Preek van de Week – Zondag 11 maart ’18

Jozua 4, 19 en 5, 10 – 12
Johannes 6, 1 – 15 . 48 – 51

I
Een grote menigte volgt Jezus. Goed nieuws, zou je zeggen. Hoe meer, hoe beter. Al is het ook wel weer zo eerlijk om te erkennen dat je gek bent op je eigen plekje en op het bekende clubje. Te veel vreemd volk gaat ten koste van het thuisgevoel en van de beleving geborgen te zijn. Een beetje meer mag wel. Maar het hoeft ook niet elke zondag kerst te zijn.

Die huiver voor een grote menigte is niet vreemd. In de bijbel is de menigte geen neutraal begrip. Niet iedereen wordt er blij van. En de mensen die samen de menigte vormen zijn ook niet van die blije aardbeien. De menigte zit barstensvol frustratie en onvervuld verlangen. Er hoeft maar dít te gebeuren en de boel wordt onbeheersbaar. Dat zit allemaal in dat ene Bijbelse woord dat de NBV ietwat neutraal vertaalt met ‘menigte’. In de oude vertaling heette dat ‘de schare’. Het boek Openbaring heeft het over een grote schare die niemand tellen kon, staande voor de hemelse troon. Niet te tellen. Niet te controleren. Beweeglijk. Dynamisch. Onvoorspelbaar. En altijd een potentieel gevaar voor de openbare orde. Dat is de schare. En de hemel trouwens ook.

Je ziet bewakers camerabeelden analyseren, mensenstromen in kaart brengen. Een peloton ME’ers wordt achter de hand gehouden voor het geval dat. Want het kan ook zo maar mis gaan. De schare is geen groep waarmee je je kunt identificeren. Daarvoor is het te veel een ratjetoe van mensen. Lees je over hen in het evangelie, dan toch eerder als toeschouwer dan als iemand die deel uitmaakt van die schare. Ook de religieuze leiders van het volk hadden het niet op de schare. ‘Het volk dat de wet niet kent,’ sneren ze. Denk nog eens terug aan de protesten van burgers tegen de komst van een asielzoekerscentrum; aan de informatieavonden die belegd werden door de overheid; aan het taalgebruik; aan de verhitte gezichten. Naast democratie bestaat er ook zoiets als ochlocratie. Dat woord is afgeleid van het Bijbelse woord voor ‘schare’ of ‘menigte’ – Ochlos. En het betekent: regering door het gepeupel. Nou, dan weet je het wel. Het is geen pretje om mee geconfronteerd te worden en zeker geen eer om er tussen te staan. ‘Het volk dat de wet niet kent’? We kunnen het alleen maar beamen.

II
Maar eigenlijk vinden we dat we zo niet mogen spreken over hen. Jezus stuurde hen ook niet weg. De kerk moet niet weg lopen voor haar verantwoordelijkheid. Een beetje vriendelijkheid in combinatie met gezond verstand doet in de benadering wonderen, toch? Ja, maar je moet er wel rek voor in de ziel hebben. Het is al moeilijk genoeg om het eigen leven een beetje op orde te houden. Ouders kosten tijd. Kinderen vragen aandacht. Het werk eist het beste van je. En als je die betaalde baan niet hebt, kun je daar weer knap druk mee zijn: Je netwerk in stand houden. Je gezicht niet verliezen. Daar komt de kerk dan nog eens bij, die van jou vraagt om er voor anderen te zijn. Uit de tenen moet het soms komen!

Die schare zijn ook echte shoppers. Ze rennen achter de laatste mode aan. En als het ze niet meer bevalt, zijn ze ook zo weer weg. Dan laten ze jou moe en gefrustreerd achter en kun jij de rommel opruimen. In het evangelie volgen ze Jezus, niet vanwege hun geloofsovertuiging, maar omdat ze gezien hadden welke wondertekenen hij bij zieken deed. Wie wil daar nou niet bij zijn? Je wilt er over kunnen meepraten, toch? Misschien gaat achter die onrustige buitenkant ook wel het verlangen schuil om zelf gezien te worden, ook al verstopt iedereen zich in de schare achter de rug van een ander. Het verlangen om genezen te worden van alles wat een mens woedend maakt en gefrustreerd. ‘Altijd die ander! En ik dan?’

‘En ik dan?’ Dat is een vraag die je in de kerk nauwelijks kunt stellen. De schare mag die stellen, maar jij niet. Jij moet zorgen. Jij moet verantwoordelijkheid nemen. ‘Waar kunnen we brood kopen om deze mensen te eten te geven?,’ vraagt Jezus aan Filippus. En je rent alweer. En je denkt alweer: ‘Hoe krijg ik dat in godsnaam gedaan?’ Altijd draait het in de kerk weer om die ander. Maar liever dat nog dan dat jij gelijk geschakeld wordt aan iemand uit de schare. Alsof jij ook zo iemand bent die het kompas kwijt is en die als een kip zonder kop in de mensenmassa achter de laatste mode aanrent. Jij met je goeie gedrag. Alleen het idee al!

Filippus rekent Jezus voor dat zelfs tweehonderd denarie niet genoeg is om iedereen een klein stukje brood te geven. Tweehonderd denarie slaat een gat in de begroting. We willen wel alles, maar we kunnen niet alles. Zo gaat het voortdurend. We jagen elkaar op in het goed willen doen. We knikken om het hardst als het over delen gaat. Maar in de praktijk is het rommelen in de marge van in beton gegoten verhoudingen. De grenzen aan wat wij kunnen, liggen dichterbij dan wij willen beamen. Alleen lopen we daar liever bij herhaling keihard tegen aan en cultiveren wij liever onze hoofdpijn, dan te erkennen dat onze christelijke normen en waarden geen soelaas bieden. Noch voor het volk dat de wet niet kent, noch voor onszelf. De conclusie kan alleen maar zijn dat ook wij ons kompas kwijt zijn en dat we daarin niet verschillen van de mensen in de schare. Misschien is het wel heel gezond om ook in de kerk hardop aan elkaar te vragen: ‘En ik dan?’ Met de zelfde overgave waarmee boze burgers die vraag stellen aan bestuurders als er in hun buurt een asielzoekerscentrum geopend gaat worden. Ook al vindt u het eigenlijk niks dat ik deze vergelijking hier maak.

III
Jezus stelde Filippus de vraag waar brood gekocht zou kunnen worden voor al die mensen. ‘Maar,’ zegt de evangelist, ‘hij vroeg dat om Filippus op de proef te stellen, want zelf wist hij al wat hij zou gaan doen.’ (vers 6) Op een of andere manier roept het weerstand bij me op, dat ‘op de proef stellen’. Er zit ongelijkheid in. Je wordt uitgeprobeerd. Terwijl je het toch samen moet doen: Jezus en wij, wij met Jezus. Wij zijn toch de handen van God? Wij geven zijn woord een gezicht. Het is niet goed voor de samenwerking dat hij al wist wat hij ging doen. Dat is de ene kant van de weerstand. De andere kant is dat ik door dit top down gedrag van Jezus vanzelf dichter op die schare kom te zitten. Het is niet meer Jezus en ik tegenover de schare, maar Jezus alleen tegenover mij en de schare. Zodat vanzelf die stem in jou sterker wordt, die roept: ‘En ik dan?’ De stem van mensen die tussen de wielen raken, hun kompas kwijt zijn, uitgeput raken en niet weten waar ze er mee naar toe moeten.

Het verhaal van het broodwonder komt in alle vier evangeliën voor, bij Marcus en Matteüs zelfs twee keer. Maar in het Johannesevangelie valt op dat Jezus de enige is die uitdeelt. In de andere evangeliën worden de leerlingen daarbij ingezet. Hier niet. Hier mogen ze alleen oogsten: twaalf korven vol met brokken gerstebrood nadat iedereen genoeg gegeten had. De vraag ‘En ik dan?’ komt niet meer in mensen op. Er is alleen nog maar dit grote ‘wij’ zonder een ‘zij’. Een wij dat verwonder constateert dat er genoeg is voor iedereen. En meer dan dat. En waar dat nou weer voor nodig is?

De kracht, die dit bewerkstelligt, is geen God die alles beter weet dan jij en die natuurlijk alles kan – wat waar ben je anders God voor? – , het is een God die wist wat hij ging doen: zichzelf leeg maken en uitdelen aan de mensen. Zijn weten is het weten van een Liefde die al onze godsbeelden ver te buiten gaat. Een, die niet in de buurt komt van onze goede wil en mooie menselijkheid, maar een die onze frustratie ziet en onze boze vraag omarmt: ‘En ik dan?’ De boodschap van dit evangelie reikt zo veel verder dan het appel om te delen van je overvloed. Dat kun je zelf nog wel verzinnen. Maar een God die zichzelf leeg maakt en uitdeelt aan mensen? Zoiets snapt alleen een kind, met alles wat het nog niet weet. Een kind dat onbekommerd van de liefde leeft. Dat jochie met zijn vijf gerstebroden en zijn twee visjes.

Het evangelie van Johannes kent niet de instelling van het avondmaal aan de vooravond van verraad en lijden. Dat komt omdat het hier te vinden is in het verhaal van het broodwonder. Eucharistie noemt Johannes het als Jezus de broden van het jongetje aanneemt en de dankzegging uitspreekt, voor hij ze uitdeelt. Daarbij heft hij zijn ogen op naar de hemel. Zoals een jood dat doet. Even daarvoor heft Jezus zijn ogen op en ziet hij een grote schare op zich afkomen. De NBV zegt wat plat dat Jezus om zich heen keek. Maar daarmee maak je onzichtbaar het verband tussen het een en het ander. In dit verhaal is het opheffen van de ogen en het zien van de schare direct gelinkt aan het opheffen van de ogen naar de hemel – zoals de priester doet op het hoogtepunt van de viering van de eucharistie. Alleen God weet raad met wat hij ziet op de gezichten van al die mensen die zich achter elkaars rug verstoppen in de schare. God hoort de vraag, voor mensen die stellen: ‘En ik dan?’ Hij maakt zichzelf tot hun kompas. ‘ik ben het levende brood dat is neergedaald uit de hemel; als iemand eet van dit brood zal hij leven tot in de eeuwigheid; het brood dat ík zal geven is mijn vlees, voor het leven der wereld!’ (vers 51)

IV
Dat is ook het kompas van de gemeente van Christus. We worden bevrijd van dat moeizame gesjacher tussen ons voegen naar de wetten van de economie, die de een rijk maakt en de ander arm, en de plicht die wij hebben om eerlijk te delen – iets wat ons maar niet lukken wil; de kloof wordt alleen maar groter en we gaan er onder gebukt. Delen begint niet bij ons. Wij zijn niet de handen van God. God deelt zichzelf uit in de eucharistie. Alles begint bij hem. En de gemeente van Christus is er om van dat geheim te getuigen. Onze handen zijn onze eigen handen, bestemd om de brokken te verzamelen die overblijven als iedereen verzadigd is. Ons kompas is niet de moraal van het delen en tegelijkertijd het hoofd buigen voor de wetten van de economie. Daar wordt een mens alleen maar treurig van. Ons kompas is God die zich uitdeelt aan de wereld en die ons vrolijk ontdekken doet dat we niet hoeven te wanhopen. Er is echt genoeg voor iedereen.

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *