Preek van de Week – Zondag 11 februari ’18

1 Korintiërs 9, 24 – 27
Marcus 1, 40 – 45

I
De mens die naar Jezus komt heeft de Egyptische ziekte. Een verzamelnaam voor de meest uiteenlopende huidaandoeningen. Het is de moeite waard om Leviticus 13 er eens op na te lezen. Het gaat van mazelen tot lepra. Alles wat zich langzaamaan verspreidde in de huid en het lichaam misvormde, heette de Egyptische ziekte. Niet omdat de ziekte uit Egypte kwam, maar omdat in die naam het woord ‘eng’ of ‘benauwd’ besloten ligt. Als je zag dat er iets mis was met je huid, moest je je melden bij de priester. Dan ging het protocol in werking. De priester bekijkt de plek. Daarna zeven dag van afzondering. Dan opnieuw het oog van de priester. Bij twijfel nog eens zeven dagen van afzondering. Was de plek niet groter geworden en bleek de aandoening oppervlakkig, dan werd je door de priester rein verklaard en was je er met een aantal offers en een rituele wasbeurt van af. Maar was de plek groter geworden en bleek het vlees aangetast, dan werd je buiten de gemeenschap geplaatst en kon je niet langer deelnemen aan de godsdienstige rituelen, die het leven beschutting boden. Als de dood was men voor deze diagnose van de priester.

In de volksmond heette de Egyptische ziekte ook wel ‘de oudste zoon van de dood’. Niet omdat de ziekte je terminaal maakte. Maar omdat je buitengesloten werd uit het dagelijks leven. Om zo besmettingsgevaar te voorkomen. Maar het was meer dan dat. Je werd gezien als een gevaar voor de orde. Als dood en leven door elkaar gaan lopen, raakt de kosmos uit balans. Alleen jouw aanwezigheid al met jouw mismaaktheid, kon natuurrampen veroorzaken. Dat was de goden verzoeken Voortaan kon jij het goede leven niet meer dienen met offergaven en goede daden. Nee, jouw taak was om je verre te houden van alles en iedereen. Met een ratel lopen en ‘Onrein!’ roepen. Want dat was het enige dat je nog was: Onrein.

II
Wat een zegen dat we nu en hier leven en niet toen en daar! We hebben medici die het verschil weten tussen mazelen en lepra of tussen psoriasis en schurft. Is het niet een groot goed dat God er tussen uit gehaald is – zowel voor God zelf als voor ons? Dat de priesters geen diagnose meer hoeven te stellen? Dat slechtnieuwsgesprekken niet ook nog eens belast worden met een oordeel namens God? Dat er elke dag nog vorderingen worden gemaakt in het onderzoek naar levensbedreigende ziektes? Dat taboes verdwijnen? Wat een zegen!

Maar laten we nou ook weer niet doen alsof de angst en de benauwdheid, die besloten liggen in de naam ‘Egyptische ziekte’, aan onze tijd voorbijgaat. Het heeft andere vormen aangenomen. Hoewel bij de eerste uitbraak van het HIV-virus en het overlijden van zo veel jonge mensen aan de ziekte AIDS, de angst voor- en de uitsluiting van geïnfecteerden vele malen krachtiger waren dan het besmettingsgevaar. AIDS was de ‘Egyptische ziekte’ van dertig jaar geleden. Maar ook dat is al weer verleden tijd dankzij wetenschappelijk onderzoek en nieuwe medicatie.

De vorm die de ‘Egyptische ziekte’ hier en nu heeft aangenomen, is niet medisch van aard. Deze week sprak ik twee mensen die er aan lijden. De een is een man met een vluchtverhaal dat dertien jaar heeft geduurd. Hij heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij probeert binnen te klimmen in wat wij gewend zijn de samenleving te noemen. Je hebt als gearriveerde Nederlander geen benul van de obstakels die er voor deze nieuwe Nederlander liggen om mee te mogen doen. Wat een overlevingskracht! Maar ook: Wat een eenzaamheid! Begrippen als assimilatie en integratie werken in de praktijk beter om mensen op afstand te houden dan om ze binnenboord te halen. Je bent een probleem dat getackeld moet worden in plaats van een mens.

De ander met wie ik sprak is een vrouw in de bijstand met schulden. Wil je weten wat er dan met je gebeurt, kijk dan eens naar de film ‘I Daniel Blake’. U krijgt van deze priester hier toestemming om er een kerkdienst voor te verzuimen, mocht u het te druk hebben om op een ander moment een film te kijken. Hoe subtiel en systematisch een mens over de grens geduwd wordt en alle zeilen bij moet zetten om de eigen waardigheid niet te verliezen. Hoe iemand gedesintegreerd wordt uit de samenleving. En vervolgens het begrip participatie mee krijgt als opdracht om je weer binnen te vechten. Lukt dat niet, dan is dat jouw falen.

Zie daar: twee mensen die lijden aan de ‘Egyptische ziekte’. Niet toen en daar. Maar hier en nu. Zij zijn vanmorgen de mensen die ons bij Jezus brengen. Soms hoor ik gelovigen zuchten: ‘Leefde ik maar in de tijd van Jezus. Dan kon ik dicht bij hem zijn.’ Wat een misverstand! U leeft in de tijd van Jezus. Dit is de tijd van Jezus. In hem is er geen gisteren en geen morgen. Alleen het nu, waarin het vuurtje van verlangen in ons wordt aangewakkerd. De twee mensen die ik u noemde zijn de brug om Jezus te ontmoeten. Zij zijn die mens uit het evangelie, die aan de ‘Egyptische ziekte’ ofwel aan huidvraat lijdt.

III
Hij komt naar Jezus toe, roept hem te hulp, valt op zijn knieën en zegt tot hem: ‘Als u het wilt bent u bij machte mij rein te maken!’ (vers 40) Blijkbaar is deze mens nog niet bij de priester geweest om de huid te laten controleren. Hij is als de dood. Hij weet wat hem te wachten staat. Hij heeft het dwangbevel van de deurwaarder als het ware thuis al op de mat liggen. Of de laatste afwijzing van het asielverzoek dat zegt dat hij weg moet. Ook al mag God weten waar naar toe.

Dit is meer dan een verzoek om genezing van een of andere huidkwaal. Jij, Jezus, bent bij machte mij te genezen van de ‘Egyptische ziekte’. De ziekte, die een mens uit de samenleving bant. Jij bent in staat een gat te slaan in de angst en in het mechanisme van uitsluiting. Dit gaat ver uit boven toen en daar. Je zou kunnen denken dat Jezus hoort bij de samenleving van zijn dagen. Dat hij een goed hart heeft. Dat hij wonderen kan doen. Dat hij op de uitkijk staat en drenkelingen binnen boord trekt. Natuurlijk, hij was een mens van zijn tijd. Maar zo veel meer dan dat. ‘Het koningschap van God komt eraan!,’ zegt de evangelist Marcus. Met elke stap, die Jezus zet, komt het dichterbij. Heel dat heilig schema van rein en onrein gaat op de schop. De orde, gebouwd op angst voor onbalans en vrees voor de hemel, is nabij de verdwijning. Dat is de boodschap van het evangelie.

Hoe werkt dat dan? Hoe komt het dichterbij? Niet door het machtswoord van een godenzoon, die daarmee de orde herstelt en een mens binnenboord houdt. ‘Diep geroerd strekt hij zijn hand uit, grijpt hem vast en zegt tot hem: ik wíl dat, wórd gereinigd!’ (vers 41), staat er. Dat is zo veel meer dan medelijden, waarvan de NBV spreekt. Het is een compassie die niet alleen de wil bepaalt, maar heel het lijf in werking zet. Het komt uit zijn baarmoeder, als Jezus die had gehad. Er wordt door Marcus een woord gebruikt, zo krachtig en zo lijfelijk, dat hij het alleen maar voor Jezus gebruikt.

De man met de ‘Egyptische ziekte’ vraagt niet of Jezus hem wil aanraken. Hij wist maar al te goed hoe gevaarlijk dat kon zijn en dat het in ieder geval zou betekenen dat ook Jezus zeven dagen in afzondering zou moeten. Maar Jezus doet het. Niet omdat hij de Zoon van God is en hem dus niets kan overkomen. Weer zo’n misverstand! Wie het kind van deze God is, die kan alles overkomen wat een bijstandsmoeder mee kan maken of een mens met een vluchtverhaal van dertien jaar. En erger. Jezus trekt de mens niet binnenboord van de samenleving. Hij trekt zichzelf eruit om bij die mens te kunnen zijn. Niet de samenleving is hem heilig, maar het koningschap van God dat er aan zit te komen.

IV
In zekere zin overkomt het koningschap van God ook Jezus. Hij snauwt hem af: ‘Scheer je weg. Toon je aan de priester. En breng je offers volgens de wet van Mozes.’ (vers 44) Daar hebben wij dan weer moeite mee. Want Jezus heeft een goed hart en zou nooit zoiets doen. Maar dat is het vroom gewauwel van de gelovige die gewend is geraakt aan zijn eigen zekerheden, en die denkt dat daarin het koningschap van God te vinden is.

Maar Jezus weet als geen ander wat er op het spel staat. Straks zal hij bidden in de olijfgaard die Getsemane heet: ‘Abba, Vader, voor u is alles mogelijk. Neem deze beker van mij weg. Maar laat niet gebeuren wat ik wil, maar wat u wilt.’ (Marcus 14 vers 36) Het evangelie volgens Marcus bindt Jezus zo dicht op de slachtoffers van deze samenleving, dat hij, net als zij, ‘niet meer bij machte is in het openbaar een stad binnen te komen, maar daarbuiten heeft moeten zijn op plekken in de woestijn.’ (vers 45) Het koningschap van God komt van buiten. Niet van binnen. En het komt niet in marstempo, maar langs de weg van het lijden en de compassie. Dat lijden is nooit een wenkend perspectief. Ook niet voor Jezus. Het is opvallend dat in het laatste vers van het evangelie van vandaag moeilijk is in te schatten wie nu wie is. Wie is Jezus? En wie is de mens met de ‘Egyptische ziekte’? De NBV heeft dat keurig voor ons ingevuld. Maar daar waar het koningschap van God nabij is, daar zit er geen millimeter ruimte tussen Jezus en de uitgestoten mens. Vandaar dat die twee ontmoetingen van afgelopen week door mij ervaren zijn als ontmoetingen met Jezus.

V
Dat wij als kerk in de stad proberen het hoofd boven water te houden door het gewoon goed te hebben met elkaar, is zo logisch als het maar zijn kan. Maar of we het daarmee redden? Hij is buiten, zegt het evangelie. ‘En toch zijn zij naar hem toe blijven komen van overal,’ (vers 45b) staat er. Waarom zouden wij dan achterblijven?

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *