Preek van de Week – Zondag 13 mei 2018

Johannes 17, 21 – 26

I
‘Laat hen allen één zijn, Vader,’ bidt Jezus voor zijn leerlingen. ‘Eenheid in verscheidenheid,’ roepen wij dan al gauw. Moe van alle pogingen uit de vorige eeuw om de scheuren te helen die de kerk in de geschiedenis heeft opgelopen. En die ze vooral te danken heeft aan zichzelf. Opgelucht dat geloofsgemeenschappen elkaar niet meer verketteren en vrolijk een-tweetjes met elkaar aangaan als het zo uitkomt, vieren we in Groningen de oecumene. Vrijheid blijheid. We lopen elkaar niet in de weg. Laat staan: onder de voet. Soms lopen we even samen op. Vooral in komkommertijd. Een projectje hier. Een projectje daar. Met in januari de week van gebed voor de eenheid van de christenen en de jaarlijkse oecumenische viering van de binnenstadskerken, hier in de Nieuwe Kerk. Waarbij iedereen het een sympathiek idee vindt en vervolgens de vrijheid neemt om de dienst niet bij te wonen. Vrijheid blijheid. Eenheid in verscheidenheid.

‘Laat hen allen één zijn, Vader,’ bidt Jezus voor zijn leerlingen. Maar die bede houdt niet op bij de twaalf. Ook niet bij de kring van ingewijden om hen heen. Van meet af aan is de wereld in beeld. ‘Zoals u in mij bent en ik in u, laat hen zo ook in ons zijn, opdat de wereld gelooft dat u mij hebt gezonden,’ bidt Jezus. Er is een passie en een verbondenheid in het spel, die geen halt houdt bij de deuren van een kerk, welke dan ook. De wereld heeft dat misschien beter begrepen dan de kerk. De wereld weet hoe belangrijk eenheid is en hoe belangrijk het is om de scheuren niet te groot te laten worden. Politieke conflicten verstoren de ene markt. Handelsbarrières gaan ten koste van het grootst denkbare algemeen belang. ‘Laat hen allen één zijn, Vader’ Er is niets heiligers in de wereld dan de ene markt. Het gevoel van vrijheid blijheid in de kerken en van eenheid in verscheidenheid zou wel eens meer te maken kunnen hebben met de vrije markt, waarop er voor elk wat wils te vinden is, dan met de vreugde die te vinden is in het evangelie van Jezus Christus.

II
Maar er is ook een andere manier om de wereld het volle pond te geven dan in de verheerlijking van de ene markt. Die begint niet bij de vrijheid maar bij de onopgeefbare verbondenheid met ieder ander mens. En die is heilig. Omwille van die verbondenheid geeft God zichzelf uit handen. God spreekt geen machtswoord. Hij strekt zich uit. Hij bukt zich uit zijn voegen. Opdat er niemand uit zijn liefde vallen kan. Er blijft niets van God heel dan zijn verbondenheid met jou en met de wereld. Zoals die gestalte heeft gekregen in Jezus Christus. Daarvan spreekt Johannes in zijn evangelie. Die verbondenheid maakt pas echt vrij. De kerk heeft geprobeerd dat geheim te begrijpen. Maar dat ging haar doorgaans het best af, als ze met de rug naar de wereld toe haar geheimtaal kon spreken en ongestoord haar heilige rituelen kon uitvoeren. Ze kon niet geloven dat er iets heel zou blijven van het machtig geheim van een totaal onbaatzuchtige liefde, als ze met het gezicht naar de wereld zou gaan staan. Niet met het dogmatisch mes tussen de tanden en het schild van de traditie hoog geheven, maar met die zelfde onbaatzuchtige liefde die uit God is en in ons.

‘Laat hen allen één zijn, Vader.’ De Schotse dominee George Fielden MacCleod wist zich meegenomen in dat gebed. Aangeraakt door de kracht van die liefde, stond hij oog in oog met de scheuren die de wereld in de vorige eeuw had opgelopen. Als jonge commandant gaf hij tijdens de Eerste Wereldoorlog leiding aan een Schotse eenheid in de loopgraven bij Ieper. Instaan voor zijn manschappen, over elke maatschappelijke en godsdienstige scheidslijn heen, heeft hij ervaren als de enige remedie tegen de totale gekte – ‘Ik in hen en u in mij.’ Deze ervaring heeft zijn hele leven gekleurd.

Als dominee in Govan / Glasgow in de crisisjaren van de vorige eeuw, wilde hij niet leven met de kloof tussen arm en rijk. Hoewel die al een hardnekkig lange geschiedenis had. En hij er zelf onderdeel van uitmaakte als telg uit een bemiddeld en gerenommeerd geslacht. Als voorwaarde om het beroep naar deze kerk van statuur aan te nemen, dwong hij af dat de grenzen van de gemeente dichter om het kerkgebouw heen zouden worden getrokken. Daar waar de economische crisis diepe sporen trok en waar de arbeiders woonden, die massaal werkloos waren geworden door de malaise in de scheepsbouw. Het kerkvolk dat de diensten bezocht, kwam van buiten. De kerk was haar voeling kwijt geraakt met de arbeiders die om de hoek woonden. Om met Jezus te spreken: Ze konden niet delen in de grootheid die God aan hem gegeven had. Er was geen ‘ik in hen en u in mij’. Er was geen eenheid. Alleen een kloof, zo diep dat je welhaast gek moet zijn om te denken dat die gedicht kan worden. Gek of gelovig. En dat laatste was George MacCleod. Hij wist van ‘ik in hen en u in mij’. Hij kon niet leven met de kloof. Vooral niet met de kloof tussen kerk en wereld.

‘Ik zeg dat het kruis thuis hoort midden op de Grote Markt, net zo goed als boven de ingang van de kerk. Ik herhaal nog maar eens dat Jezus niet gekruisigd werd in een kathedraal tussen twee kaarsen maar op een kruis tussen twee dieven; op een vuilnisbelt; aan een kruispunt, politiek geladen en zo kosmopolitisch dat ze zijn titel moesten schrijven in het Hebreeuws en in het Latijn en in het Grieks. En op het soort plaats waar cynici hun scherpe mond gebruiken, waar dieven vloeken en soldaten gokken. Omdat dat is waar hij stierf, en dat is waaraan hij dood ging. En dat is waar zijn eigen mensen zouden moeten zijn. En dat is waar het kerkmensen om zou moeten gaan,’ aldus George MacCleod.

Zou je een woordmuur maken van de evangelielezing van vanmorgen, dan springen de woorden ‘één’ en ‘met’ (met mij / u / ons) en ‘liefgehad’ eruit. Direct gevolgd door ‘wereld’ en ‘gegeven’ en ‘gezonden’. Stuk voor stuk zijn ze van toepassing op het werk van George MacCleod in Govan. Ze brachten hem op de straat. Ze brachten hem in de veel te kleine huizen. Hij zag de ellende. Hij hoorde de verhalen. Hij incasseerde de woede. Hij deelde het verdriet. Het evangelie bracht hem waar niemand uit zichzelf wil zijn. Hij kwam op onbekend terrein. Met een kloof van heb ik jou daar tussen hem en de werkloze arbeiders en hun gezinnen. Hij wist zich overeind gehouden door de bede van Christus: ‘Laat hen allen één zijn, Vader!’

Hij heeft de teleurstelling en de woede ervaren ten opzichte van de kerk. Maar daarin ook een vreemde zegen herkend. In een preek zei hij: ‘Kijk, dat gebrandschilderd raam met daarin de woorden: ‘Glory to God in the highest’. Buiten pakt een jonge man een steen en gooit die door het raam. Precies door de ‘e’ van highest. En als we van de schrik bekomen zijn, lezen we: ‘Glory to God in the High St’. Soms heeft de kerk het nodig dat ze van buitenaf geopend wordt om haar eigen evangelie te kunnen verstaan. Dat het voor de wereld is. Een kerk die dat willens en wetens vergeet verliest haar bestaansrecht.

George MacCleod werd de stichter van de Iona Community, die nog steeds haar basis heeft in achterstandswijken van Glasgow. Iona is een klein eiland voor de Schotse westkust met een rijke culturele en religieuze geschiedenis. George kende het eiland van kindsbeen af aan. Hij speelde er tussen de ruïnes van de oude abdij. In Govan kwam hij op het idiote idee om samen met arbeiders uit Glasgow en met aankomende predikanten de abdij te herbouwen. Een project om de kloof te dichten tussen de wereld van de kerk en de wereld van de arbeiders. Om zo aankomende dominees te leren wat vakmanschap en wat zware lichamelijke arbeid is. En om zo arbeiders opnieuw te leren wat de kracht van het gebed is. In 1938 ging het project van start. In 1965 was de klus geklaard. Zevenentwintig jaar van samen werken en samen bidden gedurende de lente en de zomer. Een profetie van de heilige Columba, apostel van de Schotten, uit de 6e eeuw werd vervuld: ‘Iona van mijn hart, Iona mijn liefste, in plaats van de stemmen van monniken zal het geloei van koeien klinken. Maar voor de wereld tot een eind zal komen, zal Iona weer zijn zoals het was.’

De Iona Community werd het levenswerk van George MacCleod. Hij maakte zich er voor los van de kerk in Govan. Maar het had daar zijn oorsprong. Meer specifiek het moment dat hij bij het sterfbed van een arbeider in het ziekenhuis werd geroepen. De man had gras gegeten om brood uit de mond te sparen voor de kinderen van zijn broer. George herkende hem als een van de communisten die tegen hem opponeerden op straat – één van de cynici met hun scherpe mond. Ooit had die tegen George gezegd: ‘Als onze tijd komt, hangen we jullie soort aan de hoogste lantaarnpalen. Maar voor jou maken we een uitzondering: we komen op jouw begrafenis.’ Hij heette Archie Grae. Daar in het ziekenhuis zei Archie tegen George: ‘Mijn bitterheid over de kerk heeft niet te maken met wat ze verkondigt. Maar met dat ze de waarheid spreekt en niet van plan is om te doen wat ze zegt.’

III
Van ons wordt niet gevraagd om grootse projecten van de grond te tillen. Van ons wordt ook niet gevraagd om zo veel mogelijk te gaan lijken op George MacCleod. Al was het maar omdat dit soort grote geesten in meerdere opzichten ook onmogelijke mensen zijn om mee om te gaan. Maar een vonk van dat wat hem bezielde, wat niet van hem was maar van de Geest die waait waarheen ze wil, dat zou niet verkeerd zijn. Al was het maar om niet in de valkuil te trappen hier onbedreigd religieus te zitten wezen. Om ons toe te vertrouwen aan Christus die voor ons gebeden heeft: ‘Laat hen allen één zijn, Vader!’ Kerk en wereld samen. Hoe groot de kloven ook zijn die nog overbrugd moeten worden.

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest.
Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *