die zich in zijn eigen zwaard stort. In de tweede versie is er die migrant in Israëls leger, een jongen nog, die de koning, op uitdrukkelijk verzoek van hemzelf, uit zijn lijden verlost. Zie de oorlog maar eens weer uit zo’n jongen te krijgen. De oorlog is meedogenloos. Als hij David opzoekt om het hem te vertellen, krijgt hij geen slachtofferhulp. Nee, hij moet dat met de dood bekopen. Alsof die jongen er wat aan kon doen. En alsof het al niet erg genoeg was.

Je vraagt je af hoe dit ooit goed moet komen. Als je zo je koningschap begint. Niet als herder, die het verlorene zoekt. Eerder de wolf, die het zwakke verscheurt. Leve de koning!

Maar dan gebeurt er iets. De wapens worden omgesmeed tot een muziekinstrument. David pakt zijn harp en componeert een klaaglied. Het gaat over Saul en Jonathan. Hij zingt ze tot leven in een lied. Hij brengt ze in herinnering. Alle jonge soldaten moeten het leren zingen. En elke keer als het lied gezongen wordt, is de koning niet dood. Ook al was hij verworpen. Ook al vond hij zijn einde. David wil nog geen koning zijn. Hij wil spelen op zijn harp. Hij wil getuigen van zijn liefde voor Jonathan, zijn vriend. Van diens trouw aan zijn vader én zijn trouw aan David. Alleen ware liefde is daartoe in staat. ‘Je was mij zo dierbaar, Jonathan. Een groter wonder was jouw liefde voor mij dan liefde van vrouwen!’ Nee, het is niet: ‘De koning is dood. Leve de koning!’ Er is liefde in het spel. Alleen die liefde is in staat de spiraal van geweld en machtswisseling te doorbreken. Het lied dat David componeerde schuift tussen het koningschap van Saul en zijn eigen koningschap in. En het verbindt ze tot in eeuwigheid.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.