Preek van de Week – Zondag 12 augustus ’18 door ds. Marga Baas

De vierde dienst in de serie over ‘de zeven deugden als levenskunst’: MATIGHEID

Aandacht voor de verbeelding
In deze viering bezinnen we ons op de laatste van de vier hoofddeugden van de Grieken, die ook in de christelijke ethiek een belangrijke plaats heeft ontvangen:
de matigheid of, in het Latijn: de temperantia.
In de iconografie is zij op verschillende manieren verbeeld.
Bijvoorbeeld als een vrouwengestalte, die in haar handen de leidsels vasthoudt waarmee een paard bestuurd kan worden.
Je kunt dat zien op de westgevel van het koninklijk paleis op de Dam.
Daar staat een beeld van de hand van Artus Quellinus.
Matigheid wordt ook uitgebeeld als een vrouw die een kan met vloeistof uitgiet in een andere kan of schaal.
Het bekende schilderij van Johannes Vermeer, getiteld het melkmeisje, wordt ook wel beschouwd als verbeelding van de Temperantia.
Het gieten vraagt tijd en aandacht.
Er mag geen druppel verspild worden.
Je moet maat weten te houden.
Voor het liturgieboekje koos ik een ander schilderij.
Het is van de Nederlandse kunstenaar Johannes Torrentius, die leefde van 1589 tot 1644.
Het is het enige schilderij dat we van hem kennen; het hangt in het Rijksmuseum en stamt uit 1614.
Een paar jaar geleden is er een documentaire over de geheimzinnige schilder en zijn werk gemaakt.
Het schilderij is een emblematisch werk: geen vrouwenfiguur, maar alleen een schikking van enkele voorwerpen met symbolische betekenis.
Op het stilleven zien we een tinnen wijnkan, een stenen waterkruik, een roemer of glas voor een deel gevuld met wijn, al dan niet met water aangelengd.
Op dezelfde plank rust ook een zilverkleurige breidel; we zien de glans ervan in het donker oplichten.
De verschillende voorwerpen zijn evenzovele verwijzingen naar de matigheid.
En dan is er nog het papiertje op de plank.
Er valt met enige inspanning een liedregel te lezen:
“wat buten maat bestaat, int onmaats qaat verghaat.”
De muzieknotering bevat eveneens enkele veelzeggende verwijzingen.
Er is een dalende melodielijn te zien, die het vergaan in het kwaad van de onmatigheid nog eens onderstreept.
Bovendien bevat de laatste regel een sprong, een afstand van drie hele tonen:
de overmatige kwart b-f, in die tijd benoemd als mi en fa.
In de muziektheorie van de 17e eeuw (en daarvoor) is dit een verboden of duivels interval.
Er bestond zelfs een rijmpje: “mi contra fa / diabolus est in musica.”
Dat is wel een heel duidelijke verbeelding en verklanking van onmatig kwaad.
Tenslotte is de genoteerde melodie niet metrisch.
Opnieuw een onderstreping van de tekst.
De boodschap van het stilleven laat met andere woorden aan duidelijkheid niets te wensen over.
(Gerwin Hoekstra zal op het orgel laten horen hoe die duivelse intervallen klinken.)

Overweging

1.
Van de zeven deugden die in deze diensten de revue passeren, spreekt de matigheid, vermoed ik zo, ons in eerste instantie het minste aan.
In de aanloop tot deze viering klonk in de eerste reacties van enkele gespreksdeelnemers duidelijk enige irritatie door.
‘Matigheid’ roept herinneringen en associaties op aan een bestaan waarin spontaniteit, speelsheid en creativiteit, begaafdheid en sensitiviteit in de kiem gesmoord worden en waar rust, reinheid en regelmaat op bijna rigide wijze het leven van alledag bepalen.
Altijd binnen de lijntjes kleuren, alles wat afwijkt van het geijkte patroon met wantrouwen bejegenen, zoiets als het burgermanfatsoen en de spruitjeslucht van de jaren ’50 – althans uit de karikaturen die over die periode de ronde doen.
“Matig, dat is een zesje, net voldoende, maar nog een heel eind verwijderd van uitmuntendheid.” (citaat uit Bert van der Woude, Over de zeven deugden als levenskunst)
Het woord doet het bij ons niet al te best.
Maar wat is de betekenis en bedoeling?

2.
Het oorspronkelijke begrip uit de Griekse filosofie is: soophrosynè; dat is letterlijk: geredheid van geest, gezond zijn in je hoofd.
In deze betekenis komen we het ook in het evangelie tegen.
Als Marcus verhaalt van de genezing van een bezetene in het land van de Gerasenen, voert hij de mensen uit de stad als getuigen op:
“En ze kwamen bij Jezus en zagen de bezetene zitten, gekleed en goed bij zijn verstand”. (MC 5:15).
Matigheid heeft te maken met inzicht, met weet hebben van de eigen grenzen en mogelijkheden.
In de mythische verhalen van Homerus geldt matigheid nog niet als deugd: het zijn juist de helden met hun mateloze moed en grensoverschrijdend handelen die centraal staan en onze bewondering wekken.
Pas als mensen burgers worden en in de stadsstaat (polis) met elkaar samenleven wordt matigheid tot deugd verheven.

3.
Dat Griekse woord soophrosynè laat zich niet gemakkelijk vertalen.
De Romeinse filosoof Cicero had er in elk geval een aantal Latijnse woorden nodig.
Een daarvan is: temperantia.
In het Nederlands kennen we het woord ‘temperen’.
Dat betekent: minder of milder maken, geschikt maken voor een bepaald doel.
Het Italiaanse ‘temperare’ heeft o.a. als betekenis: het slijpen van een potloodpunt, zodat het potlood weer geschikt is ermee te schrijven of te tekenen.
Temperantia zou je ook kunnen vertalen met: afstemming.
In het boekje dat we als voorbereidingsgroep lezen, verwijst Bert van der Woude naar “Das wohltemperierte Klavier” van Bach.
Een prachtig voorbeeld: klanken die zich op de juiste manier tot elkaar verhouden; muziek die opbloeit, omdat musici de juiste maat houden en in onderlinge afstemming samenspelen.
Dat is kunst.
Kunst die verder reikt dan zelfbeheersing.
Zelfbeheersing is een onderdeel of een voorstadium van temperantia of matigheid, maar zij gaat daar niet in op.

4.
In de geschiedenis, zeker in de geschiedenis van kerk en christendom, heeft juist de zelfbeheersing grote nadruk gekregen.
Een mens moet zijn gevoelens en natuurlijke aandriften weten te beteugelen, in toom weten te houden.
Vandaar de breidel, de toom of leidsels die in iconische afbeeldingen steeds terugkeren.
Vaak werd zelfbeheersing ook nog eens versmald tot een bepaald gebied, dat van de lichamelijkheid: eten, drinken en seksualiteit.
Van buiten- en bovenaf werden mensen strikte beperkingen opgelegd.
Ascese en onthouding golden als ideaal.
Vrouwen meer nog dan mannen dienden deugdzaam te leven en kuise echtgenotes te zijn.
Maar het naleven van opgelegde regels en beperkingen heeft weinig te maken met matigheid als deugd.
Een deugd is een innerlijk gegroeide levenshouding die een mens zich heeft eigen gemaakt door zich daar bewust op toe te leggen.
Matigheid is geen gewelddadige beteugeling, maar weet hebben van de eigen maat.
Degene die maat houdt, heeft de eigen verlangens gematigd; degene die zichzelf beheerst kan zich ertegen te wapenen; de eerste komt niet in verleiding; de tweede weet zich tegen de verleiding te weren.
Waar matigheid de betekenis krijgt van zuiverheid, kuisheid en zelfverloochening, is
genieten uit den boze.
Maar in de oorspronkelijke betekenis gaat het in matigheid niet om minder genieten, maar om beter genieten.
Het gaat om ordenen, afstemmen, in de juiste verhouding mengen.
Temperantia speelt zich dus wel altijd in een zeker spanningsveld af.
Want hoe ontdek je wat de juiste verhoudingen zijn?
Matigheid – maat en plaats weten te geven aan krachten binnen de mens en krachten in de maatschappij.
Hoe ga je in vrijheid en verantwoordelijkheid om je met jezelf – je verlangens, mogelijkheden en beperkingen – en hoe ga je om met anderen in de samenleving waarvan je deel uitmaakt?
Hoe voorkom je dat je slaaf wordt van jezelf of in de greep raakt van machten en krachten die de wereld om ons heen beheersen, zoals de ogenschijnlijk ontembare zucht naar groter, sneller en meer?

5.
Ik denk dat het ons weinig moeite kost de actualiteit van deze deugd te onderkennen.
Geen ongebreidelde groei meer ten koste van het milieu; duurzaam leven; spaarzaam omgaan met energie; bewust consumeren – het heeft onze aandacht,
het staat hoog genoteerd op onze agenda, al valt het ons nog niet mee dit alles in het leven van alledag praktisch gestalte te geven.
Want we voelen het liever niet in onze portemonnee.
Een paar jaar geleden schreef paus Franciscus een encycliek over duurzaamheid, door hem op kritische wijze verbonden met het vraagstuk van de economische gerechtigheid.
Hij houdt daarin een pleidooi voor een ecologische bekering, een ingrijpende verandering van denken en handelen.
Die is alleen mogelijk als mensen zich bewust worden van de problematiek, als zij dagelijks oefenen in een nieuwe levensstijl en als zij van binnenuit gevoed, gemotiveerd en bemoedigd worden om daarin te volharden.
Als inspirerende gestalte houdt hij ons Franciscus van Assisi voor.
De encycliek draagt dan ook de naam ‘Laudato si’, naar de steeds terugkerende regel uit het Zonnelied.
Wat is het toch, dat de kleine man uit Assisi tot voorbeeld bij uitstek en bron van inspiratie maakt voor christenen en niet-christenen over de hele wereld?
De paus schrijft:
“Hij liet een bijzondere aandacht zien voor de schepping van God en voor de armsten en degenen die het meest in de steek worden gelaten. Hij had lief en werd bemind om zijn vreugde, zijn edelmoedige toewijding, zijn universeel hart. Hij was een mysticus en een pelgrim, die eenvoudig leefde in een wonderbaarlijke harmonie met God, de ander, de natuur en zichzelf. In hem kan men vaststellen hoezeer zorg voor de natuur, gerechtigheid jegens de armen, inzet in de samenleving en innerlijke vrede niet te scheiden zijn.”
Tegelijk zou je, in navolging van Helene Nolthenius, Franciscus kunnen typeren als ‘een mateloos mens’, vanwege de radicaliteit van zijn keuzes en levensstijl.

6.
Is ‘matigheid’ een christelijke deugd?
In het Nieuwe Testament komen we het begrip maar een enkele keer tegen.
Naast de zinsnede uit het Marcusevangelie en enkele regels uit de pastorale brief aan Titus, is het gelezen gedeelte uit Romeinen de enige plaats waar we het woord ‘soophrosyne’ aantreffen, in onze vertaling weergegeven als: ‘bedachtzaamheid’ – opvallend genoeg in combinatie met het woord ‘maat’.
Paulus schrijft:
‘Denkt niet hoger dan men moet denken, maar denkt tot bedachtzaamheid, zoals God ieder een mate van geloof heeft toebedeeld.’
In hoofdstuk 12 van de brief begint een nieuw gedeelte.
In het voorafgaande heeft Paulus op allerlei manieren onder woorden gebracht wat geloven betekent: erop vertrouwen dat God ons mensen, vanuit alle eeuwigheid, heeft uitgenodigd om in verbondenheid met hem te leven.
We zijn door God verwelkomd en aanvaard.
Onze verhouding met God is rechtgezet, gerechtvaardigd, door Gods liefdevol initiatief.
Wij hoeven niet eerst van alles en nog wat in het werk te stellen om goed genoeg te worden in Gods ogen.
Want het gaat er niet om, dat ons goede gedrag om Gods goedkeuring vraagt.
Het gaat erom, dat Gods liefde ons vertrouwen vraagt.
Vanaf het twaalfde hoofdstuk, zo zou je kunnen zeggen, schrijft Paulus hoe we die liefde van God als waarheid in ons leven kunnen laten gelden, heel concreet, als ’’lichaam’’, in de zichtbaarheid en tastbaarheid van ons hele bestaan
Wat betekent het om uit de barmhartigheden van God te leven?
Eredienst, liturgie begint zodra de kerk uitgaat.
Wat wij ontvangen hebben in geloof, krijgt handen en voeten in het concrete bestaan.
Paulus trekt in het vervolg van zijn brief lijnen naar het leven binnen de gemeente, naar de onderlinge menselijke relaties, naar de verhouding tot de overheid en de omgang met spanningen tussen verschillende opvattingen binnen de geloofsgemeenschap.
God heeft ons zijn goedheid bewezen; hij heeft ons ontvangen en verwelkomd om met hem te leven in een gemeenschap die hij wenst en ontwerpt.
Daarom moet onze houding in overeenstemming zijn met die van God.
Dat strookt niet automatisch met wat in de wereld (in deze eeuw) wordt gepropageerd.
Paulus bepleit een vernieuwing van denken, die een heel nieuwe levensstijl inhoudt.
Want denken is in de taal van de apostel niet een manier van theoretisch redeneren, maar een gezindheid van praktisch handelen.

8.
Met een woordspeling in het Grieks roept Paulus op tot ‘soophrosyne’: bedachtzaamheid of bezonnenheid, inzicht in de mogelijkheden die ons mensen gegeven zijn.
Voor hem zijn die mogelijkheden direct verbonden met de maat van het geloof
die God ieder afzonderlijk geschonken heeft.
De maat van het geloof, dat is een bijzondere aanduiding voor de wijze waarop in ieder mensenleven op eigen wijze de vertrouwensrelatie met God gestalte krijgt.
God gaat met ieder mens een eigen weg.
Het geloof waarmee jij gelooft, het geloof dat jij leeft verschilt van dat van mij.
Maar wij kunnen, ieder van ons op eigen wijze, bijdragen aan elkaars leven en welzijn.
Bedachtzaamheid of bezonnenheid houdt in dat we niet onszelf en onze eigen manier van geloven en leven overschatten of, omgekeerd, juist voor minderwaardig houden.
En dan horen we hoe Paulus de beeldspraak introduceert die in de brief aan Korinthe verder is uitgewerkt: wij behoren, in onze veelheid en verscheidenheid, tot één lichaam – het lichaam van Christus.
Dat betekent niet alleen maar dat ieder zijn rol en plaats binnen het grote geheel mag innemen.
Bij Paulus wordt de metafoor van het lichaam veel beweeglijker en wederkeriger dan dat.
Deel uitmaken van het lichaam van Christus wil zeggen:
ieder heeft een eigen gave om te geven; iedereen heeft iets wat de ander nodig heeft; iedereen is afhankelijk van wat de ander aan gaven heeft.
Daarom bestaat de onderlinge verhouding niet alleen uit aanvaarding en dienst-betoon, maar ook uit dankbare afhankelijkheid.
En Paulus laat zien dat deze nieuwe levensstijl zich niet beperkt tot de onderlinge betrekkingen binnen de geloofsgemeenschap, maar zich uitstrekt naar alle mensen –
inclusief vreemdelingen, vijanden en degenen die de gemeente vervolgen.
Wat is de maat van het nieuwe leven?
Dat kan niets anders zijn dan de overvloed van Gods barmhartigheden, de mateloosheid van de liefde die Jezus heeft geleefd met inzet van zijn hele bestaan.
Waar het koningschap van God onder ons doorbreekt, gaat het er royaal aan toe:
brood en liefde genoeg voor iedereen.
Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *